SCHRIFTVERKLARING
ROMEINEN XI vers 1—10.
Ik zeg dan : heeft God zijn volk verstooten ? Dat zij verre ; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin. God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk Hij te voren gekend heeft.
Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia ? hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende : Heere ! zij hebben uwe profeten gedood en uwe altaren omgeworpen en zij zoeken mijne ziel. Maar wat zegt het goddelijk antwoord ? Ik heb mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben. Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade. En indien het door genade is, zoo is het niet uit de werken ; anderszins is de genade geen genade meer, en indien het uit de werken is, zoo is het geen genade meer ; anderszins is het werk geen werk meer.
Wat dan? Hetgeen Israël zoekt , heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden. Gelijk geschreven is : God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, ooren om niet te hooren, tot op den huldigen dag. En David zegt: hunne tafel worde hun.tot een strik en tot een val en tot een. vergelding voor hen. Dat hunne oogen verduisterd worden om niet te zien en verkrom hun rug allen tijd.
Reeds in Paulus' dagen moest het ieder treffen, dat er zoo vele heidenen werden toegebracht tot de Kerk van Christus. Over het geheel genomen waren echter de Joden hardnekkig in het verwerpen van Jezus. Men hoorde' Paulus' prediking met belangstelling aan, doch als het er aan toe kwam, dat hij hun ging spreken over den gekruisigden Christus, barstte de vijandschap los. Het scheen alsof het werk onder de Joden een ploegen op rotsen was. Een buitenstaander zou hébben gezegd, dat Jehova zijn volk zeker moest verworpen hebben.
Vandaar dat de apostel voor den dag komt met de vraag : Heeft God zijn volk verstooten ? om onmiddellijk zelf op die vraag een zoo kras mogelijke ontkenning te laten volgen : Dat zij verre, want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamins.
Door nu te wijzen op zichzelf, bewijst de apostel dat er geen sprake van is dat. de Heere~zijn volk in zijn geheel zou hebben verworpen. Ook uit dat zich verhardende Israël trok God zich de zijnen vanuit den nacht der zonde tot zijn wonderbaar licht.
Ook hem zelf was het eens hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Op den weg naar Damascus had de Heere ook aan hem zijn genade verheerlijkt; aan hem, die zich vanwege de vervolging van Gods gemeente, de voornaamste der zondaren moest noemen.
En daarom kan hij dan ook volmondig zeggen : God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk hij te voren uitverkoren had. Met een, bewijs uit Gods getuigenis, hetwelk ge vindt in 1 Kon. 19, zal Paulus het nog nader bewijzen.
In dat bekende hoofdstuk lezen we van Elia, O, wat was deze man Gods moedeloos. Hij, die boven op den Karmel niet vreesde voor honderden Baalspriesters, slaat op de vlucht als hij de koningin Izebel in woede ziet ontbranden. Hij vluchtte naar de woestijn, waar een engel hem deed óntwaken en hem voedde met hemelspijze, zoodat hij door de kracht daarvan veertig dagen en veertig nachten door de woestijn kon voorttrekken. Eindelijk doemde daar tegen het einde van genoemden tijd voor hem op de reuzengedaante van het Horebgebergte.
Na in een spelonk te hebben vernacht, ontmoet hem den volgenden dag de Heere, die hem toespreekt met dat vermanend, verontrustende woord : "Wat maakt gij hier, Elia ?
En dan stort Elia zijn hart uit voor den Heere om toch maar zijn vlucht te kunnen verontschuldigen : Heere, zij hebben uwe profeten gedood en uwe altaren omgeworpen en zij zoeken mijne ziel.
Ach, in zijne moedeloosheid meende hij, dat hij de eenige was die nog in Israël was overgebleven, die de knie voor Baal nog niet had gebogen.
En wat sprak toen het goddelijk antwoord ? Ik heb mij zelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor Baal nog niet gebogen hebben.
Er is een groot gevaar om den kring te wijd te trekken. Hoe zal een mensch een mensch rechtvaardigen, die door God niet gerechtvaardigd is.
Maar er dreigt ook gevaar om in zijne moedeloosheid den kring zóó eng te trekken, dat men waant .dat men behoort tot de enkelingen, die nog den Heere willen vreezen. Ik alleen, zegt Elia. En de Heere zegt. Neen, Elia, nog zeven duizend.
"Welnu, zoo was het ook in Paulus' dagen: Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade. Ook in zijne dagen had God zich een Israël uit Israël overgehouden. De groote massa van zijn volksgenooten moge den nek hebben verhard, een overblijfsel leerde in zelfverbreking den gekruisigden Christus als den eenigen Heiland van zondaren aanbidden.
En dit overblijfsel was een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Dus niet een verkiezing op grond van vooruitgezien geloof, of op grond van eenige andere deugd of plichtsvervulling. Neen, verkiezing der genade. "Vrije gunst was het, die den Heere in de stille eeuwigheid bewoog om ook uit Israels volk nog arme zonderen in zijnen gekruisigden Zoon te redden en te zaligen.
Met opzet wil hij dit in het 6de vers nog eens duidelijker toelichten: Indien het door genade is, zoo is het niet uit de werken ; anderszins is de genade geen genade meer, en indien het uit de werken is, zoo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer. De woorden van Paulus hebben haast geen verduidelijking noodig. De zaligheid is een geschenk van Boven, of de zaligheid wordt verdiend en is dan een vrucht van eigen akker.
Met de vraag : "Wat dan ? wil Paulus de conclusie trekken. Het antwoord op deze vraag hopen we een volgend maal te behandelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's