De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG VAN DE ZES-EN-TWINTIGSTE JAARVERGADERlNG OP DONDERDAG 15 OCTOBER 1931.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG VAN DE ZES-EN-TWINTIGSTE JAARVERGADERlNG OP DONDERDAG 15 OCTOBER 1931.

33 minuten leestijd

OCTOBER 1931. Onder begunstiging van mooi weer, — waardoor deze na-zomer zich wel bizonder Kenmerkt — zijn velen Donderdag 15 October j.i. opgegaan naar Utrecht om in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen de 26ste jaarvergadering van onzen Gereformeerden Bond by te wonen. Om half elf begon zich de zaal te vullen, maar het bleef zoó druk loopen met bezoekers, dat er niet op den aangekondigden tijd, zijnde half elf, kon worden begonnen. Kwart voor elf liet de voorzitter den hamer vallen, verzoent allen hun plaats in te nemen en toen was de zaal vol — terwijl er nog telkens meer bezoekers kwamen. Over de opkomst valt dan ook gelukkig niet te klagen. Integendeel.
Met kennisgeving afwezig waren de h.h. Duymaer van Twist en Kruysbergen.
De voorzitter, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, verzocht de vergadering te zingen Psalm 68 vers 9 : „Gods wagens boven 't luchtig zwerk, zijn tien-en tienmaal duizend sterk, verdubbeld in getalen" en „Gij voert ten hemel op, vol eer; de kerker werd Uw buit, o HEER!"
Na dit lied ter eere van den verhoogden Heiland werd gelezen Matth. 14 vers 14— 33, waar ons beschreven staat de uitdeeling van spijze door Jezus aan een groote schare en het overkomen over de wateren der zee naar het schip van de discipelen, die in grooten nood verkeerden. „Gij kleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld!"
Na Psalmgezang en Schriftlezing werd in den gebede Gods aangezicht gezocht, tot dankzegging en smeekbede.
Het Openingswoord van den voorzitter luidde aldus :
Geachte Vergadering, Broeders en Zusters, leden en vrienden van onzen Gereformeerden Bond.
Na onze buitengewone samenkomst, ter gedachtenis aan het 25-jarig bestaan van onzen Gereformeerden Bond gehouden, is nu onze gewone Jaarvergadering belegd, waarbij de tijdsomstandigheden echter ook deze samenkomst weer buitengewoon doen zijn. Wellicht ware er om die oorzake iets vóór te zeggen geweest om dezen Bondsdag dit jaar maar niet te houden. De geldelijke uitgaven, aan zoo'n dag noodzake­lijk verbonden door reis-en verblijfkosten, zouden daarbij een overweging hebben kunnen zijn. Wellicht dat het geld van dezen dag voor andere doeleinden beter had kunnen worden gebruikt. Waarbij misschien niet alleen onze Penningmeester, maar velen met hem, aan onze fondsen denken, met name het Studiefonds tot opleiding van onze aanstaande predikanten en het Evangelisatiefonds, dat hoe langer hoe meer van beteekenis wordt en dringend om onze liefdegaven vraagt.
Maar — het leven stelt nu eenmaal allerlei eischen, ook het Bondsleven, waaraan moeilijk te ontkomen is en zoo is dan deze 26ste Jaarvergadering uitgeschreven, waarnaar wij ons nu hebben opgemaakt, om saam te spreken over de dingen die ons allen na aan 't harte liggen, om saam te bidden voor ons werk, dat ons dag aan dag bezig houdt, om den band, die ons bindt, te versterken door de liefde — opdat we daardoor straks ons opgewekt mogen voelen, om met nieuwen lust en grooten ijver ons te geven aan den arbeid, door den Heere ons toevertrouwd, in het belang van de Hervormde Kerk, die wij allen liefhebben. Opdat zij meer en meer mag gaan vertoonen de merkteekenen van het lichaam van Christus en als de Kerk des Woords mag komen staan in het midden van ons volk, dat wij als goede Vaderlanders liefhebben en waarvoor wij zoo gaarne door Gods genade, vooral in deze bange tijden met zoo velerlei nood, tot een zegen zouden willen zijn. Kerk en Volk liggen ons na aan het harte ! De Hervormde Kerk en het Nederlandsche volk ! Het was voor ons ditmaal niet moeilijk een uitgangspunt te vinden voor ons openingswoord. Want weken geleden werden we zeer sterk bepaald bij de geschiedenis van het brandende braambosch. Dat stuk van de heilshistorie liet ons niet los. En gaarne willen wij er hier iets van zeggen.
Natuurlijk kunnen we er niet aan denken om héél die geschiedenis met elkander te overdenken. Maar in deze tijden, nu heel de wereld als in brand staat, wilden we gaarne een paar gedachten naar voren brengen, die onwillekeurig bij ons opkomen, als we deze geschiedenis van 't brandende braambosch voor ons nemen.
Toen Israël in het diensthuis in Egypte was, begon men te bidden (Ex. 2 vers 23). Door den nood gedreven, liep men met smeekingen aan op den troon van Gods genade. En toen gebeurden er twee dingen. Farao, de geweldhebber dezer wereld, verzwaarde de lasten, drukte het juk méér nog aan op den hals van het volk en beraamde middelen om het volk uit te roeien en te verdelgen van dezen aardbodem. Er werd gebeden, en de moeiten vermeerderden. Er werd geroepen tot God, en de nood steeg hooger, de ellende nam toe.
Dat is één kant van de zaak, van 's menschen zijde bezien.
Maar er is óók een andere kant. En dat is dit : de Heere gaf acht op het gebed Zijns volks en wendde de ooren tot hun roepen. De Heere leefde mee met Zijn volk en trok Zich hun zaak aan. (Ex. 2 vs. 25).
