KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE HERVORMING.
31 October is altijd de dag, dat wij denken aan de geloofsdaad van Luther, toen hij aan de deur van de Slotkerk te Wittenberg de 95 stellingen aansloeg. Of dat als de groote daad van de Reformatie is te beschouwen, of dat het misschien beter is de verbranding van de Pauselijke papieren op 10 December 1521 buiten de Elsterpoort te Wittenberg, als de beslissende daad te noemen, laten we nu maar in het midden. Maar in elk geval hebben we als de hoofdzaak bij die gebeurtenissen te beschouwen, dat toen gekozen is tegen de valsche leeringen van de Roomsche Kerk en de tyrannieke overheersching van de priestermachten en voor het zuivere Evangelie der Schriften en het gezag van Gods Woord.
Daarom is de Reformatie ook niet geweest een Revolutie in den zin van de ongeloofshelden uit Frankrijk in het laatst van de 18de eeuw, want kwam men er toen toe om zich los te maken van Gods Woord, met brutale verwerping van God en Christus, — in de dagen van Luther, Zwingli en Calvijn erkende men den eenen waren God als hoogste Majesteit en kwam men zich te buigen onder het juk van Christus, Slons Koning, roemende in Zijn kruis ter overwinning.
De Revolutie heeft de wereld willen storten in den afgrond van het ongeloof, zeggende : „Geen God en geen Meester !" Maar de Reformatie heeft de Kerk van alle landen weer willen terug brengen tot het geloof in God en het wandelen naar Zijn Woord, ons op alle terrein des levens te prediken : „de vreeze des Heeren is het beginsel van alle wijsheid".
Aan de traditie van de Roomsche Kerk ontzegde men het recht, om over de menschen te heerschen, met verkrachting van de waarheid die naar Gods Woord is. Aan de tyrannieke heerschappij van den Paus ontzegde men het recht, om over de conscienties te heerschen, met verkrachting van het Evangelie van Gods vrije genade in Jezus Christus en loochening van het Woord des Heeren, dat eeuwig zeker is.
Daarom zullen die ook het meest dankbaar zijn voor de zegeningen der Reformatie, die Gods Woord roemen als een lamp voor den voet en een licht op het pad en die zich verheugen in de zaligheid van 't Evangelie des Kruises, dat tot blijdschap en vrede is voor een iegelijk die gelooft.
De menschen werden door Rome's Kerk schandelijk en gewelddadig afgevoerd van de inzettingen des Heeren, om gedwongen te worden tot het houden van allerlei leugenachtige en valsche inzettingen van menschen. En de vorsten en de volkeren werden gedwongen om in allerlei kromme wegen te wandelen, waarbij het niet ging om de eere Gods en het heil der menschen, maar om de eere van den Paus en de valsche Kerk, tot verderfenis.
Nu ook in onze dagen een vloedgolf van revolutie en ongeloof over de landen en de volkeren gaat, waarbij God dood verklaard wordt, Jezus Christus gelasterd wordt, het Woord bespot wordt, en ook de Kerken der Hervorming veelszins hebben losgelaten en verloochend het heilig beginsel der Reformatie, hebben we dankbaar te gedenken de zegeningen van de Hervorming in velerlei opzicht aan onze Vaderen en ons geschonken, maar tegelijk ons te beraden, wat we met de zegeningen Gods hebben gedaan, zoowel op het terrein van de Kerk als op alle terreinen des levens, en wat deze tijden van ons vragen.
Staan de Kerken op den grondslag van het V/oord der Waarheid, dat uit Gods mond is uitgegaan ? Zijn zij getrouwe getuigen van het Evangelie van Jezus Christus ? Wordt van kansel tot kansel gehoord de prediking van Jezus Christus en dien gekruisigd ? Worden de beginselen van Gods Wet en Getuigenis alom bekend gemaakt en wordt alles opgeëischt voor de eere Gods, opdat er vrede en welvaart is in de landen ? Wordt men alom vermaand den Heere te vreezen en te beven voor Zijn Woord ?
