De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

KLEUR EN KARAKTER.
De Minister van Defensie heeft onlangs een Legerorder uitgevaardigd, waarin mededeeling wordt gedaan van eene aanvulling van het Reglement betreffende de krijgstucht met een nieuw artikel, luidende :
Daar de godsdienst de bron is van alle geluk, deugd en waren moed, behoort ook in den krijgsstand een ieder zich tot het hooghouden daarvan en tot eene zedige levenswijze te bevlijtigen; de godslasteringen, het vloeken en zweren moet worden nagelaten en zullen de meerderen hierin en in al wat de handhaving der goede zeden kan bevorderen, hunnen minderen met een goed voorbeeld voorgaan, en alle buitensporigheden algemeen vermeden moeten worden. Dit artikel heeft een geschiedenis.
Bij de behandeling van de Wet op de krijgstucht in het jaar 1902 in de Tweede Kamer, werd door den heer Duymaer van Twist de wensch uitgesproken, dat tengevolge van het vervallen van het Reglement op de krijgstucht van 1815, zoo spoedig de Wet op de krijgstucht zou zijn ingevoerd, eene handleiding zou worden samengesteld, behelzende de beginselen van de krijgstucht, benevens de rechten en plichten dergenen, die onder de wapenen zijn.
De toenmalige Minister van Oorlog, Generaal Bergansius, zegde toe aan den wensch te zullen tegemoet komen. En inderdaad werd de belofte vervuld, toen de invoering van de Wet op de krijgstucht 20 jaar later op 1 Januari 1923 plaats had en daarbij tegelijkertijd het Reglement betreffende de krijgstucht, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 31 Juli 1922, in werking trad.
Echter ontbrak in dit Reglement het artikel betreffende „de godsdienst", hetwelk wel in het Regelement op de krijgstucht van 1815 voorkwam.
Minister Deckers heeft nu het verzuim doen herstellen; vandaar de aanvulling van het Reglement met het hierboven afgedrukte artikel.
Opmerkelijk is het intusschen, dat deze daad van den Minister van Defensie heel wat stof in de Vrijzinnige pers heeft opgejaagd.
Zelfs het Weekblad van het Recht is er aan te pas gekomen.
Twee juristen, waaronder een professor, hebben het aanvullende artikel aan scherpe critiek onderworpen.
In de „principieele bedenkingen" der beide heeen wordt er van alles bijgehaald om den inhoud van het artikel bespottelijk te maken en het inzicht van den Minister te veroordeelen.
Dat er zoovele verstandige en bekwame vrijzinnigen zijn, die van de gedachte uitgaan, dat de Minister van Defensie in de aanvulling iets nieuws heeft gebracht, is bepaald vermakelijk.
Het artikel is toch meer dan een eeuw oud. Reeds de ongewone ouderwetsche stijl van het artikel had voor de bedillers van dhr. Deckers een waarschuwing kunnen zijn.
Zij zijn er met al hun liberale wijsheid ingeloopen.
Nu kan men over de vraag, of de Minister van Defensie goed heeft gedaan om het artikel uit het Reglement op de krijgstucht van 1815 in de redactie van dien tijd onveranderd over te nemen, of wel dat het menschelijker ware geweest een nieuw artikel te produceeren, verschillend denken.
Toch zijn wij er dankbaar voor, dat de Minister de aanvulling bij Koninklijk Beluit heeft uitgelokt.
Het nieuwe artikel geeft aan het Reglement betreffende de krijgstucht van 1922, dat bij het leger van kracht is en waarnaar de weermacht heeft te handelen, kleur en karakter.
En dat is een daad van niet geringe beteekenis.

DE GEMEENTEPOLITIEK IN KRABBENDIJKE.
In Krabbendijke, een Zeeuwsch dorpje, alwaar de Staatkundig Gereformeerde Partij heel wat in de melk heeft te brokkelen, deed zich op 9 October in den gemeenteraad een eigenaardig geval voor.
Tot goed verstand van zaken laten wij eerst even De Standaard aan het woord, die over het geval het volgende schrijft :
De gemeenteraad van het plaatsje bestond voor 1 September j.l. uit twee Staatk. Geref., twee Chr. Hist., twee vrijzinnigen en een A.R. Thans is de samenstelling : 2 S.G.P., 2 Chr. Hist., 1 Vrijz. en 2 A.R. Zoowel in de vorige als in de nu loopende periode hebben de S.G.P.-ers en de Chr. Hist, zich gecombineerd tot een regeeringsmeerderheid ; zij bezetten de wethouderszetels (niettegenstaande de burgemeester ook tot de C. H.-Unie behoort) en hebben in de zitting van 1 September j.l. de minderheid ook uit de commissies geweerd. Zelfs de heer C. P. Vogelaar (A.R.) werd uit de gascommissie, waarin hij 17 jaar zitting had gehad, gewipt.
