JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Waarom juist hem de grievende smart aangedaan, toen hij dacht weldra op het hoogtepunt van het leven te zullen zijn, terwijl ouderen en armen vaak van dit alles niets weten ?
Waarom die ouden, zooals er in het armenhuis van Kleiterp wel gevonden worden, op 80-, 90-jarigen leeftijd, dat leven verlengd, menigmaal zich zelf en anderen tot last, en waarom aan anderen ontnomen, wat zij zoo gaarne nog langer hielden, — wat ook zoo noode kon worden gemist ?
O ja, hij weet wel, dat er menschen zijn die spreken van de zonde. Daar heeft de bijbel het ook over en daar heeft ds. Feurman het ook altijd over en daar had zijne moeder het ook wel eens over, — zijne moeder die kerkelijk was en in den bijbel las, van wien hij zich herinnerde eenmaal straf te hebben gehad, omdat hij weigerde zijn avondgebedje te doen, gelijk de jonkers Beima en de freules Bergstein toch ook niet deden.
Maar wat is zonde en vanwaar is zij ?
Vanwaar is alles wat er is ? Is het geworden uit zich zélf, door evolutie, door ontwikkeling en uitvloeiïng en voortplanting, door veredeling en beschaving, om zoo tot in het oneindige op te klimmen en toe te nemen in heerlijkheid en macht ? Maar vanwaar dan die éérste atoom, die éérste levenskiem hoe gering ook; dat allereerste vruchtbare stofje van-waar-uit eens alles werd opgebouwd ?
Of is het al geschapen uit het niet door dien God, Die er was toen nog niets bestond ?
En zoo ja, vanwaar dan die God ? Bestaat Die dan wél uit Zich zelf en alles wat buiten Hem is niet ?
En indien dit het geval is, waarom heeft die God dan de zonde in het leven geroepen, en met die zonde alles wat uit haar voortkomt ?
Of indien de zonde niet van Hem is, van wien dan wel ? Is er buiten God nóg een macht ? Is er ook een kwade God ?
En die God, Die er dan is, bemoeit Die zich met dit alles of alleen met het groote ? Maar wat is groot en waar is de grens tusschen het groote en het kleine ?
Een diepe zucht ontsnapt zijn borst. „Wat is het leven toch een raadsel", mompelt hij. Vooral voor degenen die denken, die achter het geheim van den oorsprong der dingen zoeken te komen. Die niet als de vlinders voortfladderen van bloem tot bloem, van het eene genot naar het andere, dansend in het gouden zonlicht, zoolang die vleugels ze kunnen dragen, om dan straks als een afgevallen boomblad te worden vertreden in het slijk.
Hij is immers meer dan zoo'n vlinder, meer dan zoo'n boomblad, meer ook dan die eenvoudige boerenjongens en meiden, die onbezorgd en onbekommerd voortleven, wier vrooljjke scherts gelijk zoo even tot hem opklinkt, als zij wandelen in de slotlaan, of die in het rustuur stoeien op het korenveld.
Hij is Jonker van Sterrenburgh, heer van Grovestins, met een adellijken stamboom, met uitgestrekte bezittingen hier te Kleiterp en in Gelderland en in Holland en in Duitschland en in Indië zelfs. Hij is grootindustrieel, hij is „oeconoom, hij is stille vennoot in menige winstgevende zaak, hij is aandeelhouder in tal van ondernemingen, hij is betrokken bij de theeplantages en de rijstvelden in ons mooie Insulinde. Hij is vrij zeker een toekomstig lid van de Nederlandsche Volksvertegenwoordiging ; zijn naam is reeds herhaalde malen genoemd in verband met hooge posten.
Hij is thans concessionaris van de aan te leggen spoorbaan via Kleiterp, Polderga, Westerkerk, Sonnega, Meerzicht, Woudklank-Leeuwarden, enz. Die man is hij, en toch bij dat alles, hoe arm soms, hoe klein, hoe nietig. Met een hart vol vragen, met een hoofd vol zorgen, met een ledigheid in zich, die hij niet weet hoe te moeten vullen !
Een bittere lach plooit zich om zijn lippen. Houden de menschen hem niet voot gelukkig, omdat hij zoo rijk is ? Omdat hij zooveel goederen heeft ? Omdat hij op een Slot woont en een Jonker is ? Gaat niet elk bescheiden op zij als zijn rijtuig, met prachtige schimmels bespannen, den weg afkomt ? Nemen niet velen hunne hoofddeksels af wanneer zij „Grovestins" passeeren, uit eerbied voor zijn bewoner ? Zij moesten eens weten, die eenvoudige daglooners, die kleine burgers, die tobbende boertjes, vóór dag en dauw reeds in de weer, hoe menigmaal hij in stilte hun le ven bespiedt, om dan niet zelden tot de slotsom te komen dat zij in hun staat gelukkiger zijn dan hij.
Omdat hem de veerkracht van het leven ontbreekt.
Omdat hij niet weer waarvoor hij werkt. Omdat hij in den laatsten tijd geen idealen meer heeft, gebroken als hij is door de ruwe werkelijkheid van het leven.
Bovenal, omdat hij zich gevoelt als een aangeschoten adelaar, die zou willen opvliegen tot der wolken blauw, maar die dit niet kan omdat hij zoo lam is, o zoo lam! Omdat hy zoo moe is, o zoo moe !
En waar is de wijze dezer wereld, die hem helpen kan, hem. Jonker van Sterrenburgh, heer van „Grovestins" ?
Hij staat op uit zijn stoel en loopt in groote passen de bibliotheek op en neer. Met groote droom-oogen kijkt Juno zijn meester aan, alsof hij zeggen wil: „'k wou dat ik u helpen kon", maar deze heeft andere hulp noodig.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's