De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATlE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATlE

11 minuten leestijd

In dien tijd antwoordde Jezus en zeide : Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de Wijzen en Verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Mattheüs 11 vérs 25.

VERBORGEN GEOPENBAARD.
Waarde Lezers !
De Heere Jezus heeft in Zijn omwandeling op aarde veel gebeden. Daartoe bracht Hij menigmaal gansche nachten door in eenzaamheid, veeltijds afgezonderd op de bergen. Hoe had Hij — naar Zijne menschheid — Zyn Vader noodig bij het gewichtige werk, de geweldige taak, die Hij te volbrengen had !
Daarin heeft Hij toch zulk een navolgenswaardig voorbeeld nagelaten voor al de Zijnen. (Christus is toch immers ook waarlijk het voorbeeld voor hen!)
Het is, opdat ook zij bij al den gewichtigen arbeid en de dure levensroeping, die zij hebben, evenzoo den Heere in den hemel zouden noodig hebben, opdat Hij „Zijn kracht in hun zwakheid volbrenge".
Maar heeft Christus gebeden, Hij heeft ook mogen danken. Dat is ook onafscheidelijk aan elkander verbonden. Dit was zoo voor Christus in volle mate, het wordt evenwel ook gekend door Zijn ware discipelen. Die waarlijk tot God leeren roepen, Hem aanloopen in ootmoedige gebeden, zullen ook de tijden kennen dat zij den Heere moeten danken om hetgeen Hij wil schenken.
Wij zouden daarop wel breeder kunnen ingaan en de verhouding van het een en ander kunnen nagaan. Dit mag ons misschien wel wat onevenredig voorkomen — maar wij vragen slechts : is er misschien ook daarom bij Gods gunstgenooten menigmaal zoo weinig dankensstof, omdat ook de ware gebedsdrang zoo veeltijds ontbreekt ?
Heeft Christus voorzeker in Zijn gebeden Zijn Vader gesmeekt dat Zijn arbeid veel vrucht zou voortbrengen, hier worden we uit Zijn danken van den Vader gewaar, dat Zijn arbeid niet te vergeefs is geweest. Wel opmerkelijk is het begin van ons tekstwoord : In dien tijd antwoordde Jezus en zeide : Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde.
Welke tijd was dat ? Dat was in den tijd toen zoovelen Hem openlijk verwierpen en aan Hem niet wilden, zooals uit het verband van den tekst wel té zien is. Hoezeer Hij ook arbeidde, hen zocht tot Zich te trekken, zoo waren er velen die Hem met verachting bejegenden. Hij moest zelfs zoeken aan hunne handen te ontkomen, wegens hun vijandschap, die zij Hem betoonden.
In dien tijd moest Hij de steden, in welke Zijn krachten meest geschied waren, verwijten omdat zij zich niet hadden bekeerd. O, denkt het u eens in, lezers, wat dat zeggen wil, dat uit dien gezegenden mond van Christus een dubbel „wee u" wordt vernomen, een wee over Chorazin en een wee over Bethsaïda, waarin Hij Zijn wondermacht zoo veelzijdig had ten toon gespreid ! Ach, wat had dit alles nu uitgewerkt ? Onbekeerlijkheid en verharding des harten had Hij toch zoo veelvuldig moeten opmerken. En dat in het land en onder 't volk dat reeds te voren zoo ruimschoots de zegeningen had mogen ervaren van het verbond, dat de Heere met Israël had gemaakt ! O, indien onder het Heidensche volk van Tyrus en Sidon die krachten geschied waren, zij zouden zich in zak en asch hebben bekeerd !
Hoe had vooral ook Kapernaüm in Zijn zegeningen, in de kracht Zijner wonderen gedeeld ? Hier was Hij begonnen Zijn wonderteekenen te toonen — en nog was Kapernaüm onder dat alles dezelfde gebleven ! Hoe zou zelfs het goddelooze Sodom nog gebleven zijn, zoo Zijn krachten en wonderen aldaar waren verricht!
Maar welk een oordeel zal dan die steden treffen ? Nu zij Hem hebben verworpen, zal het Tyrus en Sidon en Sodom verdragelijker zijn in den dag Zijns oordeels dan al deze steden, die zoo rijk door Hem zijn bevoorrecht geworden !
Welk een prediking ligt hierin ook voor ons, waarde lezers, voor allen, die onder het Evangelie van Christus, het rijke aanbod van genade leven ! Zoo men geleefd heeft onder het Woord Gods, verkeerd heeft onder Zijn dienst en inzettingen. Zoo men gedeeld heeft in zooveel en velerlei arbeid, dien de Heere aan ons deed verrichten, die bedoelden om tot bekeering te roepen, tot aannemen door het geloof van wat de Heere uit enkel vrije gunst in Christus tot behoudenis van zondaren schenken wilde en ach, zonder ooit waarachtige bekeering te kennen, onder alles dezelfde gebleven te zijn, neen, helaas, sterker nog, daaronder nog te zijn verhard. O, wat zal dan eenmaal het „wee u" uit Christus' mond schrikkelijk wezen !
