De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

CHRISTELIJKE ETHIEK

6 minuten leestijd

In Plato's Staat zijn drie standen. Tot den laagsten stand behooren de boeren en handwerkslieden ; die naar hun (lagen) aanleg moeten arbeiden (het handwerk, de arbeid werd als minderwaardig door de wijzen veracht), en de twee hoogere standen van leeftocht, van voedsel en kleeding, moeten voorzien. De werkbijen dus. (De Duitscher noemt dat de Nahrstand). Voor levensonderhoud, kleeding en noodige genoegens moet gezorgd worden. De lagere bevolking komt daarvoor in aanmerking. Het is naar hun aanleg en stand. En zij hebben zich onvoorwaardelijk aan de leiding der hoogere standen — de intellectueelen en regeerders — te onderwerpen !
De tweede stand wordt gevormd door de staatsbeambten en soldaten ; de ambtenaren en militairen. Zij dienen als politie en leger en moeten er voor zorgen dat de staatswetten door de burgers worden opgevolgd ; dat de staatsmachine draait; en zij moeten den Staat verdedigen tegen vijanden en, zoo het noodig is, het grondgebied uitbreiden door oorlogen tegen de „barbaren". (De „Wehrstand").
De eerste en hoogste stand zijn de regeeringspersonen, de regenten, die allen wetenschappelijke, wijze menschen zijn; philosophen. Zij moeten alles leiden en moeten naar den eisch der wetenschap de wetten vaststellen, die onvoorwaardelijk moeten worden gehoorzaamd, waarvoor de ambtenaren, de politie, het leger zorgen moet. (De „Lehrstand").
De twee hoogste standen vormen weer een soort éénheid ; ze zijn elkaar verwant, hoewel ze onderscheiden zijn ; ze zijn saam de „wachters" van het volk, die over 't volk waken en de leiding hebben in alles. Zij vormen een aparte kaste en zijn van de (domme en laag-zinnelijke) massa streng gescheiden. Zij leven geheel voor den Staat en moeten van alle privaat bezit afstand doen, alles is het hunne.
Er wordt onder hen niet gerekend met 't onderscheid van mannen en vrouwen — ze zijn een soort hóóger dan de laagste klasse der bevolking — en kunnen meer „hebben". De vrouwen staan gelijk met de mannen, ze leven „gelijk op". De vrouwen verrichten soldaten-en politiedienst; alleen zal men bedenken, dat ze wat zwakker zijn dan de mannen en daarom zal men haar wegens haar geringere lichaamskracht niet te zware lasten opleggen.
Door een voorgeschreven „foksysteem" wordt het geslacht der „wachters" des volks (phulakes) aangekweekt en in stand gehouden. Voor de laagste klasse der menschen is het huwelijk toelaatbaar; die menschen moeten zich met het gewone, minderwaardige van de samenleving, van één man en één vrouw maar tevreê stellen ; maar voor de twee hoogere standen is een hoogere orde weggelegd en wel: de gemeenschap van vrouwen en mannen in 't algemeen. De lichamelijk en geestelijk beste mannen worden met vrouwen van 't zelfde gehalte uitgekozen en saamgebracht en dezen moeten, op door de wetten voorgeschreven tijden, samenkomen om een edel menschengeslacht te „fokken". Er mogen niet te weinig, maar ook niet te veel kinderen geboren worden ; en de zwakken, de misvormde, de ziekelijke kinderen moeten worden gedood, opdat het menschengeslacht niet ontaardt. Ongewenschte kinderen worden vóór de geboorte weggewerkt, wat door den Staat beschermd wordt.
Zoodra kinderen geboren worden, moeten dezen door staats-minnen of door de moeders gezoogd worden, maar geen moeder mag weten wat haar eigen kind is. De vrouw baart voor den Staat en het kind wordt door den Staat onderhouden. Het huwelijksleven, het familieleven, wordt op deze manier uit het midden van het volksleven gebannen. Het volk is, groot en klein, één groote gemeenschap.
