De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

OOK DE KERKEN IN ONGELEGENHEID.
Het behoeft geen verwondering te wekken, dat ook de Kerken door de wereldcrisis, en wel voornamelijk door de steeds groeiende werkloosheid, die daarvan 't gevolg is, in groote ongelegenheid gaan geraken.
De gang van het crisisproces deed dit verwachten.
Voorshands bepaalt de ongelegenheid zich nog maar tot moeilijkheden, welke sommige diaconieën ondervinden bij de verzorging van hare armen.
De reden daarvan is, dat terwijl aan de eene zijde de diaconale inkomsten verminderen, ten gevolge van den achteruitgang der zaken en van 't niet meer vloeien van verschillende baten voor een groot deel der bevolking, waaronder de offervaardigheid in niet geringe mate is komen te lijden, aan den anderen kant het aantal gezinnen, dat door de werkloosheid wordt geteisterd, grooter wordt, met het gevolg, dat de armlastigheid toeneemt.
Vooral zullen in den aanstaanden winter de diaconale kassen voor eischen worden gesteld, die zij te voren nimmer hebben gekend.
Teneinde nu de zaken niet te laten vastloopen, zijn er reeds diaconieën in gemeenten, waar geen burgerlijk armbestuur bestaat, en waar de gemeenteraad weigert om zelf geldelijken steun aan de behoeftigen uit te keeren, die om in den nood der armen te kunnen voorzien er toe overgaan een beroep op de gemeentekas te doen.
Dezer dagen lazen wij van een gemeentebestuur, waarbij verzoeken van behoeftige lidmaten der Ned. Hervormde Kerk inkwamen om financieelen steun te mogen ontvangen, dat aan de diaconie dezer kerk adviseerde, dien steun te verleenen, om dan daarna het uitgegeven geld bij den gemeenteraad terug te vragen.
De diaconie, die op dit advies inging, diende dientengevolge bij den Raad der burgerlijke gemeente een verzoek in om bereids uit de gemeentekas een voorschot te mogen ontvangen.
Het is ons niet bekend, hoe het met dit verzoek is afgeloopen. Alleen willen wij het feit constateeren — en dit feit zal wel niet op zichzelf staan — dat de kerken bij de verzorging van hare armen gaandeweg in moeilijkheden komen te verkeeren.
Nu dient echter in verband met de aanvrage, welke door de diaconie werd gedaan om een voorschot uit de gemeentekas te mogen ontvangen, natuurlijk met het doel om dit later te verrekenen, op een gevaar te worden gewezen.
De Armenwet bepaalt, dat bij het verleenen van subsidies aan instellingen, die zich bezighouden met het ondersteunen van behoeftigen, deze instellingen onder meer moeten aantoonen uit de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven over het laatst afgeloopen jaar en de begrooting voor 't loopende of volgende jaar, dat de subsidie volstrekt noodzakelijk is.
Met het aanvragen door diaconieën om een gemeentelijke subsidie voor de verzorging van hare armen te mogen ontvangen, plaatsen zij zich dus onder de gemeentelijke controle.
De gemeente moet aan de diaconale rekening hare goedkeuring hechten en de diaconie onder haar toezicht nemen.
Aan een dergelijke controle kan en mag de Kerk zich niet onderwerpen. Zoo iets tast haar karakter aan en doet aan hare eere tekort.
Het is van belang daarop te wijzen, opdat ondanks de moeilijke tijden, die velen tengevolge van den achteruitgang in zaken doormaken, en gezien het feit, dat de inkomsten van de gezinnen verminderen, toch de offervaardigheid niet verflauwe.
Het zou toch — zooals wij reeds opmerkten — de eere van de kerken te na komen, wanneer zij gedwongen zouden zijn een beroep te doen op de openbare kassen — stel ook dat dit mogelijk ware en die kassen bereid waren om dit te doen — in den nood der armen te voorzien.
Dat het bij vele diaconieën dezen winter zal nijpen, geven wij grif toe.
Doch het blijft de taak der gemeente om er voor te zorgen dat de diakenen hun moeitevollen arbeid met lust en opgewektheid verrichten.
Het gaat hier niet alleen om de eere van de Kerk, maar bovenal om de eere van den Koning.

DE SOCIALE WETGEVING.
Wij schreven hierboven, dat de Kerken vooral in den komenden winter een zorgvollen tijd tegemoet gaan. Er zuilen er vele duizenden zijn, die nog nimmer met de diaconie in aanraking kwamen, doch die nu zullen genoodzaakt zijn hare hulp in te roepen.
Onder deze omstandigheden mogen wij dankbaar zijn, dat er sociale wetten zijn, die zich het lot aantrekken van hen, die door een ongeval getroffen zijn, die steun bieden aan invaliden en ouden van dagen, die de helpende hand uitstrekken naar tienduizenden weduwen en weezen en die ook de werkloozen tegemoet treden.
Die sociale wetten geven ontspanning en verlichten den last, die anders ook op de instellingen, die zich met de verzorging van armen bezighouden, zouden drukken.
Stel, dat de kassen, die nu in verschillend opzicht voorziening treffen, niet bestonden en allen, die thans uitkeering ontvangen, doch dan behoeftig waren, op de openbare kassen of de diaconieën zouden zijn aangewezen, wat zou de toestand dan onzeker en verward zijn.
De chaos stond dan voor de deur. De begrootingen van Rijk en gemeenten zouden niet meer sluitend zijn te maken en de diaconieën de verzorging van haar armen kunnen staken.
De revolutionairen kregen dan vrij spel. Er wordt vooral in onze dagen vaak heel wat afgegeven op de sociale wetgeving. De Staatkundig Gereformeerden staan daarbij in de voorste rij.
Doch in de moeilijke omstandigheden, waarin wij ons thans bevinden en waarin het steeds moeilijker wordt om de financiën in evenwicht te houden, hebben wij meer dan ooit het werk te waardeeren, waarvan Talma in de parlementaire periode van 1908—'13 den grondslag lag.
Wij zien in de sociale wetgeving een zegen voor ons volk.

DE A.R.J.A. TOOGDAG.
Zaterdag 17 October a.s. zal in het Gebouw „Amicitia", Westeinde, 's-Gravenhage, een groote Landdag gehouden worden — voor A.R.J.A.-menschen van heel het land — waarvoor hier de belangstelling gevraagd wordt.
Men weet wat A.R.J.A. beteekent ? Het is de Anti-Revolutionaire-Jongeren-Actie.
De morgen-vergadering begint half elf. Dr. Joh. H. Scheurer zal een openingswoord spreken over : „In partijverband". Daarna spreekt het Kamerlid dr. E. J. Beumer, van Utrecht.
De middag-vergadering begint twee uur. Dan zal de heer A. Janse, van Biggekerke, spreken over : „Burgerlijke of Kerkelijke Politiek ? "
Het slotwoord in deze samenkomst zal gesproken worden door ds. H. Janssen, van Den Haag.
Deze mededeelingen dienen als een woord tot opwekking om deze zeer belangrijke vergadering van de A.R.J.A. bij te wonen.
Het aantal clubs is in het afgeloopen jaar gestegen van 76 tot 94.
Hier ligt ook voor de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbeweging een mooi terrein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's