Vele, vele voorrechten schenkt en laat de Heere ons en aan onze kinderen, ook nu, in deze bange tijden. Maar wordt de vreeze Gods gevonden in onze harten, in onze huizen, in onze scholen, in onze kerken ? Wordt het Evangelie gekend en gezien als een zoutend zout en lichtend licht overal in dezen lande ?
Beseffen we, tot wat duren prijs onze vrijheid is gekocht, om God vrij te mogen dienen naar Zijn Woord en te gaan en staan naar uitwijzen van Zijn Wet en Waarheid ?
Dat schaamte ons aangezicht bedekke ! Dat de schuldvraag ons aller harte beroere en onze consciëntie verontruste.
Dat het Verbond Gods mocht worden vernieuwd en alom gehoord mocht worden : „laat ons wederkeeren tot den Heere, want in Zijne wegen is het veiliger dan elders, in Zijne inzettingen te wandelen geeft grooter vreugd en zaliger goed, dan in het zondig leven buiten Zijn gemeenschap, met stout verachten van Zijne geboden !"
De Hervorming !
Ja — dat de Geest des Heeren over ons kome en de vreeze Zijns Naams bij ons gevonden mag worden, om met lust en liefde naar Zijn Woord te luisteren en in Zijne wegen te wandelen en Zijne inzettingen te bewaren.
Dat Gods Geest daartoe nederdale en onder ons wone, om ons te leeren en te leiden In alle Waarheid. "
ONTZET UIT HET AMBT.
Dat moest er van komen ! 't Was allang te zien. Hoe treurig of 't ook is, maar dat moest vastloopen. Want ds. J. Keiler, vroeger predikant te Dordrecht, nu sinds 1923 te IJsselmuiden (bij Kampen) heeft het al te bont gemaakt, met razen en schelden op kerkvoogden, kerkeraad, hoofd der Christelijke School enz. enz.
Soms dacht men, dat hij z'n verstand verloren had. Maar de geneesheer constateerde, dat hij volstrekt niet „ontoerekenbaar" was te verklaren. En zoo werd het nóg treuriger.
Wat heeft ds. Keiler in zijn Dordtsche jaren veel bedorven ! De sporen zijn er in Dordt nóg niet van uitgewischt. Toen wij er indertijd op verzoek van de Jongelingsvereeniging een lezing zouden houden, ging ds. Keiler voor in gebed, vóór de samenkomst aanving. Wat moesten die arme jongens toen niet slikken in dat gebed ! Het was méér dan gruwelijk.
En dan gaat 't maar weer rustig verder ! Totdat het nu spaak geloopen is.
Nu is ds. Keiier uit zijn ambt ontzet. Wij verbazen er ons wel eens over, waartoe sommige predikanten — en ook sommige godsdienstonderwijzers — meenen geroepen te zijn ; terwijl zij dan den kansel zoo schandelijk misbruiken.
En dat zijn dan menschen, die het zoo extra goed kunnen weten, waartoe de bediening des Woórds is, want ze zijn zoo in alles „onderlegd.
't Is wel heel vreeselijk !
Voor het oogenblik is er nu een einde gekomen aan het verwoestend werk daar in IJsselmuiden.
Hoewel we vreezen, dat er spoedig wel weer een kansel open zal gaan voor dezen profeet.
De wereld wil nu eenmaal worden bedrogen.
En er zullen er best zijn, die, wat nu uitgeworpen is, met gejuich begroeten.
Er zijn nog geen kerken en kerkjes genoeg !
De Heere schenke in deze genade, om uit dool-en zondewegen vrij te maken en te leiden in het spoor van goedertierenheid en waarheid.
ARTIKEL 36 NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJDENIS
Over dat artikel is het laatste woord nog niet gesproken. Er is al heel wat over geschreven, ook door vertrouwde voormannen, maar nog steeds trekt dit artikel over de Overheid en haar betrekking; tot de Kerk en de religie de aandacht van velen.
