KERKELIJKE RONDSCHOUW
BIE GAAN EN KOMEN.
Nu onze Bondsdag — nu als Jaarver-gadering — aanstaande is, denken we natuurlijk weer bizonder aan wijlen ons mede-bestuurslid ds. M. Jongebreur, die zoo lang — van de oprichting afaan — onzen Gereformeerden Bond gediend heeft en niet weinig, door Gods genade, heeft meegewerkt tot de uitbreiding, den groei en de vaste fundeering van onzen Bond. Wat heeft hij, door den Heere bekwaamd, gesterkt en gezegend, hard en veel voor onzen Bond gewerkt. En wat heeft hij door zijn trouwen, stoeren arbeid veel, heel veel mogen bereiken. Wat zijn de wortelen van onzen Bond diep ingeslagen, wat is de boom opgeschoten, wat zijn de takken breed uitgebreid naar alle kanten.
We denken aan onzen vriend Fliehe ; we denken aan onzen broeder Jongebreur.
Nooit hebben zij zich zelf gezocht. Zij hebben altijd willen dienen, door zich zelf te geven en met noeste vlijt te werken. Ook terwijl anderen niets deden of zelfs nog heimelijk of in 't openbaar tegenwerkten, gingen zij voort om 't goede te zoeken voor den Bond en zij hielden in 't oog onze Ned. Hervormde Kerk, om haar te dienen, opdat weer van kansel tot kansel het Evangelie der Schriften, het Evangelie des Kruises, mocht worden verkondigd.
De fondsen van den Bond hebben ze als hun kinderen liefgehad en verzorgd en zij hielden onze Ned. Hervormde Kerk daarbij in 't oog.--Daarvoor waren dé gelden gevraagd en gegeven. En daarom was het hun tot zoo groote vreugd, dat alles zoo prachtig ging.
Wat is onze zaak er dan ook heerlijk mee gediend geweest. Wat heeft onze Kerk er reeds vele vruchten van geplukt. En dat het Gereformeerd beginsel meer en meer verbreid is, moet ons tot groote vreugd zijn.
Doch — nu zijn ze niet meer. En de plaats van ds. Jongebreur, die ledig is, zal moeten worden aangevuld op onze a.s. jaarvergadering.
Nog een plaats zal er dan ledig zijn, . Want ook onze vriend en broeder ds. Van der Snoek, vroeger Secretaris van onzen Bond en daarna Penningmeester — beide malen als opvolger van ds. Jongebreur — heeft om gezondheidsredenen moeten bedanken, zoodat er een tweede vacature is in het midden van ons Hoofdbestuur.
Toen ds. Van der Snoek onlangs ongesteld was, schreef hij ons en maakte hij ons zijn voornemen om te bedanken bekend en vroeg ons geen moeite te willen doen, om hem van zijn voornemen terug te brengen, daar hij voor zichzelf meende op deze wijze te moeten handelen.
Hoe zeer 't ons speet, hebben wij direct begrepen, dat we voor zijn besluit eerbied moesten hebben. Hoe noode wij hem dan ook zien heengaan, ieder zal voelen, dat wij voor zijn besluit eerbied moeten hebben.
Trouw heeft ook ds. Van der Snoek onzen Bond gediend met groote liefde van zijn hart en met gewillig geven van zijn beste krachten.
Wij danken hem hier reeds nu voor alles wat hij voor den Bond, voor de fondsen en voor „De Waarheidsvriend" gedaan heeft.
Met de aangenaamste herinneringen zal in onze kringen bij voortduring aan hem worden gedacht. En waar hij in deze weken mag gedenken, dat de Heere hem en zijn vrouw nu 25 jaar gespaard heeft en hem het voorrecht schenkt om. 25 jaar als bedienaar des Woords onze Kerk te dienen, daar wenschen wij hem en zijn echtgenoote van harte met deze dubbele zegening geluk en onze wensch en bede is, dat de Heere nog lange spare voor huis èn arbeid !
En nu moeten de twee ledige plaatsen worden aangevuld.
Het Hoofdbestuur is zoo gelukkig in de vacature ds. Jongebreur te kunnen en te mogen aanbevelen : ds. J. H. P. REMME, van Amsterdam. En in de vacature ds. Van der Snoek : ds. J.G. WOELDERINK, van Vreeswijk.