Dat zien we niet, als we , acht geven op het woelen en werken van de menschen, op het verdrukken en uitmoorden van het volk. Dan zien we des menschen raadslagen vol geweld en haat. En die Abrahams kinderen waren, sterven weg in menigte.
Maar dat de Heere het geroep Zijns volks hoort en meeleeft met Zijn volk en Zijn volk niet verlaat en de zaak van Zijn volk niet verloren doet gaan, blijkt bij het brandende braambosch (Ex. 3 vers 9). Daar verschijnt de Heere blinkend. (Ex. 3 vs. 2). En als Hij afdaalt uit den hemel om Zich met majesteit op aarde te vertoonen, dan is het om te zeggen : Ik ben Jehova, de onveranderlijke Bonds-God, die weet wat Ik beloofd heb en die doen zal wat Ik heb toegezegd. En die Bonds-God, die de God is van heel de wereld, maar zoo bizonder de God wil zijn van Zijn Israël, het volk dat Hij Zich in een verbond heeft toegeëigend, de grooten en de kleinen saam — die Bonds-God Jehova komt dan een verlosser zoeken en toebereiden in Mozes, die het volk uit de hand van den tyran zal verlossen en het volk zal leiden naar het beloofde land Kanaan.
In het brandend braambosch lezen we in vlammend schrift den naam van Jehova, Israels Bonds-God, Ik zal zijn die Ik zijn zal. (Ex. 3 vers 6). Het is de naam van Hem, die niet vergeten heeft wat Hij aan Abraham heeft beloofd en het hu aan de kinderen Jacobs komt bevestigen. Het is de naam van Hem, die de machtigen der aarde laat werken, die Zijn Kerk verdrukking zendt, maar die trouwe houdt tot in eeuwigheid en op Zijn tijd toont dat de machtigen der aarde Hem niet kunnen wegwerken ; dat Zijn Kerk niet te vergeefs op Hem betrouwt, al wordt nergens uitkomst gezien.
Plotseling, onverwacht daalt de Heere neder en verschijnt blinkende. En dan zal het met de vijanden en met hun geweld uit zijn en het volk, dat God, om Zijns Naams wille, te hulp komt, zal uit het diensthuis worden uitgeleid.
Dat is een stukje geschiedenis van Oud-Israël in vèr verleden tijd.
Wij hebben nu den Verbonds-Middelaar Jezus Christus, Die in den hemel zit aan des Vaders rechterhand, en Die naar den hemel gegaan is, om dichter bij ons te kunnen zijn. Zijn verhooging is om nu aan al de plaatsen Zijner heerschappij Zijn bijstand te kunnen toonen. En ziende op het brandende braambosch, hooren we de stem van den Heiland : „Ik ben met ulieden - vreest niet".
Die heerlijke waarheid en goddelijke werkelijkheid kan door de wereldcrisis, kan door de ellende der Kerk niet worden weggenomen. En Hij zal het bevestigen, ook aan de Farao's van Egypte, dat Hij regeert en degenen, die Hem aanroepen in den nood zullen ervaren, dat Hij meeleeft met Zijn volk en komt op Zijn tijd. Hij zal de Zijnen geen weezen laten !
Wonderlijk, dat de Heiland vóór Zijn heengaan van deze aarde méér dan eens gezegd heeft: „Uw harte worde niet ontroerd". Dat heeft Hij gezegd, omdat Hij wist dat er dikwijls oorzaak van bange vrees komen zou, — maar Hij zou dan voor Zijn volk zorgen ! „Uw harte worde niet ontroerd. Mijn volk : Ik ben bij u. Ik zal u niet begeven noch verlaten. Al is het, dat alles u ontzinkt, gelooft in Mij, want Ik ben er óók nog ; Ik zal u helpen !" • „Uw hart worde niet ontroerd !" — dat zegt Hij, Die deze woorden gesproken' heeft: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zal ophouden".
De Heiland is naar den hemel gegaan, om daar voor de Zijnen te zorgen. En dat mag ons doen spreken van troost ook in het bangste gevaar.
Het is opmerkelijk, dat er zoo dikwijls Psalmen gezongen kunnen worden in den nacht; , omdat het geloovige hart weet en vertrouwt, dat de Heere leeft en meeleeft met Zijn volk, zijnde de God des eeds en des verbonds, die trouwe houdt tot in eeuwigheid en nooit laat varen de werken Zijner handen.
Dat deed Bilderdijk het lied des geloofs zingen, toen de nacht op 't donkerst was ; toen Napoleons ster op het schoonst blonk aan den staatkundigen hemel, toen niemand kon vermoeden dat er ooit redding zou komen. Toen kwam de Geest des Heeren over hem en zong hij als een profeet Gods zijn geloofslied :
Ja, ze zullen Zich vervullen Deze tijden van geluk ! Deez' ellenden Gaan volenden En verpletterd wordt het juk.
Holland leeft weer, Holland streeft weer Met zijn afgelegde vlag, Door de boorden Van het Noorden Naar den ongeboren dag .
Holland groeit weer ! Holland bloeit weer ! Hollands naam is weer hersteld ! Holland, uit zijn stof verrezen, Zal opnieuw ons Holland wezen ; Stervend heb ik 't u gemeld.
Die profetie is vervuld tegen aller verwachting in. En laten de tijden en de omstandigheden gansch anders zijn, de God des eeds en des verbonds is niet veranderd.
En met ons oog op het brandende braambosch geslagen, waar Jehova, de God van Abraham, Izaak en Jacob, blinkend verschijnt ter hulpe, zeggen we in Nieuw-Testamentische taal : Jezus Christus, de Verbonds-Middelaar, is bekleed met alle macht in hemel en op aarde ; en Die heeft gezegd : „Uw harte worde niet ontroerd, gelooft in God, gelooft ook in Mij".