Zaterdag j.l. mochten wij in Den Haag , .De Toogdag" van de A.R.J.A. (Antirevolutionaire Jongeren-Actie) bijwonen. En daar maakten we kennis met een brochure, geschreven door den heer A. Janse, hoofd der Chr. School te Biggekerke (Z.), getiteld : „Burgerlijke of Kerkelijke Politiek".
Deze brochure lijkt ons van zoodanige waarde, uitmuntende door nuchtere wijsheid en historische oriënteering, bij heldere onderscheiding der beginselen, dat wij hier gaarne eens de aandacht op dit boekske willen vestigen.
Wij zouden gaarne willen dat dit boekje, vooral door onze jongeren eens gelezen werd en dat men b.v. eens een avond bepaalde om op de Vereeniging of op een Afdeelings-vergadering van den Gereformeerden Bond deze brochure te bespreken.
Wij twijfelen niet of men zal er wel iets, misschien veel, uit kunnen leeren !
— LAAT MEN TOCH VOORZICHTIG ZIJN !
We beleven moeilijke tijden. Dat zeggen we niet om elkaar angstig te maken. Dat zeggen we alleen om elkaar te waarschuwen, opdat we onze wegen voor God en voor de menschen, eenvoudig, eerlijk zullen richten en ons daarbij nauw zullen onderzoeken, dat we geen dwaze dingen doen.
Ook op Schoolgebied dreigt gevaar. Want met groote dankbaarheid mogen we den groei van ons christelijk onderwijs constateeren. Maar nu dreigt er gevaar. Een bizonder gevaar. Want sinds Januari 1931 is de bepaling vervallen, dat voor schoolstichting niet mochten meetellen : kinderen die reeds een bijzondere School bezochten ; die dus reeds christelijk onderwijs genoten. Sedert Januari 1931 mogen kinderen, die reeds een School met den Bijbel bezoeken, op de lijst geplaatst worden om een nieuwe bijzondere School te stichten. En daarmee is het gevaar groot, dat de eene Christelijke School de andere School met den Bijbel in den grond gaat boren.
Voor de Wet is dus meer vrijheid gekomen.
Maar nu moeten we des te meer oppassen dat we — vooral in deze uiterst moeilijke tijden, die juist financieel zooveel zorg baren — niet roekeloos te werk gaan om gelden uit de publieke kassen te gebruiken, als het niet noodig is.
De Standaard schreef dezer dagen het volgende stukje over deze zaak, onder den titel: „Vrijwillig stoppen" :
„Tot de bezuinigingen van 1924 behoorde het z.g.n. „Stopwetje".
Dit heeft enkele jaren een besparende werking gehad, doordat het een niet volstrekt onvermijdelijke schoólsplitsing tegenhield.
Wij stellen nu een vraag
Deze n.l., of men zich van Protestantsch-christelijke zijde niet met elkander verstaan kan om vrijwillig te doen, wat destijds door de wet gevorderd werd. Althans tot den tijd, dat de moeilijke jaren weer achter den rug zijn.
Men denke toch niet te licht over wat ons nog wacht. En men versta den Christelijken burgerplicht om het der Overheid — Rijk èn gemeente beide — niet moeilijker te maken dan zij het toch reeds heeft en zal krijgen".
En in een van de Schoolbladen lazen we een artikel, waaruit we dit gedeelte hebben uitgeknipt:
„Schoólsplitsing is nu gemakkelijker geworden, naar de wet. Ze mag echter niet gemakkelijker worden voor ons geweten. Christelijke Schoolbesturen en Christelijke onderwijzers dienen zich beide wel zeer ernstig te beraden, voor ze maatregelen treffen om hiertoe over te gaan.
Er ligt een zekere aanlokkelijkheid in om nu eindelijk eens een school te krijgen, absoluut van de door ons gewenschte kleur. Kan dit gebeuren tot grooteren bloei van het Christelijk Onderwijs, dan zal ieder Christen het als een Gods-werk toejuichen. Dient het echter tot meerdere eere van onszelf of van een ander, dan is het uit den booze.
We moeten toch wel voor oogen houden, dat een gemengde school met een behoorlijk aantal leerlingen, meer vrucht baar werk kan doen dan twee bloedwarme Hervormde en Gereformeerde schooltjes dat naast elkander kunnen doen.