Men zal ons moeten toegeven, dat het moeilijk beter had kunnen zijn !
Wij zijn er dan ook recht mee ingenomen, dat beide heeren zich bereid verklaard hebben, om — als de vergadering 't straks goed vindt — in ons Bestuur zitting te nemen.
Met nieuwe krachten en met frisschen moed kunnen we dan samen weer voortgaan, waarbij zooveel werk ons roept.
Bij de bestuursverkiezing zal ook aan de aftreding van den heer Kruysbergen en den Voorzitter gedacht moeten worden. Maar beide heeren hebben zich bereid verklaard — als de vergadering 't straks goed vindt — weer zitting te nemen in het Bestuur en den arbeid voor onzen Bond voort te zetten.
Geve de Heere ons Donderdag 15 October een recht gezegend samenzijn, waarbij de broederband onder degenen die onzen Bond liefhebben om des werks wil, mag worden gesterkt !
De Heere zij onze sterkte en onze toevlucht !
Hij zegene Kerk en Volk, naar den rijkdom Zijner genade !
AFSCHEIDSCOLLEGE PROF. VISSCHER. —
Zooals in de bladen is gepubliceerd, zal prof. dr. H. Visscher Woensdag-14 Oct. a.s., 's middags 3 uur, in de Aula der Rijksuniversiteit, te Utrecht een afscheidsrede houden, waarbij het ook geoorloofd is, dat niet-Studenten, en dus b.v. predikanten en belangstellende gemeenteleden, tegenwoordig zijn.
Wij weten nog goed, dat prof. Visscher, komend van Ouderkerk a.d. IJssel, - waar hij predikant was, zijn intreerede als hoogleeraar hield. Groote dankbaarheid en vreugd v/as er onder het Gereformeerde volk in de Ned. Hervormde Kerk èn daarbuiten. En we waren Minister Kuyper zeer dankbaar dat hij de Ned. Hervormde Kerk zóó bedacht had ! Het was de rechte man op de rechte plaats — een plaats van eer en invloed, waar prof. Visscher een lange reeks van jaren, door Gods genade, met eere en met grooten zegen heeft mogen werken, om onderwijs te geven in de Gereformeerde Waarheid en mee te arbeiden aan de opleiding en vorming van onze aanstaande predikanten, gedurende de jaren aan de Academie doorgebracht.
God heeft prof. Visscher met groote en met vele gaven begenadigd, waarvan een Christen altijd gaarne wil belijden, dat het uit Gods Vaderlijke hand ons toekomt. En met groote opgewektheid en met veel vrucht heeft prof. Visscher een lange reeks van jaren als theologisch hoogleeraar te Utrecht mogen arbeiden.
De hand des Heeren is daarin zegenend over hem ontsloten geworden, wat velen in den lande nu met innige dankbaarheid gedenken !
Een groot aantal theologen, die nu in de Ned. Hervormde Kerk als predikant mogen werkzaam zijn, zijn vooral door prof. Visscher gevormd ; en wel op zoodanige wijze, dat zij diepe, onuitwischbare indrukken mochten ontvangen van de Gereformeerde Waarheid. In de Gereformeerde levens-en wereldbeschouwing zijn zij voornamelijk door prof. Visscher, die een bijzonderen greep op de studenten had, onderricht en opgebouwd ; waaraan zeker ook n ü in veie pastorieën en vele gemeenten met stille en groote dankbaarheid zal worden gedacht.
En waarlijk niet alleen „Gereformeerde" predikanten in de Hervormde Kerk hebben veel van prof. Visscher geleerd, maar ook velen, die nu juist niet precies „Gereformeerd" zijn, erkennen het gaarne, dat er van het onderwijs van prof. Visscher altijd een machtige bekoring is uitgegaan en zijn onderricht is ook Voor hen van de grootste beteekenis geweest en gebleven. Hij was werkelijk een geheel éénig professor !
Er is ook eigenlijk geen heerlijker werk, dan om onder jonge menschen te leven en hen te mogen inleiden in de hoogste en heiligste dingen, waarnaar zoo menig hart uitgaat, zoekende om daarbij door het rechte licht geleid te mogen worden. Wat tal van vragen kunnen zich daarbij opdoen. Wat tal van kwesties kunnen zorg en moeite geven aan hoofd en hart. Wat kan er een geweldige strijd opkomen in die crisisjaren met geestelijke moeilijkheden, terwijl de ziel niet kan grijpen wat we noodig hebben en niet wil loslaten wat onmisbaar is.