Dat heeft Luther, den geloofsheld, doen zingen :
Houdt Christus Zijne Kerk in stand, Zoo mag de hel vrij woeden ; Gezeten aan Gods rechterhand.
Zal Hij haar wel behoeden.
We willen in de tweede plaats nóg iets opmerken. Jehova heeft in Mozes, een onwaardig, onbekwaam man, een verlosser gezocht en gevonden, om Israël te bevrijden. Dat heeft God gedaan. En als Mozes het middel is, is God de alleswerkende en allesvervullende God. 't Gaat dan ook om God, Die Zich van zwakke, onwaardige middelen bedienen wil en heerlijke wonderen werkt.
Daarom zegt de Psalmist: „De, Heere regeert, de aarde verheuge zich !" Als God niet regeerde, dan zou er geen plaats zijn voor verheugenis. Maar nu mogen we weten dat de Heere met alle macht bekleed is en het laatste woord zal hebben. Zijn raad zal bestaan.
Maar dan doet Hij het ook langs Zijne wegen. En dat zijn gewoonlijk omwegen en wegen van veel moeiten en teleurstellingen, waarbij het heilig bedoelen Gods Is, dat ons geloofsvertrouwen zal worden beproefd, onze liefde zal worden geoefend en onze ijver zal worden gestaald.
De Heere neemt niet de kortste wegen, maar de beste wegen, die brengen tot het doel, dat Hij Zich voor oogen heeft gesteld.
En Hij wordt op 't hoogst verheerlijkt, indien Hij van harte wordt vertrouwd en indien wij Hem gewillig volgen en ons geheel aan Hem overgeven. De Drieëenige Verbonds-God weet beter wat goed voor ons is dan wij het weten.
De God, die in het brandend braambosch blinkend verschijnt in heerlijkheid, die van den hemel nederdaalt om hier op aarde Zijn glorie te toonen en Zijn volk hulpe en verlossing te brengen, is dus de God van de omwegen, van de lange wegen, van de beproevingswegen, opdat ons geloof beproefd, onze liefde geheiligd zal worden en opdat wij meer en meer onszelf zullen verliezen en op Hem hopen, wetende, dat Hij het goede met ons voor heeft. Langs den heiligen weg van geloof en liefde zullen wij ons doel bereiken, al kiest God niet zelden lange, moeilijke omwegen. Waarbij Hij heerlijk Zijn wonderen werkt en Zijn grootheid toont.
Een derde opmerken is dit:
Door ongeloof en twisting is door Israël veel verdorven op den weg, dien de Heere met hen gaan wilde. Door jalouzie en naijver hebben de stammen Israels veel verdorven op den weg, dien de Heere met hen hield. En door eigen ongeloof en onverstand is het werk moeilijker en de weg langer geworden, hoewel de Heere met Zijn wolk-en vuurkolom niet week. Daarom is de bede van den Nieuw-Testamentischen Hoogepriester, Jezus Christus, vóór Zijn heengaan van deze aarde ook geweest : „Uw harte worde niet ontroerd" — maar óók : „Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt ; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander" (Joh. 13 vers 34, 35).
Wij hebben 't noodig, dat ons geloof gesterkt wordt. Dat ons harte mag weten, dat de verhoogde Verbonds-Middelaar, Jezus Christus, Zijn Kerk niet vergeet noch verlaat. We moeten er aan herinnerd worden dat 's Heeren wegen dikwijls lange en moeilijke omwegen zijn. Opdat ons harte dan maar gewillig en bereid mag worden gemaakt om met liefde bezig te zijn in den arbeid, ons van Godswege toebetrouwd. En opdat we elkander trouw zullen helpen en bijstaan, juist als de tijden bang zijn.
Broeders en Zusters. Kerk en Volk worde ons meer en meer op de ziele gebonden.
En ook onze Gereformeerde Bond diene tot verheerlijking van Gods Naam, door gewillig te doen wat strekken kan tot zegen voor de Gemeente des Heeren in dezen lande, met name tot wederoprichting van de Kerk onzer Vaderen en tot zegen voor land en volk, dat zulke moeilijke tijden nu moet doormaken.
Lezen we van den Heiland, dat Hij er behoefte aan had om op den berg alleen te zijn, om te bidden, (Matth. 14 vers 23), dat ook wij maar veel behoefte mogen hebben om veel te bidden, dan kunnen we ook samen optrekken en strijden. Dan zal de vijand het niet kunnen uithouden. (Ex. 17 vers 11).
Geve de Heere ons vandaag kennelijk Zijn lieflijke nabijheid te ervaren en wone Hij in ons midden met dien Geest, dien de Heiland genoemd heeft de Trooster; met den Heiligen Geest, waarom Hij gebeden heeft, opdat die Geest ons zou mogen leiden in alle waarheid. Dan zal 't ons goed zijn aan deze plaats en ook straks bij onzen verderen arbeid.
Ik heb gezegd.
Na deze toespraak te hebben gehouden, gaf de voorzitter het woord aan ds. Timmer, van Ermelo, die zich bereid had verklaard om een referaat te houden over „Rechtvaardigmaking".

Referaat ds. J. J. TIMMER.
Spreker meent, dat het leerstuk der rechtvaardigmaking nog steeds een van de meest actueele onderwerpen mag genoemd worden, niettegenstaande allerlei critische vraagstukken.
Spreker gaf eerst een definitie van rechtvaardigmaking. Het is die rechterlijke daad Gods, waardoor Hij den mensch vrijspreekt van alle schuld en straf der zonde en hem het recht geeft op het eeuwige leven. Ze is een forensische daad en niet een ethische handeling, wat spreker bewees aan de hand van verscheidene teksten uit het Oude en uit het Nieuwe Testament.