Ook geeft de opheffing der genoemde bepaling gelegenheid töt het werven van leerlingen voor een nieuwe school, onder bewerking van ouders, wier kinderen reeds een Christelijke School bezochten. Een dergelijk leegpompen van de bestaande school, soms door een collega-onderwijzer, moet kwaad bloed zetten en de goede verstandhouding der broeders verstoren. En dat niet alleen — men maakt de zaak van Gods Koninkrijk tot een aanfluiting van tegenstanders. Wij hebben hen zoo vaak voorgehouden, dat Christelijk Onderwijs is een zaak des gewetens, een eisch naar Gods Woord, en zij zien nu een wedloop tusschen broeders, die elkander een vlieg trachten af te vangen.
Of er wel een algemeene regel te geven is, waarnaar we ons hebben te gedragen ? Zeer zeker. Wij beginnen geen nieuwe school voor we met geheel ons hart Gods zegen kunnen vragen over een werk, dat we in Zijn heilige handen durven leggen".
BANGE TIJDEN. ERNSTIGE BEZINNING.
We leven wel in heel bizondere dagen. Dat crisis-dagen zijn. En met een crisis, die zelve ook weer heel bizonder is. Want deze malaisetijd onderscheidt zich wel in karakter van wat in vroegere jaren zich voordeed. Het is nu een crisis van internationalen aard. Daarbij wordt elk gebied en elke kring er door getroffen. Het landbouwbedrijf ; maar noem maar gerust in één adem : het scheepvaartbedrijf. De aandeelen Holland-Amerikalijn zijn van 600 op 6 gedaald ; misschien nóg lager dan 6. En de grootste industriëele bedrijven hier, In Oost-Indië, in West-Indië enz. zijn uit het evenwicht geslagen, waardoor over heel de wereld millioenen en millioenen werkeloos zijn.
Verlaging van het levensniveau over de geheele linie zal onvermijdelijk zijn. Tot inflatie van het ruilmiddel — tot verlaging van den gulden tot 90, 80, 70 cent enz. — mag het niet komen. De arbeiders zouden daarvan in de eerste plaats de dupe zijn, maar daarnaast zouden ook andere kringen gevoelig getroffen worden, (denk eens aan de gepensioneerden, aan de menschen die op bescheiden schaal „van hun geld" leven enz.) en andere economische storingen zouden niet uitblijven ; waarbij de weg voor de revolutie (bij aanstoken van Communisten en straks ook van de Socialisten) opengesteld wordt.
Hoeveel vrije beroepen lijden al niet onder de malaise.
En hoeveel intellectueelen, geschoolde krachten enz., vinden geen werk en geen inkomen !
Waarom zeggen we deze dingen nog weer eens ?
Om elkander zenuwachtig te maken ? Om de verwarring nog grooter te maken ?
Neen — maar om bij ons allen het bewustzijn te wekken, dat we allen, ieder in z'n kring, moeten meedoen om deze ernstige tijden ook ernstig te gaan nemen. Om saam te gevoelen dat er overal wat moet worden gedaan, om te helpen waar er te helpen valt. Om saam te bevorderen, dat de nationale en de internationale verhoudingen zóó worden, dat er meer werkgelegenheid komt.
Als Christen zijn we verplicht deze dingen ernstig onder de oogen te zien ; en we moeten middelen en wegen beramen, dat het leven en dé levensverhoudingen beter worden. Daartoe zijn we als Christenen verplicht mee te werken, ziende op de groote en vele goede gaven, welke de Heere over gansch de aarde aan de menschenkinderen geven wil.
't Is niet omdat de Heere ons te weinig geeft, dat er malaise is.
Maar het is omdat ons leven verkeerd ingesteld is, omdat wij ons saam niet in de rechte verhouding tegenover God en tegenover onzen naaste stellen.
De Wet Gods — De eerste en de tweede tafel — moet onder ons meer in eere komen. Daar ligt het model voor ons aller leven.