Zondaar en zondares, die nog onbekeerd zijt en daar voortleeft onder het licht van Gods Woord in de hardheid en onbekeerlijkheid van uw zondig hart, o, waar Christus u thans nog gepredikt wordt als een Zaligmaker, Redder, Behouder van arme, schuldige, schuld belijdende, berouwvol wederkeerende zondaren, mocht nu Zijn liefelijke noodigende roepstem u waarlijk eens uitlokken om tot Hem te komen tot eeuwig behoud ! Straks is de Redder de Rechter, die Zijn schrikkelijk „wee u" zal doen hooren !"
Wanneer wij in het Evangelie naar Lukas lezen, wat nu verder in dezen tijd gebeurde, zien wij, dat intusschen de 70 discipelen terugkwamen, die Hij uitgezonden had om te prediken. Deze keerden met blijdschap weder, wijl zij gezien hadden de groote daden Gods, die ook door middel van hun dienst waren verricht, zy mochten zelfs getuigen, dat de duivelen hun waren onderworpen geweest.
Ziet, daarin vooral heeft Christus de stem Zijns Vaders vernomen, dat Zijn arbeid niet ijdel is geweest. Daarover verheugt Hij zich, volgens Lukas, daarvoor dankt Hij Zijn Vader, zooals wij hier lezen. Er zijn er velen geweest, die in Hem niet geloofden, maar daar zijn er dan toch enkelen — al waren het dan Zijn twaalf jongeren, al waren het dan ook maar die zeventigen — die toch in Hem hebben geloofd, die de kracht van dat levende geloof hebben ervaren en de uitwerking daarvan hebben gezien.
Hij moet Zijn Vader nu verheugd danken, dat Hij deze dingen aan hen heeft geopenbaard, waar Hij het voor de wijzen en verstandigen heeft verborgen gehouden.
Verborgen.... geopenbaard... deze dingen ? Maar wat zou dat anders wezen, dan dat Hij wel waarlijk van den Vader gezonden was als den Middelaar Gods en der menschen, gezonden als Zaligmaker van schuldige en verloren zondaren ? Wat anders, dan wat Petrus eenmaal had uitgesproken : Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods ! Zij hadden Hem leeren ken­nen als den Zaligmaker, Die hen in hun verlorenheid kwam op te zoeken om zalig te maken. En nu was en werd dat heil ook gepredikt onder de verlorene schapen van het huis Israels, straks zou het ook uitgaan tot diegenen, die van dezen stal niet waren, die Hij ook meest toebrengen. Laten dan de „wijzen en verstandigen" Hem maar verwerpen. Hij zal toch vrucht zien op al Zijn arbeid, wart Zijn verschijning. Zijn werk. Zijn heil wordt „den kinderkens geopenbaard" !
Doch, welk een merkwaardig woord is dit, wat Christus hier spreekt! Is het dan des Vaders lust om dat ivoor menschen, althans voor sommigen, verborgen te houden ? Moet dan niet het heil, dat in Christus is, allerwegen luid gepredikt worden ? Heeft Hij niet, zelve later aan Zyn discipelen de opdracht gegeven : gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen ? En is dat niet de blijde boodschap brengen zonder onderscheid ? Moet dit dan niet verkondigd worden aan wijzen en verstandigen, evenzeer als aan niet wijzen, aan ongeletterden ?
Voorzeker! Dat moet en dat gebeurt ook! Aan een ieder, wie hij ook zij, die leven mag onder de verkondiging van Gods Woord, die dat Woord mag bezitten, wordt Christus gepredikt, als alleen de Weg, de Waarheid en het Leeven. Als de eenige Naam, die onder den Hemel tot zaligheid is gegeven, waardoor zondaren kunnen, mogen en moeten behouden worden.
Maar het prediken is iets anders dan wat Christus hier noemt het openbaren.
Prediken, dat hadden Johannes en Jezus zelve ook gedaan. Hij had zondaren, zonder onderscheid, tot zich genoodigd. Die genoodigden evenwel hadden dit niet aangenomen, — denk maar aan de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal. Zij waren in hun vermeende wijsheid en verstandigheid blijven volharden. Zij waren te wijs geweest in eigen oog om Hem aan te nemen. Hij, de zoon van den timmerman uit Nazareth, — hoe kon deze de Messias, de door God aan de Vaderen beloofde, wezen ? Wanneer waarlijk de Messias kwam, zou 't wel heel wat anders wezen ! Deze zal nomen uit Bethlehem, de stad van David, en niet uit het verachte Nazareth. Hij, een mensch, had zich meer gemaakt dan hun stamvader Abraham, daar Hij gezegd had, eerder dan deze te zijn geweest. Ja, Hij had zich Gode gelijk gemaakt, want hij had God Zijn Vader genoemd. Daarom hadden zij zich aan Hem geërgerd en wilden zij van Hem niet weten. De Farizeën en de Schriftgeleerden hadden dit gedaan. Zij wisten wel beter, want zy hadden de Schriften onderzocht en kenden deze maar al te wel. En over het algemeen, o zoo velen uit het volk, die deze in hunne oogen zoo eerbiedwaardige mannen aanhingen, , wijl deze de menschen waren die het weten konden, zij ook hadden Hem verworpen. Zij wilden van Hem niet weten.