In de tweede plaats stond spreker stil bij de nuanceeringen in de opvattingen van Luthersche tegenover Gereformeerde theologen. Bij Luther weinig verschil tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. Het rechtvaardig verklaren en het rechtvaardig maken vallen eigenlijk bij Luther samen' onder het eene begrip van rechtvaardigmaking. Dit staat echter bij Luther onomstootelijk vast, dat bij de rechtvaardiging van den zondaar geen enkele verdienste des menschen ook maar eenig gewicht in de schaal kan leggen. Calvijn bezag alles meer vanuit het cor ecclesiae, de praedestinatie. Hij legt eigenlijk meer den nadruk op de objectieve schenking, dan op de subjectieve toeëigening door het geloof. Bij Calvijn een scherpe onderscheiding tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Luthersche theologen van de 17e eeuw gaven meest allen de praedestinatie prijs. Ze vallen allen min of meer in nomistische dwalingen,
Schleiermacher vatte de rechtvaardigmaking op als een keerzijde van de bekeering. Het werd bij hem eigenlijk meer religleuse ervaring, een wegname van 't schuldgevoel dan een oordeel Gods, waardoor de zondaar vrijgesproken wordt.
De ontwikkeling van de Gereformeerde theologie brengt ons voorts in aanraking met datgene wat men in de dogmatiek gewoon is te noemen : de rechtvaardigmaking van eeuwigheid. Deze term kwam bij de reformatoren nog niet voor. Wanneer men eenzijdig den nadruk legt op de eeuwige verkiezing, komt men van zelf tot rechtvaardigmaking van eeuwigheid. Legt men meer verband tusschen rechtvaardigmaking en geloof, zoo komt het zwaartepunt meer bij de heiligmaking te liggen. Door de onderscheiding van Justificatie activa en passiva hebben de meeste Gereformeerde theologen getracht om de beide uitersten te vermijden. Spreker wees op 't standpunt van Comrie en Holtius, en stond wat uitvoeriger stil bij het standpunt, hetwelk door dr. A. Kuyper werd ingenomen. Tenslotte bepaalde hij zijn gehoor bij de plaats, die het geloof inneemt in het stuk der rechtvaardigmaking.
Toen de spreker geëindigd was, waren er tal van aanwezigen, die met den referent nog eens van gedachten wilden wisselen.
Ds. C. DE BRUIN van Woudrichem had liever een andere definitie van rechtvaardigmaking gewild.
De referent wees er hem echter op, dat een andere definitie, zooals door hem werd begeerd, niet meer naar onze belijdenis was Ds. G. VAN DER ZEE en ds. SCHROTEN en ds. DE BRUIN wisselden met den referent van gedachte over de plaats, die het geloof in het stuk ter rechtvaardigmaking innam.
Op het voetspoor van Comrie hield referent er echter krampachtig aan vast om de rechtvaardigmaking aan het geloof te laten voorafgaan. Spreker prees de onderscheiding in actieve-en passieve rechtvaardigmaking aan, om de eenzijdigheden naar de eene zoowel als naar de andere zijde te ontkomen.
Door ds. LANS en student HOVIUS werden voorts eenige vragen gesteld, die door spreker werden beantwoord.
De heer JANSEN van Zeist, had liever de zaak wat meer van den binnenkant bezien. Spreker wees er hem op, dat een referaat geen toepasselijke leerrede was maar betuigde hiermee zijn instemming, dat het tenslotte op de persoonlijke beleving aankomt.
De VOORZITTER bracht aan ds. Timmer zijn hartelijken dank voor de wijze, waarop hij dit onderwerp In de vergadering behandeld had.
Nadat men samen Psalm 32 vers 1 had gezongen, ging ds. Timmer voor in dankgebed.
Daarna werd gepauzeerd tot twee uur. Zoowel de morgen-als de middagvergadering waren druk bezocht.

De middagvergadering werd door den VOORZITTER om twee uur geopend. Na Psalm 89 vers 7 te hebben gezongen, ging ds. Batelaan voor in gebed.
Alvorens de stembiljetten werden uitgereikt, gaf de voorzitter eenige inlichtingen over den gang der stemming.
Aan den SECRETARIS werd gelegenheid gegeven om zijn verslag uit te brengen. Hij sprak als volgt:
Verslag van den Secretaris ds. J. J. TIMMER.
Op mij als Secretaris rust de plicht om u een verslag te geven over de werkzaamheden van het jaar 1929—1930.
Deze taak is voor mij allesbehalve gemakkelijk. Juli j.l, nam ik het secretariaat over uit de handen van ds. Batelaan, die deze functie tijdelijk waarnam. De administratie van het Studiefonds is zoo omvattend, dat een bestuurslid reeds daaraan genoeg heeft. Niet, omdat uwe nieuwe Secretaris zooveel tijd heeft en ook niet omdat hij happig is op nog meer „baantjes", nam hij het secretariaat op zich, maar omdat de nood er toe drong. Nog steeds is de plaats, die wijlen ds. M. Jongebreur innam, vacant. Ds. Van der Snoek was ernstig ongesteld. Noode moest hij zijn penningmeesterschap neerleggen. Er bleef voor ds. Goslinga en mij niets anders over dan om de opengevallene functies van Penningmeester én Secretaris op ons te nemen.
We hopen dat dezen middag in de vacatures zal worden voorzien, want we hebben groot gebrek aan nieuwe krachten in het Hoofdbestuur.