We moeten onze" wegen doorzoeken en we moeten wederkeeren tot den Heere. Want des Heeren hand zit achter dit alles. Het is niet de wet der causaliteit — hoewel oorzaak en gevolg nauw, zéér nauw met elkaar in verband staan ! — maar het is de Heere Zelf, Die ons deze benauwde tijden zendt. Hij zendt ook dit kwaad. Maar niet uit lust tot plagen. Doch om ons te roepen tot bekeering. Dan is er bij Hem genezing.
Heerlijk, dat we als Christen dat mogen gelooven en elkander mogen toeroepen : bij den Heere' zijn uitkomsten !
„De HEERE regeert, de aarde verheuge zich" (Psalm 97).
„De HEERE regeert, dat de volken beven ; Hij zit tusschen de Cherubs : de aarde bewege zich" (Psalm 99).
Hoewel de Heere, , wrake doet over onze daden, is de Heere, onze God, een hoorder der gebeden en een vergevend God ! (Psalm 99 vers 8).
HET HELLEND VLAK DER ZONDE.
De dwaasheid van de Schoonheidskoninginnen wordt door velen blijkbaar nog niet gezien. Het ergerlijke en leven en zedenverdervende van die walgelijke dingen wordt door velen nog niet gevoeld. Men gaat maar door met zich deze koninginnen der schoonheid te kiezen.
Hoe ongelukkig deze dingen gewoonlijk werken, als jonge meisjes het gif eener walgelijke bewondering der schare gedronken hebben, blijkt uit het treurig lot van sommige van deze „schoonheden". Mejuffr. Georgette Hodet, eertijds schoonheidskoningin van Parijs, werd eenigen tijd geleden tot 20 jaar dwangarbeid veroordeeld, wegens moord op een Amerikaanschen diamanthandelaar. Mèjuffr. Nirdlinger, eenmaal het mooie meisje van Sint Louis in Missouri, zucht achter de gevangenisdeuren, omdat ze haar echtgenoot, een vermogend theater-eigenaar uit Philadelphia, heeft vermoord. Mejuffr. Dulcie Barclay, de eens erkende „Koningin van Queensland", werd telkens in haar leven teleurgesteld en
maakte op het kantoor van een bekend advocaat te; Brisbane een eind aan haar leven.
Verwend bij champagne, met bloemen, auto's enz. enz., bereikt men een hoogte, waar tegelijk de afgrond gaapt.
Wel mag de wereld worden teruggeroepen, om toch niet roekeloos met God en godsdienst te spotten en niet te spelen met het leven !
Wat afvalt van den hoogen God, moet vallen.
GODS VINGER IN DE GESCHIEDENIS.
Het blijkt ook uit de beschrijving van de geschiedenis van Kerk en Volk en Vaderland, uit welken geest men leeft.
Laat men toch niét zeggen, dat men neutraal moet zijn op het terrein van de geschiedenis, omdat „feiten toch maar feiten" zijn en men aan iemand niet moet kunnen bemerken van welke „partij" men is. Want die zoo voor de „neutraliteit" zijn, willen dan juist altijd voorkomen, dat op den vinger Gods in den gang der gebeurtenissen gewezen wordt. „Neutraal" wordt dan : Zwijgen over God — God doodzwijgen — als het gaat, over personen, als het gaat over gebeurtenissen, welke in de geschiedenis van Kerk en Volk en Vaderland van beteekenis zijn geweest.
„Neutraal" is dan altijd partij kiezen tegen God en godsdienst; en men kiest niet in geringe mate „partij" — maar altijd ,.anti". !'
Hoe kan men, als men de geschiedenis der geloofsvervolging verhaalt, „neutraal" zijn ? 't Is immers onmogelijk !
Hoe kan men, als men den worstelstrijd met Spanje vertelt, „neutraal" zijn ?
't Is immers onmogelijk ! Hoe kan men, als men de vaderlandsche Kerkgeschiedenis, Van de Dordtsche Synode enz., beschrijft, „neutraal" zijn ? Het gaat immers niet!