En daartusschen heeft prof. Visscher mogen staan, door God begenadigd met zoovele geestelijke gaven, om telkens te mogen uitdeelen wat van de hoogste waardij is voor hoofd en hart.
Wij denken daaraan in deze dagen van afscheid en heengaan met een dankbaar hart en we weten dat het werk, zooveel jaren met zooveel talent verricht, door des Heeren ongehouden goedheid niet ijdel is geweest.
Gaarne danken we dan ook prof. Visscher uit naam van het Gereformeerde volk in en buiten de Hervormde Kerk, uit naam ook bizonder van heel veel predikanten en vele studenten, voor alles wat hij gedurende een lange reeks van jaren heeft verricht.
Onze wensch en bede is, dat de Heere prof. Visscher ook verder een God van velerlei genade mag zijn en blijven, dat Hij hem ook verder zegene en hem voor velen in de komende jaren ook nog tot zegen mag stellen.
Ook Woensdagr 14 October schenke de Heere uit genade alles wat noodig is voor hoofd en hart!
DE TENTOONSTELLING TE PARIJS EN NOG WAT.
In „Christelijk Vrouwenleven" van Aug. '31 wordt in de Kroniek door A. D. gesproken over „de Zending op de Internationale Tentoonstelling te Parijs". We lezen daar : „dat de Zending goed vertegenwoordigd is. Wie het terrein binnenkomt bij de „porte d'honneur", bereikt heel spoedig" de gebouwen van de Protestantsche en de Roomsch-Katholieke Zending, door Frankrijk geleid. In het eerste gebouw krijgt men een uitstekenden indruk van den arbeid, door de betrekkelijk kleine groep Protestanten in Frankrijk ondernomen. Overzichtelijk is weergegeven wat de „Sociétés des Missions" doen op de 9 terreinen die bewerkt worden : n.l. in Lessoeto, Zambezië, Senegal, Cameroen, Gabon, Madagascar, Tahiti, Nieuw Caledonië en Togo. Naast 80 predikanten werken op deze Zendingsterreinen 180 Zendelingen en vrouwen door prediking, scholen en medischen dienst.
Zendingsbladen en tijdschriften liggen ter kennisname, benevens warme aanbeveling om het werk van la Société Evangélique de Paris te steunen.
Uitgestald wordt schrijf-en handwerk van kinderen der Zendingsscholen ; de Bijbel ligt er in de taal van verschillende heidensche stammen. In de flinke en toch-intieme zaal, die in kleine afdeelingen is gescheiden, kan ieder bezoeker zich gemakkelijk oriënteeren of het gebied van deze Protestantsche Zending, die bovendien heel wat lectuur etaleert.
Vlak naast het gebouw der Fransche Protestantsche Zending staat dat der Roomsche Missie ; imposanter zoowel van buiten als van binnen misschien, maar hier is alles ook meer op effect berekend. Tot de groote massa zullen ongetwijfeld de panopticumpoppen en groepen van frères en soeurs („broeders" en „zusters", die in de Roomsche Missie arbeiden), die hun liefdewerk verrichten, nog meer spreken dan de eenvoudige uitstallingen in het nevengebouw. Maar wie komt als belangstellende in de Zending, is veel vlugger ingelicht in de eenvoudige en overzichtelijke afdeelingen van de Protestantsche Zending met haar goed geschikte informaties en lectuur.
Alleen kan men zeggen, dat de arbeid der vrouw op het Zendingsveld, veel beter tot zijn recht komt in de uitstalling der Roomsche Missie, dan in die van de Protestantsche Zending".
Verder lezen we :
„Aan een drukken verkeersweg op het tentoonstellingsterrein staat 'n kleine Bijbeltent met Bijbels in verschillende talen. Met groote letters is hierop geschreven :
La Bible c'est ni Catholique, ni Protestante :
De Bijbel is noch Catholiek, noch Protestant.
La Bible est pour tout le monde :
De Bijbel is voor iedereen. La Bible est divine : De Bijbel is van God.
Dankbaar stemt het, dat op dit internationaal terrein, waar-talrijke personen uit vele natiën, ook uit heidensche volken, bijeen zijn, deze evangelisatietent niet ontbreekt".