Van een Secretaris, die als zoodanig nog maar enkele maariden van het nieuwe vereenigingsjaar zitting heeft, zult gij niet verwachten dat hij over een vorig jaar een volledig verslag zal kunnen geven.
Myn verslag moet loopen over het tijdperk van 1 December 1929—30 November 1930. Als men nu bedenkt, wat we over enkele weken 30 Nov. 1931 hebben, wordt het duidelijk dat we haast een jaar ten achter zijn. De reden van dezen achterstand is u natuurlijk duidelijk. De vergadering ter herdenking van het 25-jarig bestaan van onzen Gereformeerden Bond was daar de schuld van.
Op vele vergaderingen in het genoemde tijdvak werd gesproken over het 25-jarig jubileum, voorjaar 1931. Helaas, een jubileum mocht het niet wezen ! Het plotselinge sterven van ds. Jongebreur stelde ons voor de vraag of we zelfs wel zouden herdenken, laat staan feestelijk herdenken. Het Hoofdbestuur meende tenslotte toch den datum van het 25-jarig bestaan van onzen Bond niet zonder herdenking te mogen laten voorbij gaan, ondanks dit droevig sterfgeval.
Ja, het sterven van ds. Jongebreur, die zooveel heeft gedaan voor den Bond, zal een van de meest vermeldenswaardige feiten blijven in het vereenigingsjaar 1929— 1930. De overgeblevenen moesten voortwerken.
Er is door het Hoofdbestuur .elf maal in Utrecht vergaderd. Daarbij komen dan nog de vergaderingen van de Studie-en Evangelisatiecommissie vanwege den Gereformeerden Bond.
Er is schier geen enkele vergadering gehouden of er is gesproken over de vraag, hoe we zullen komen tot de oprichting van een Hervormde Kweekschool op Gereformeerden grondslag. Er is vergaderd met vereenigingen in Baarn en Hilversum, die hetzelfde doel beoogen.
Hoe urgent dit vraagstuk ook is, tot verwezenlijking van de plannen kwam het zelfs nu nog niet. Het kwam steeds weer neer op de vraag hoe we in deze tijden van druk ± ƒ30.000.— bij elkaar kunnen brengen, .om enkele jaren op eigen wieken te drijven, zoolang de Regeering onze Kweekschool, nog niet zou steunen met subsidie. Het Hoofdbestuur zag hier geen kans toe. Deze zaak blijft een punt van de agenda, waarop 't Hoofdbestuur zijn aandacht telkens weer richt om ter gelegener tijd over te kunnen gaan tot handelen.
Prof. dr. H. Visscher gaf ook dit jaar weer zijne colleges vanwege het Leerstoelfonds van den Gereform. Bond. Schenke God hem Verder wijsheid en kracht om het werk voort te zetten tot heil van onze Kerk. Het Studiefonds neemt altijd een groot deel van den tijd van vergaderen in beslag. De vragen met hoeveel iemand gesteund moet worden, of wie wel en wie niet voor steun in aanmerking moeten komen, zijn niet maar ineens op te lossen. Daarbij komt, dat we met een dalenden muntmeter hebben te doen vanwege den druk der tijden. We zullen echter straks van den Penningmeester wel hooren, dat het nochtans wél gegaan is boven bidden en denken.
Over de verwisseling van de bestuursfuncties heb ik boven in ander verband reeds een en ander gezegd. We nemen deze gelegenheid waar om ds. Van der Snoek nog hartelijk te danken voor het moeilijke werk van Penningmeester, ook door hem verricht, en ds. B. Batelaan voor de waarneming van het secretariaat.
De Jaarvergadering werd gehouden op 9 April 1930 in „Terminus" te Utrecht. Prof. dr. J. Severijn hield een referaat over : „Kerk en Staat".
We werden voorts op onze vergaderingen bezig gehouden met allerlei financieele vraagstukken, voortvloeiend uit het beheer van het kapitaal onzer beide fondsen.
Ook het evangelisatiewerk in moderne gemeenten kwam telkens ter sprake. Wel komen van alle kanten raadgevingen (zelfs voorstellen wil men er van maken), om in elke provincie een Evangelisatie-Commissie te benoemen. Ik zie er helaas het nut niet van in. Er is nu eenmaal ééne Commissie voor het gansche land. Meer Commissies zijn niet noodig. Wat er wél noodig is : veel gebed, maar dan ook meer geld. De Evangelisatie-Commissie werd vaak stiefmoederlijk bedeeld.
We danken nochtans vele gevers voor groote en kleine gaven.
In dit vereenigingsjaar werden vele spreekbeurten vervuld. Door wie en waar dit is gedaan, zou ik niet kunnen zeggen, aangezien de regeling daarvan toen in andere handen was.
Nieuwe afdeelingen werden niet gesticht. Wel dit jaar te Alkmaar.
Door middel van „De Waarheidsvriend" en door velerlei spreekbeurten, door woord en geschrift, is weer gepoogd om de Waarheid naar de Schriften te verbreiden en te verdedigen.
Als wij zien op onzen arbeid, dan zullen we moeten uitroepen : Wat was die gebrekkig en met veel zonde bevlekt.
Het werk wordt steeds moeilijker. Het brokkelt af aan alle zijden. De aanvallen worden hoe langer hoe scherper van den kant der wereld. Wij mogen wel op onze hoede zijn voor verdoezeling en vervlakking der heilige beginselen van Gods Woord en onze belijdenis.
Doe de Heere ons voortgaan om te werken met troffel en zwaard.
Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen heiligen arm zal het geschieden, spreekt de Heere.
Nadat de Secretaris zijn jaarverslag had uitgebracht, kreeg de Penningmeester het woord.
Verslag van den Penningmeester over het afgeloopen boekjaar.