De bekende Remonstrantsche predikant Uytenbogaert schreef in 1645 een „Kerkelicke Historie", waarin hij een uitvoerige beschrijving van den strijd tusschen Remonstranten en contra-Remonstranten tijdens het Bestand gaf — maar we zijn blij, dat Trigland een uitstekende weerlegging schreef, zoodat we daardoor bezitten dezelfde „Kerkelicke Historie", van Gereformeerd standpunt beschouwd. Men moet de geesten maar proeven !
De Calvinistische en de Libertijnsche richtingen verschilden nog al — en het was wel te merken aan 't geen de een en aan 't geen de ander verhaalde !
Toen in 1670 Gerard Brandt, wéér een Remonstrant, zijn „Historie der Reformatie" uitgaf, was er onder de Gereformeerden niet weinig over dat boek te doen ! Bij het verschijnen van het tweede deel in 1674, moest de uitgave zelfs worden gestaakt en eerst na den dood van Willem III, toen de Libertijnen weer de lakens uitdeelden, kon het werk compleet verschijnen.
Of men het proeven kan wie de geschiedenis verhaalt of beschrijft!
In 1668 verscheen te Middelburg : . „De Wonderen des Allerhoogste, ofte Aenwijsinge van de oorsaeken, wegen en middelen, waerdoor de Geünieerde Provintiën, uyt hare vorige onderdruckinge soo wonderbaerlijck, tegen vermoeden van de heele Wereldt, tot so grooten macht, rycdom, eere, en onsaggelyckheydt zijn verheven ; door Abraham van de Velde, Bedienaar des Godlycken Woorts, in de Gemeynte Jesu Christi tot Middelburgh".
Dat Oud-Hollandsche boekske is veel gebruikt geworden en het heeft een historie.
In de dagen, dat Bilderdijk alleen tegen de Revolutie riep en hijgde naar het herstel van het echte Nederland, had hij groote begeerte, om Van de Velde's „Wonderen des Allerhoogste" weer uit te geven; maar hij kon geen uitgever vinden.
In 1855 gaf jhr. mr. A. M. C. van Asch van Wyck er een verkorte uitgave van (verkort, wat de theologische uitwijdingen betreft) met den ondertitel : „Een nuttig huisboek voor het Nederlandsche volk."
Maar toen kwam er wat los in het toenmalige nog „liberale" Nederland ! De deftige, geleerde redactie van „De Gids" verklaarde het maar niet te zullen recenseeren. Doch toen er een andere redactie wat goeds van gezegd had, kwam „De Gids" daartegen op in naam der vrijheid ! Het Opperwezen mocht niet betrokken worden in den strijd tegen menschen en menschen. En tegen menige „orthodoxe bewering" had men bezwaar ! Dat was de vrome onzin der antirevolutionaire school", enz.
Ook beleedigde de deftige redactie van het deftige tijdschrift „De Gids" jhr. van Asch van Wyck persoonlijk. Want zij schreef, dat er „waarschijnlijk uit het zwarte lichaam van eenen in 't gezegend Suriname dood-gegeeselden neger" iets in hem gevaren was ; enz.
Ondanks het woeden en schelden van de „liberale" pers is de geheele oplage uitverkocht en in 1874 bezorgde J. Mulder te Veenendaal een nieuwen onveranderden druk van het oude boek in de tegenwoordige spelling ; en het werk van ds. van de Velde is in Gereformeerde kringen nog niet vergeten.
Zoo ziet men telkens hoe zij die „neutraal" en „liberaal" zich noemen staan tegenover de historie. Zij willen door „neutraal" en „liberaal" te zijn God doodzwijgen in de historie en zijn fel anti-godsdienstig en daardoor verdraaiers van de geschiedenis in de voorstelling en belichting van hetgeen is geschied.
Wij zeggen volstrekt niet, dat elke manier van „godsdienstig" vertellen te prijzen is. Niet zelden is de historie door de theologie verzwolgen geworden en zeer zeker kunnen gegronde bezwaren worden ingebracht ook b.v. tegen het boek van ds. van de Velde, maar dat neemt niet weg, dat nooit, wanneer de geschiedenis door „neutralen" en „liberalen" verteld wordt, de daden des Heeren naar waarde worden geprezen, waardoor de kern van de Vaderlandsche geschiedenis, de pit en het merg onzer volkshistorie, wegvalt; wat dan ook onder de „neutralen" en „liberalen" juist wordt nagestreefd.