De kinderen van den Staat worden van Staatswege opgevoed, naar het lichaam door de gymnastiek, naar den geest door de wetenschap en bij de kunst. Knapen en meisjes van 8—12 jaar moeten zich, geheel ontkleed, met elkaar, in de gymnastiek onder leiding van bekwame meesters, ter verkrijging van een gezond, lenig, sterk lichaam oefenen. Het Staatsonderwijs zorgt dan verder voor een gezonde ziel, waarbij een gezond lichaam past. Over de goden moet verstandig gesproken worden als zijnde goede goden, waarom men met de spottende verhalen, waarin van allerlei vreemde en slechte dingen der goden gesproken werd, voorzichtig moest zijn. Het volk moest van de goden een goeden indruk ontvangen, om verder zich van de goden niet veel aan te trekken.
De menschen (van het geslacht van de „wachters", de hoogere standen dus) moeten dapper gemaakt worden („dapperheid was één der hoofddeugden), zij mogen den dood niet vreezen. Zij moeten overigens leeren matig te zijn in alles, in spijs en drank, in liefdesgenot enz. Ook moeten zij zich oefenen in de schoone kunsten, met name in de muziek. Van 18—20 jaar moet ieder in den wapenhandel getraind worden. Dan worden verder de besten uitgekozen — gesorteerd — om van 20—30 jaar wiskunde, sterrenkunde enz. te studeeren. Van dezen worden weer de besten uitgezocht, die zich nog vijf jaar aan de wetenschap wijden — de philosophen — om daarna zich in de practijk van het leven te bekwamen. Eerst op z'n 50ste jaar kan men in den regentenstand worden opgenomen.
Deze Staat van Plato is een dwangstaat, waarin de vrijheid van de persoonlijkheid te niet gedaan is. Ieder moet zich schikken in het gareel, waarin de Staat hem spant. De Regenten-kaste, die van de philosophen, heeft alles te zeggen en regelt het leven der burgers tot in de kleinigheden toe. Alles wordt „bemaatregeld". Het is Staatsalmacht. De Staat is God !
De groote schaduwzijde van Plato's stelsel is — we noemden het reeds — naast het dwangsysteem, de uitschakeling van 't huisgezin, het prijsgeven van het familieleven, de opheffing van 't huwelijk. Daarbij kwam de algeheele nivelleerende gelijkstelling van man en vrouw. In heel het systeem komt uit, dat alles verwacht wordt van Vader-Staat en dan van de opvoeding en van de kennis. De wijzen zijn de beste menschen. Die het goed weet, is goed en handelt goed. „Kennis is deugd" — was de stelling van Plato, gelijk vroeger eigenlijk ook Socrates geleerd had, al heeft deze het niet zoo in een stelsel voor de samenleving uitgewerkt.
Wie Plato 's gedachten hoort, zijn ideaal-schets leest — denkt onwillekeurig aan onzen tegenwoordigen tijd en ziet eenerzijds naar Rusland en anderzijds naar Italië. Het Bolsjewisme en het Fascisme — twee heel verschillende stelsels, maar de Staat is God, de Staatsalmacht is alles, en tot zelfs in de geboorte en bij de opvoeding van de kinderen is de Staat num­mer één. De mensch is allereerst voor den Staat. Waarbij Rusland met de afschaffing van het huwelijk en de opheffing van het familieleven dezelfde practijken uitvoert als Plato in theorie kende en in schets gegeven heeft.
In een later werk, „De Wetten" geheeten (nomoi), bstaande uit 12 boeken, waaraan Plato nog bezig was te schrijven, toen de dood hem overviel, wordt weer eenigszins anders over een nieuwe Staatsinrichting gehandeld, waaruit blijkt dat Plato tot de ontdekking was gekomen dat het eerste ontwerp (in „De Staat" gegeven) niet voor realiseering vatbaar, was.

 (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's