Wat kan er veel gebeuren in een jaar. Wat is er veel gebeurd in dezen laatsten jaarkring in werkelijkheid:
Toen op dé vorige Jaarvergadering verslag werd gedaan door den Penningmeester, stond hier op deze plaats de krachtige figuur van collega Jongebreur.
Al was het opschrift van zijn pas gebouwde woning ook henenwijzende in de richting van een gestaag verreizen en vertrekken, al spraken deze woorden nog zoo duidelijk : „deze woning zal moeten worden verlaten", toch dacht niemand op die vergadering dat dit zoo heel spoedig, zoo onmiddellijk zou gebeuren. God lichtte hem zóó uit zijn werk.
Opeens stonden wij voor de taak om zijne plaats door een ander te doen vervullen. Ds. Jongebreur's plaatselijke collega en vriend nam de niet gemakkelijke taak over. Was het voor ds. Jongebreur al een heele toer geweest eenigszins het gemis van onzen onvergetelijken Fliehe te vergoeden en den wagen van onzen Bond in de rechte banen te houden, ds. Van der Snoek zag zich niet minder geplaatst voor een berg van moeilijkheden. Waren de vereischte gaven en talenten enkel geweest toewijding, nauwkeurige ijver, geheel zich willen geven, de wagen van den Bond zou niet zoo ras weer tot staan zijn gebracht. Weer geheel op het meest onverwachte moment ontviel aan den wakkeren Penningmeester weer de rekenstift.
Wij mogen wel opmerken: Gods hand was zwaar op ons.
Kan van niemand worden gezegd : „deze kan niet worden gemist", toch is een voortdurende wisseling in het beheer van zaken zeker niet gewenscht.
Wat ging tot nu alles voorspoedig. Hoe vloeiden ons de gelden toe. Wat was daar een winnen van vertrouwen bij onze menschen. Wat werd alles hoe langer hoe meer aangevoeld als een zaak des Heeren, waartoe Hij den Bond gebruiken wilde. Hoeveel klippen waren niet omzeild. Eerst moest den volke worden duidelijk gemaakt, het volk, dat schichtig was voor het woord „vrijmaking" — „wij willen geen doleantie. Die vrees is ongewettigd. Daarom behoeft ge niet op een afstand te blijven staan. Neen, ge kunt gerust uwe plaats innemen in onze gelederen".
Toen dit uit den weg was geruimd, dreigde er weer een nieuw obstakel, in den vorm van den „Modus Vivendi".
Wierp dit niet minder stofwolken op, ook deze zaak is men zonder al te groote schade voorbij gekomen. Natuurlijk blijft er altijd een rij van wenschen onvervuld en zijn er immer nieuwe zorgen, die drukken. Toch mag van geen kleine gunst van Boven worden getuigd. Wonderlijk heeft de Heere ons, in onderscheiding van haast allen, van Zijne trouwe hulp de meest talrijke bewijzen verleend. Wij kenden schier niets dan vooruitgang.
Zie, daarom valt te meer de telkenmale onderbreking van het Penningmeesterschap op.
Wat zou de Heere ons nu daarmee te zeggen hebben ?
Zou het niet zijn : „Staar u niet blind op het stoffelijke". „Verwacht het nimmer van de gaven van menschen". „Blijf uw hope vestigen op Mij". „Zie, de beste krach­ ten brengen nog niet den minsten vooruitgang aan het werk, als Ik het niet zegen. Ik heb niemand noodig. Ik roep de dingen die niet zijn alsof zij waren. Ik kan aan de kleinste krachten het meeste succes verbinden. Ik heb het altijd zóó gedaan, en Ik doe het nog".
Deze sprake gaat er onmiskenbaar van uit.
Op deze wereld is niemand onmisbaar van de menschenkinderen, zie hier de eerste les. En de tweede is deze : de allerkleinste krachten kan Ik gebruiken, zegt de Heere, en deze tot den rijksten zegen stellen.
Zie, dat is dan ook wat mij vrijmoedigheid heeft gegeven om het Penningmeesterschap te aanvaarden. Niet, dat het mij aan arbeid mangelde, integendeel, doch in de gegeven omstandigheden durfde ik niet aan de zij van den weg te gaan staan. Ik heb me gegeven en ik hoop van den Heere de krachten te ontvangen om dezen arbeid te verrichten, tot heil van de Kerk van Christus, tot meerdere samenbinding van het Gereformeerde volk in dezen lande, om zoo mogelijk het Woord der prediking van Gods genade in Christus op menigen kansel te brengen, waar deze tot nu öf geheel óf ten deele ontbrak.
't Is al weer enkele maanden geleden, dat wij de eerste aankondiging deden van het aanvaarden van dezen zeker niet onbelangrijken post van verzorger der gelden van onzen Bond.
Ik geloof niet op de minste tegenspraak uwerzijds te stuiten, wanneer wij dit zeggen : „geen moeilijker moment kon schier worden geboren".
In de historie aller eeuwen laat zich noode — ik zou zelfs niet weten waar — zulk een verwrongen wereldbeeld aanschouwen als dat van onze dagen. Heel de wereld over kan hetzelfde worden geconstateerd : over alle terreinen heerscht de meest schrikwekkende verwarring. Alle vastigheid wankelt. Niet het minst scherp wordt dit gedemonstreerd in de financieele wereld. Geen enkel fonds, geen aandeel in welke zaak ook, vindt een volkomen verdediger. Alle man, van wien gold tot nu, dat zij iets wisten, weten het thans niet meer. Acht dus onze taak niet gering.
Laat ons niet staan alleen. Zoekt met ons naar middelen en wegen om, waar de oorzaak der ellende schuilt in het afglijden en het wegvluchten van het eenig fundament van Gods Woord, ons volk weer terug te leiden op de rechte banen.