Ook de geschiedenis van Kerk en Volk en Vaderland leert ons dus, dat we geen „neutrale" school moeten hebben, maar een christelijke school, een school met den Bijbel.
Bij de kern van ons volk is gelukkig de kennis nog bewaard van de historie van Kerk, Volk en Vaderland en onze Christelijke scholen moeten dat nu onder ons volk voortzetten, vooral waar de laatste eeuw hoe langs hoe meer door „neutralen" en „liberalen" opzettelijk gezwegen is van de wondere daden des Heeren in den gang der gebeurtenissen. En zoo verstaan velen dan ook 'niet meer, dat het door Gods hand is, dat de Nederlandsche natie onder de volkeren der wereld een eigen plaats inneemt en een eigen roeping heeft te vervullen.
Daarom heeft de Christelijke School in deze een heerlijke roeping.
Ook al zal haar dan door Remonstranten, neutralen, liberalen, socialisten enz. enz. verweten worden, dat zij „partijdig" is.
Doch geen nood; Remonstranten, neutralen, liberalen zijn zóó onpartijdig, dat zij onpartijdig het Opperwezen er buiten laten en van den vinger Gods in de historie niet willen weten.
Dan kiezen we maar liever partij en willen in gedachtenis houden, wat de Heere in het midden van ons volk heeft gedaan.
DE KOSTELIJKE WAARDIJ VAN GODS WOORD.
Gods Woord is geen vragenbus, die gij maar hebt te openen, om een antwoord te vinden in een bepaalde kwestie.
Gods Woord is geen reglementenbundel met artikelen en paragrafen, waar precies omschreven en geformuleerd is wat onder bepaalde omstandigheden moet worden gedaan of verboden is.
Gods Woord is geen tekstenrol, waarin een verzameling van losse uitspraken, waar in wij bij allerlei strijdvragen een bepaalde bewijsplaats kunnen vinden of bij alle mogelijke onderwerpen een afdoend antwoord, dat alles beslist en waarmee een zaak voor goed is uitgemaakt.
Gods Woord is veeleer de goddelijke openbaring van de Waarheid, waarin de eeuwige beginselen, ordinantiën, grondgedachten gegeven zijn voor het natuurlijk en voor het geestelijk leven.
De Heere heeft ons Zijn wil geopenbaard, overziende alle tijden, waarbij Hij eertijds tot de Vaderen gesproken heeft door de Profeten en nu, in deze nieuwe en laatste bedeeling, door den Zoon (Hebr. 1 vers 1), opdat wij de Schriften onderzoekende zouden vinden welke de goede en welbehagelijke wille Gods is. Waarbij de ervaring dergenen, die God in oprechtheid vreezen, is, dat de Heilige Geest oude en nieuwe schatten der Waarheid weet voort te brengen, waardoor Gods Woord waarachtig wordt een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad.
De Heere heeft Zijn wijsheid ons geopenbaard, opdat voor ons leven en sterven, voor ons doen en laten, voor ons denken, voor ons kennen en voor ons kunnen, de ware wijsheid ons niet zou ontbreken. En zóó hebben we in de Heilige Schrift, als levende Waarheid, door de dagelijksche onderwijzing des Heiligen Geestes, de ééne, ongedeelde, goede en volmaakte wil onzes Gods, waarbij de Heilige Schrift hen welgelukzalig prijst, die hun lust vinden in des Heeren wet en die Zijn wet dag en nacht bepeinst.
Dat is geen machinaal werk, geen werk van registratie en codificatie, maar een geestelijk werk, waarbij voor alle tijden de vruchten van wijsheid en vrede groeien naar Gods welbehagen.
Zoo kunnen de opeenvolgende geslachten in veel verschillen, maar tegelijk één zijn in waarheid en gerechtigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's