JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
Hij moest nog eenmaal bij zijn moeder komen in haar kamer. Toen had zij niet zonder moederlijken trots opgezien tegen haar grooten jongen, die al zóó ver was dat hij student werd. Zij had hem bij den arm genomen, terwijl een traan blonk in haar oog en een wonderlijke aandoening sprak uit hare stem en had hem een pakje gegeven met het verzoek het niet eerder te openen, vóór hij in de stad op eigen kamers zou zijn. Toen was ook hij ontroerd geworden en had haastig afscheid genomen, niet zonder groote verwachting naar den inhoud van dat geheimzinnige pakje.
En toen hij in Utrecht was en niet zonder zenuwachtigen haast het zegel verbrak van het moederlijk geschenk, vond hij een prachtbijbel, verguld op snee, gebonden in kalfsleder, op welks titelblad met duidelijke letters geschreven stond :
Aan mijn zoon DUCO ERNST CASIMIER, van zijne moeder.
En dan daar onder : De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
Hij herinnert zich, als was het de dag van gisteren geweest, hoe verbijsterd hij had gestaan, om daarna verstoord dat boek op zij te leggen. Wat moest hij met een bijbel ? Hy had nog nooit een bijbel gehad. Wel er eens over hooren spreken, ook er mee spotten, maar nooit de moeite genomen om er nader mee kennis te maken. Dat boek kwam hem immers niet te pas. Het lag geheel buiten zijn levenssfeer ; het had niets te maken met zijn idealen. Wat stond daar ook weer vóórin geschreven ? O ja, „de vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid en de wetenschap der heiligen is verstand". Maar hij had een andere kennis willen vermeerderen en door het beoefenen van andere wetenschappen dan die der heiligen getracht om verstandig te worden.
Nu had hij dit alles verkregen. Nu had hij naam, en eer, en rijkdom, en wetenschap, maar zonder de vreeze Gods ; doch wat had hij nu ? Tal van open vragen, welke met den dag vermeerderden en daarbij een dorstend hart, dat eveneens elken dag zijn leegte méér gewaar werd. Zou het ook soms kunnen komen doordat het beginsel der wijsheid, waarop zijn moeder doelde, n.l. de vreeze des Heeren, ontbrak ? Omdat de wetenschap der heiligen hem tot nog toe vreemd bleef ?
Nog eenmaal werpt hij een blik op dat dierbaar gelaat daar voor hem. Eigenaardig, is het niet alsof zijn moeder hem nu zacht verwijtend aanziet ? Vanwaar die verandering ? Is het louter bedrog ?
In zijn schrijfbureau wordt als een heilige reliqui haar laatste brief aan hem bewaard. Hij kent dien wel van buiten, zóó vaak las hij hem. Vooral die eene passage :
„Wat ben ik blij, mijn jongen, dat het „je zoo goed gaat en je zulke vorderingen maakt. Ik word nog trotsch op mijn „Duco, mijn eenling, dien ik zoo lief „heb. Wat zal het feest zijn op „Grovestins" als je eenmaal klaar bent en „den hoogsten graad verkregen hebt. „Maar, mijn jongen, vergeet bij alles „nooit dat het geloof in God en in Zijn „Woord voor den mensch het allerhoogste goed is. Wat baat het een mensch „zoo hij de geheele wereld gewint en lijdt „schade aan zijne ziel ? Of wat zal hij „geven tot lossing zijner ziel ? Daarom „mijn zoon, lees trouw in je bijbel en „vergeet niet dat dit de innigste wensch „van je moeder is. O, hoe hoop ik nog „te mogen beleven dat mijn flinke, ferme jongen, naar wien ik soms zóó verlang en die de appel mijner oogen is, „een vurig belijder van den Heiland wordt, om zijn gaven en krachten Hem „te wijden."
Het wordt den jonker te machtig. Zijn hoofd bonst. De grond brandt hem onder de voeten. Hij moet naar buiten, misschien dat de natuur hem rust brengt.
Fluks draait hij de lamp neer en verlaat dan, gevolgd door Juno, zijn kamer, hij weet zelf niet waarheen, maar in elk geval onder het lommerrijk geboomte, desnoods door een stevige wandeling trachtend den storm daar binnen tot zwijgen te brengen. Geruischloos gaat hij door de breede gangen van het oude Slot de voorpoort uit. Daar buiten lonken de sterren. Een zacht koeltje ruischt door de lommerrijke hoornen. Verschrikt vliegt een enkele vogel op, door den eenzamen wandelaar, of door Juno, die snuffelend rondloopt, in zijn dommel gestoord. Heel in de verte loeit onrustig een koe. Voor het overige heerscht er een diepe, stille vrede te midden van de groote werken Gods.
Jonker Van Sterrenburg voelt zich verruimd. Zijn gloeiende slapen, waarlangs het nachtwindje huivert, doen minder pijn, zijn borst ademt ruimer. Voor zoover de duisternis het mogelijk maakt slaat hij een blik rondom zich. Wat is die wereld toch nog mooi, waar menschenwerk haar niet bederft. En wat is de mensch te midden van die schoonheid der natuur een voortreffelijk wezen, waar hem de heerschappij over al wat hem omringt gegeven is. Althans wanneer hij zich zijn roeping bewust is, wanneer hij niet tevergeefs leeft. En weer staan ze voor hem als in vlammend schrift die letters, door zijn moeder als met stervende hand geschreven : „ik hoop nog te mogen beleven dat mijn flin^ ke, ferme jongen, naar wien ik soms zóó verlang, en die de appel mijner oogen is, een vurig belijder van den Heiland wordt, om zijn gaven en krachten Hem te wijden". Zou dat de richting van zijn leven moeten worden ?
Maar dan moet er nog heel wat anders gebeuren voor hij daartoe bereid is
Als de dorpstoren het middernachtelijk uur afkondigt gaat hij naar binnen.
Wat is het leven een raadsel !
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's