Wij zien ons geplaatst voor een moeilijke taak, maar met een heerlijke doelstelling. Het gaat om de eère Gods en om het heil van zondaren.
Laat uw hand niet te spoedig zinken. Blijft niet uw blik hechten aan dingen, waarvan ge zegt: „als ik dit maar vast heb". Houdt het geheel in het oog. Er moeten predikers gevormd worden, die het Evangelie van Gods genade in al zijn rijkdom verkondigen, tienmaal meer dan tot nu geschiedt. Wij zijn nog bij lange na niet waartoe het ideaal ons wenkt.
In dezen kan veel worden geleerd van wat buiten ons en tegenover ons staat. Wellicht is het u zelfs niet in de verste verte duidelijk, welke pogingen, welke geweldige pogingen er door de ons vijandig gezinde machten in het werk worden gesteld. Van den Ned. Protestantenbond ligt een verslag voor me, dat melding maakt van een bezit aan goederen, waaruit hun organisaties en hun studeerende jongelingschap wordt gevoed en onderhouden; een bezit van meer dan drie en een halve ton. Tientallen studeerenden worden hier gekweekt. Tientallen worden straks weer uitgezonden. Met de Ethischen is het weinig anders. Denkt eens aan de organisatie van Doetinchem. Waarlijk, het gaat niet om hier en daar een Evangelisatie en daar een groepje in het leven te houden, maar het gaat ons om den grooten greep.
Zal er straks, in den ordelijken weg, gevraagd mogen wórden naar een leven, ook op kerkelijk terrein, aan de hand van het Woord des Heeren, naar de belijdenis der Vaderen, zoo dient met alle macht en kracht in deze richting te worden gewerkt. Onze fondsen hebben het noodiger dan één ding, om het belang van den arbeid, aan onze zorgen toevertrouwd. Het gaat om de zaak des Heeren, om het eeuwig heil van zondaren.
Nu is het niet onmogelijk, dat bij meer dan één de gedachte opkwam : van een jaarverslag hoorde ik nog niet veel; wat ik beluisterde waren niet dan algemeene beschouwingen.
Gè hebt gelijk.
Ik zal u zeggen hoe dit zit.
Een geregeld jaarverslag, zooals tot nu door den Penningmeester werd gegeven, kan ik u moeilijk voorleggen. Ik verkeer n.l. in een uitzonderingspositie. Ik zie mij voorgelegd een verslag waaronder de handteekening staat van mijn voorganger. Het jaarverslag dat wij hebben uit te brengen loopt van 1 December 1929 tot 30 Nov. 1930. Het eerste deel is nog verzorgd door wijlen ds. Jongebreur. Wij gedenken zijn arbeid in deze momenten met grooten weemoed. Het laatste staat nog op naam van ds. Van der Snoek, wiens ijver en toewijding door ons ten zeerste wordt gewaardeerd. Ds. Van der Snoek heeft de stukken, welke thans op tafel liggen, met zorg geschikt. Ge begrijpt, dat ik met groote omzichtigheid deze behandel.
Wel wil ik een enkele aanwijzing geven in de richting uwer wenschen.
Onze vriend Fliehe is ons hierin voorgegaan door als hoofden te noemen :
Ie. de Gereformeerde Bond ; 2e. de Waarheidsvriend ; 3e. het Leerstoelfonds ; 4e. het Studiefonds.
De verschillende loketjes zijn een nauwkeurige bezichtiging waard. Laat het ons in enkele woorden samenvatten. De Bondskas hield over ; de Waarheidsvriend eveneens ; het Leerstoelfonds stond hierbij niet ten achter doch het Studiefonds bleek meer gevraagd te hebben dan inkwam. Het geheel geeft ons stof om Gode te danken.
Daarom willen wij besluiten met dit woord : God de Heere heeft het wonderlijk wèl gemaakt; Hij make het verder wèl. Binde Hij door Zijn Geest en Woord meer en meer tezaam, wat tezamen hoort, opdat wij eensgeestes optrekken met één doel voor oogen : werkzaam te zijn voor de eere Zijns Naams. Ik heb gezegd.
Utrecht. Ds. J. GOSLINGA.

Dat verslag sloeg in. Ik twijfel niet of alle aanwezigen hebben ingestemd met he t woord van den voorzitter, dat we in ds. Goslinga een uitnemenden Penningmeester hebben gevonden.
De voorzitter nam de gelegenheid waar om nog eens aan onze vorige penningmeesters te gedenken : Fliehe, Jongebreur, Van der Snoek. Aan dezen laatste betuigde hij zijn hartelijken dank voor alles wat hij als Secretaris en Penningmeester gedaan had. Hoewel het hem zeer speet, dat ds. Van der Snoek meende te moeten bedanken na zijn ernstige ongesteldheid, verblijdde het hem dat hij toch weer zijn volle ambtswerk te Veenendaal kan verrichten.
De heer LANGEVELD van Vianen vroeg den Penningmeester of de predikanten de spreekbeurten niet gratis konden vervullen en of de predikanten, die uit het Studiefonds steun ontvangen hadden, ook wel geregeld gelden restitueerden.
Op buitengewoon gelukkige wijze werden deze vragen onder gespannen aandacht der vergadering door ds. Goslinga beantwoord. Ook hij was van oordeel, dat er, al was het maar gedeeltelijk, diende gerestitueerd te worden.
Ds. BARTLEMA van Zeist vroeg of prof. Visscher ook weer dit jaar colleges zou geven vanwege den Bond.
Ds. GOSLINGA antwoordde, dat in elk geval Vrijdag 16 October de colleges weer zouden worden hervat, doch dat het van beide partijen zou afhangen of deze colleges zullen worden voortgezet.