Ziet, dat waren nu de wij zen en verstandigen. Niet, dat zij het in werkelijkheid waren, maar zij waren het in eigen oog, in eigen schatting.
En zoo is het nog ! Allen, die Christus verwerpen. Hem niet aannemen als den eenigen door den Vader gezonden Borg en Zaligmaker, zijn de wijzen en verstandigen — maar in eigen oog. Hun wijsheid is dwaasheid bij God. Alle wijsheid en alle wetenschap der wereld is dwaasheid, zoo zij niet voortkomen uit - die wijsheid, die „van boven is en zuiver en volmaakt is". De ware wijsheid is deze, zooals zij door den Psalmdichter geteekend wordt: de vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid, allen die ze doen hebben goed verstand.
Wij zeggen dit niet, omdat wij de waarde van wijsheid en wetenschap voor het natuurlijke leven zouden willen miskennen of minachten. En alsof ook niet waarlijk wijzen en verstandigen naar menschelijken maatstaf deze wijsheid niet zouden kennen noch verkrijgen kunnen. Verre vandaar ! Maar het is dan toch ook een wijsheid, die ons op de scholen niet kan worden bijgebracht. Dan kan men er hoogstens wat over leeren beschouwen en redeneeren.
Dit wordt geleerd door den Heiligen Geest. Wie dezen Geest nog mist, bezit ook nog niet de ware wijsheid, die wijs maakt tot zaligheid, — hij moge dan Jood of Christen heeten.
In dat opzicht is alle wereldwijsheid van den natuurlijken mensch dwaasheid bij God. Want in zijn eigen wijsheid staat de mensch zelfgenoegzaam tegenover God en heeft hij Christus niet noodig. Daarmede is hij nog „rijk en verrijkt en heeft geen dings gebrek". Zoo blijft Christus verborgen.
Meen evenwel niet, lezers, dat dit nu enkel maar wijzen en verstandigen zijn, die zoo onder de menschen bekend §taan. O, gelukkig zijn er onder zulken nog wel, die tot „de kinderkens" mogen worden gerekend. Neen, tot die allen behooren de velen, die wijzer willen zijn dan ons het Woord des Heeren leert. Zij hebben aan het uitwendige genoeg, aan hun deugden en plichten, aan de vormen van hun uitwendigen godsdienst, aan de uiterlijke schors van de letterkennis der Waarheid, ook al is hun lippen-belijdenis nog zoo zuiver. Onder ons mag dat ook wel eens gezegd worden, dat het niet genoeg is om de zuivere Waarheid te weten met het hoofd, maar dat deze moet worden beleefd met het hart. Zulke „wijzen en verstandigen" hebben nooit Christus waarlijk noodig als den eenigen Borg en Zaligmaker, Wiens gerechtigheid alleen voor den zondaar noodig en genoegzaam is om voor een heilig en rechtvaardig God te kunnen bestaan.
Ziet, dat hebben nu juist „de kinderkens" noodig. Zij krijgen Christus noodig voor hun arme, doodschuldige ziel. Zij krijgen oog voor den verloren staat, waarin zij door de zonde verkeeren. Zij moeten op Christus steunen en durven het voor de eeuwigheid nergens anders op wagen dan op Zijn gerechtigheid.
zy wenschen gedragen, geholpen, geleerd en geregeerd te worden door Hem. Daarom leeren zij ook bidden om Zijn Heiligen Geest. Zonder Hem kunnen zij niets doen. En hoever zij ook mogen komen, hoezeer zij mogen opwassen in de kennis en genade van den Heere Jezus Christus", toch blijven zij hun verwachting van Hem maken. Zij worden gewaar, hoe onwijs, dwaas, en onverstandig zij in zichzelven zijn en wenschen daarom ook hoe langer hoe meer door Hem wijs gemaakt te worden tot zaligheid. Maar zij ook worden door den Vader geacht, door Hem geliefd, als geliefde kinderen om Zijns Zoons Christus wil. Voor hen is al de liefde van het Vaderharte Gods. Over hen dankt Christus nu Zijn Vader, Moge de mensch der wereld Hem uitwerpen en geen plaats voor Hem hebben, moge de eigengerechtige mensch Hem niet noodig hebben, — Christus heeft er toch, over wie Hij zich verblijden mag. Zoo in de dagen Zijner omwandeling op aarde, zoo in de eeuwen daarna, zoo tot het einde der wereld toe. Dan is eerst het einde daar, als de laatste van die gegevenen des Vaders Hem zal zijn toegevoegd !
Waarde lezer en lezeres ! Waartoe behoort gij ? Tot de „wijzen en verstandigen" of tot „de kinderkens" ?
Gewichtige vraag, die niet onbeantwoord kan blijven.
De Heere geve u bij aanvang of voortgang daarom te worstelen, tot gij het heerlijk antwoord daarop weten moogt:
Buiten Jezus is geen leven,
„Buiten Jezus is geen leven, Maar een eeuwig zielsverderf".

Groot-Ammers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATlE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's