GELOOFSVERVOLGING IN NEDERLAND.
't Zal straks 100 jaar geleden zijn dat de Afscheiding plaats had (1834).
Hoe men toen de menschen geplaagd heeft, blijkt uit het volgende lijstje, waarop vermeld zijn de boeten, door ds. Van Velzen, een van de eerste Afgescheidene predikanten, betaald.
't Lijstje ziet er zóó Uit: ƒ 42.30 — 42.71 — 67.60 — 17.56 — 229.77 — 103.78 — 101.24 — 106.50 — 115.78 — 103.54 — 126.90 — 114.90 — 102.50 — 104 — 103.37 — 109.27 — 101.92/2 — 114.36 — 104.42 — 57.22 — 11.74 — 164.38 — 121.48 — 54.21 en 56.23.
Dit maakt, bij elkaar opgeteld, een som uit van ƒ 2416.731/2.
Is het niet verschrikkelijk ? En dat enkel en alleen omdat men samenkwam rondom Gods Woord, waarbij aan niemand overlast werd gedaan !
ONZE GODSDIENST.
Religie is een vreemd woord voor godsdienst. Het is afgeleid van het Latijnsche werkwoord religare ; dat verbinden beteekent; het woord religie wil dan ook onze geestelijke, innige verbintenis met God aanduiden ; uit die innige verbintenis komt onze godsdienst.
Als we het hebben over de religie, dan staat dit voorop : de religie vindt haar zetel in héél den mensch. Zij neemt zijn denken in beslag, want er is geene gemeenschap met God mogelijk, of we moeten God en Zijn werken kennen. „Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen en U in al Uwe werken heiligen, roemen en prijzen". Zond. 47. Onbekend maakt onbemind. Daarom is de rechte kennis, door Woord en Geest noodig. Wij zijn redelijke menschen en Paulus spreekt er ook van, dat we hebben een „redelijke godsdienst", Rom. 12 vers 1.
Maar de religie beweegt ook ons gemoedsleven, want zij doet God liefhebben met geheel ons gemoed ; zij legt beslag op onze lustgevoelens en neemt ons hart in beslag. „Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde", Ps. 73. Daar komt echter nog een derde bij. De religie wekt ons óók op tot willen, tot actie, tot de daad, om ons denken en gevoelen te openbaren en in daden om te zetten, in de practijk van het leven er mee te werken. In één woord : de religie is zaak van den geheelen Christen, van zijn hoofd, zijn hart, zijn hand ; van zijn verstand, gevoel en wil, zijnde de drie voorname functies of vermogens van de menschelijke ziel.
De religie, onze godsdienst, onze Godsgemeenschap, ons geloof — wanneer het niet alles dood is — doortrekt alles, gelijk het zuurdeeg alle maten meels.
Men kan niet met het hoofd een heiden (niet-Christen) zijn en met het hart een geloovig Christen, levend bij Gods Woord en in de vreeze Zijns Naams.
Indien wij van harte God liefhebben en Hem mogen kennen in Christus en smaak hebben in Zijn Woord, levend in de dingen des Vaders en bij de dingen van Gods Koninkrijk, dan willen we ook met hoofd en hart en hand, met verstand, gemoed en wil den Heere dienen. Dan willen we in ons kunnen en kunnen den Heere wijden. Dan willen we in ons weten en doen den Heere aanhangen, Hem dienen en eeren.
Hem liefhebben met heel het verstand, met heel het hart en met alle krachten is het wat de Heere van ons vraagt. Ons denken, gevoelen, willen ; ons hoofd, ons hart en onze hand vraagt Hij van Zijn kinderen. En het is de lust van de geloovigen geheel Hem toe te behooren en nabij Hem te leven en Hem te dienen.
Voor den Christen geldt dan wat de Heidelb. Catechismus uiteenzet in, het derde stuk, het stuk der dankbaarheid. Daar vindt de geloovige den levensregel naar Gods Wet en Woord. Om als kind en niet als knecht — in liefdedienst met den Heere te leven en een „nieuwe gehoorzaamheid" (Doopformulier) te bewijzen. Niet een gehoorzaamheid der zonde en des vleesches. Maar een gehoorzaamheid der liefde in de vreeze Gods ; met de betuiging der genade : „ik heb een vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's