De heer VAN DE WESTERING vroeg of het Hoofdbestuur in deze onzekere tijden ook nog geld op banken heeft belegd.
De Penningmeester antwoordde leuk, dat bij wel geld van banken leende, maar het er niet op bracht.
Een accountant zal verslag uitbrengen van onze financiën.
Inmiddels was het stembureau klaar.
Uitgebracht werden 363 stemmen. Ds. Van Grieken 300 stemmen; De heer Kruysbergen 316 stemmen ; Ds. Remme 295 stemmen ; Ds. Woelderink 311 stemmen.
Voorts verspreide stemmen op ds. Van Hof, A. van Loo, ds. Koolhaas, ds. Van Nie, prof. dr. Visscher, prof. dr. Severijn, ds. Kievit, ds. Bartlema, ds. Alers en ds. Van Dorp.
Met overgroote meerderheid werden dus gekozen : ds. Van Grieken, die zijn dank betuigde voor het in hem gestelde vertrouwen en de benoeming weder aannam ; ds . Remme, ds. Woelderink en de heer Kruysbergen, aan wie van hunne benoeming of herbenoeming is kennis gegeven.
De VOORZITTER betuigde zijn blijdschap met het feit, dat ds, Remme en ds. Woelderink tot de vacatues gekozen zijn.
Voorts bracht ds. LANS van Huizen verslag uit van de werkzaamheden van de Evangelisatie-Commissie vanwege den Gereformeerden Bond. De inkomsten waren helaas verminderd en de uitgaven stegen. Hij hoopt, dat elke gemeente toch wat zal doen.
Ds. TIMMER, voorzitter van de Evangelisatie-Commissie, deelt mede, dat er vanuit Ermelo namens de commissie 500 circulaires zijn verzonden met het verzoek om steun voor dit groote werk.
Ds. ENKELAAR adviseert om toch alle beschikbare gelden voor evangelisaties in de eerste plaats te bestemmen voor de evangelisaties van den Gereform. Bond. Ds. VAN GRIEKEN dankt ds. Lans voor zijn breed verslag en voor al het werk 't geen door hem en de andere leden der commissie gedaan is.
Daarna neemt ds. VAN GRIEKEN officieel afscheid van de Herdenkingscommissie. Alle leden waren aanwezig, behalve de voorzitter, ds. Wolthers. Door de commissie is ƒ 33.435.24 samengebracht. Voorwaar, geen kleinigheid. De voorzitter dankt voor den velen arbeid, die door de commissie verricht is. Van de verzamelde gegevens maakt de Bond reeds nu een trouw gebruik.
Ds. VAN DER ZEE dankt namens de commissie voor het in hen gestelde vertrouwen.
Daarna kwam men aan de Voorstellen. VOORSTEL I van de afdeeling Rotterdam-Kralingen, om een criculaire te.laten drukken, die in alle gemeenten kan worden gebruikt, waar in de kerk geen Paaschcollecte kan worden gehouden, wordt zonder stemming aangenomen.
De afdeelingen kunnen zich ter bestemder tijd tot den Secretaris wenden om het gewenschte getal circulaires te ontvangen, waarmee voor de Paaschcollecte kan worden gewerkt. Dit kan in vele gemeenten geschieden, waar dit tot nu toe nog niet gedaan is.

VOORSTEL II van de afdeeling Alkmaar-Haarlem, tevens voorstel van de afdeeling Rotterdam-Kralingen, om de aandacht wat meer te richten op het evangelisatiewerk in Noord-Holland, vindt na wegneming van enkele misverstanden aller sympathie. Tot de oprichting van een afzonderlijke commissie behoeft het niet te komen. Dat er in Noord-Holland nog geen evangelisatiepost van onzen Bond is, vindt zijn oorzaak alleen in gebrek aan financiën.

De VOORZITTER geeft advies, dat men in Noord-Holland 't werk zelf zal ter hand nemen en zich in verbinding stelle met de Evangelisatie-Commissie.

VOORSTEL III, om toch voort te gaan met het plan Hervormde Kweekschool op Gereformeerden grondslag, heeft wel aller sympathie, maar kan wegens gebrek aan financiën niet verwezenlijkt worden. Er zou ruim ƒ 30.000.— voor noodig wezen. Van die ƒ34.435.20, die het Jubileumfonds vormen. waren slechts enkele giften bestemd voor dé Kweekschool.
Hoezeer het Hoofdbestuur het noodig acht, moet er voorshands mee gewacht worden. Hierna kwam de rondvraag.
De heer VAN BARNEVELD van Delft sprak den wensch uit, dat meerdere Gereformeerde predikanten zich beschikbaar zouden stellen voor het radio-ziekenuur.
De heer SMIT van Zwijndrecht vroeg, hoe het Hoofdbestuur stond tegenover het Verbond voor Kerkherstel.
De VOORZITTER antwoordde, dat hij aan ieder persoonlijk overliet hoe hij daarover denken wilde, maar dat in elk geval de Bond als Bond blijft voortgaan, wat ook hieruit moge blijken, dat over het Verbond voor Kerkherstel in „De Waarheidsvriend" niets meer voorkomt.
De VOORZITTER verzocht om samen te zingen Psalm 84 vers 4, waarna ds. Goslinga eindigde met dankgebed.
Op verzoek van den heer BRINKERS zong de vergadering ds. Van Grieken Ps. 134 vers 3 toe.
Deze sprak na het zingen zijn hartelijken dank uit.
Het was laat, toen deze aangename vergadering ten einde was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG VAN DE ZES-EN-TWINTIGSTE JAARVERGADERlNG OP DONDERDAG 15 OCTOBER 1931.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's