Dat dit bij de minderheid kwaad bloed zette; is te begrijpen.
9 October moest de begrooting voor 1932 behandeld worden. Daarbij ging het warm toe. Toen na lange debatten de meerderheid niet tot wijziging van haar houding was te brengen, vroeg de minderheid stemming over alle posten, die met assurantie, verzekering, pensioenpremie enz. verband hielden. Zooals men weet, zijn de Staatkundig Gereformeerden daar om principieele redenen tegen.
De A.R. en Vrijz. bleven buiten stemming, daar zij buiten alles worden gehouden en de heeren nu maar eens onderling moesten toonen, hoe homogeen zij zijn op een belangrijk punt. Tevens kon dan eens blijken de bruikbaarheid van 't Staatkundig Gereformeerd principe in dit opzicht.
De uitslag van de stemming was, dat over al de genoemde posten de stemmen staakten en ze dus, aangezien de vergadering voltallig was, waren verworpen. Voor de posten stemden de C.H., er tegen de S.G.P.-ers.
De voorzitter en de meerderheid waren door dezen uitslag ten zeerste verrast. De voorzitter vroeg : wat nu ? Nu is er straks niets meer verzekerd en geen enkel ambtenaar betaalt meer pensioenpremie.
De burgemeester wilde nog een poging tot verzoening wagen. Tegen Vrijdag had hij de vroede vaderen weer bijeengeroepen. Hij stelde voor het besluit tot vaststelling der begrooting in te trekken en ze opnieuw vast te stellen, maar dan met de betwiste posten er op, en trachtte de partijen tot elkaar te brengen. Maar dit is niet gelukt. De leden der minderheid meenden dat de S.G.P.-ers, als ze geen regeeringspartij kunnen zijn, de consekwenties daarvan moeten aanvaarden. De meerderheid bleef zwijgen; alleen verklaarde een S.G.P.-lid, dat hij een gladden rug had. Het eind van de zaak was, dat de stemmen over het voorstel van den burgemeester staakten. De S.G.P.-wethouder was door ziekte afwezig. De voorzitter verklaarde daarop, dat Gedeputeerde Staten de zaak nu maar verder moeten uitmaken.
De historie, die ons hier uit den Raad van Krabbendijke beschreven wordt, geeft tot verschillende opmerkingen aanleiding. In de eerste plaats doet het vreemd aan, dat de Staatkundig Gereformeerden zich in het Zeeuwsche dorpje coaliseeren met de Christelijk Historischen, die toch wat de beginselen betreft, verder van de Staatkundig Gereformeerden afstaan, dan de Antirevolutionairen. De eenige verklaring, die wij van deze samenwerking kunnen geven, is, dat toen vroeger vele Staatkundig Gereformeerden — wat een bekend feit is - in Zeeland nog hun stem aan een liberaal gaven, hun als 't ware met de paplepel werd ingegeven, dat op een Antirevolutionair nimmer een stem mocht worden uitgebracht. Deze mentaliteit (geestesgesteldheid) schijnt thans nog na te werken.
In de tweede plaats verdient het de aan­dacht, dat bij de posten van de begrooting, die verband hielden met assurantie, verzekering, pensioenpremie enz., de Antirevolutionairen en niet de Staatkundig Gereformeerden stemming vroegen, welke laatsten toch uit principe tegen dergelijke zaken zijn. De Staatkundig Gereformeerde wethouder werkte bovendien mede, dat den Raad eene begrooting werd aangeboden, waarin ook allerlei voorstellen betreffende de verzekering opgenomen waren.
En in de derde plaats, om ons voorshands tot deze drie opmerkingen te bepalen, blijkt het duidelijk, hoe weinig de Staatkundig Gereformeerde Partij geschikt is om als regeeringspartij op te treden. Doet zij dit toch, dan loopen de zaken, zooals dit in den Krabbendijkschen Raad het geval was, ten eenenmale in de war en komt de gemeente in een ordeloozen toestand te verkeeren, ten aanzien waarvan de hoogere colleges gedwongen worden om in te grijpen. Gaan de zaken in gemeenten, waar de Staatkundig Gereformeerden de leiding in handen hebben, inmiddels nog rustig hun gang, dan geschiedt dit niet anders dan ten koste van het beginsel der Staatkundig Gereformeerde Partij. Immers in die gemeenten, waar een Staatkundig Gereformeerden burgemeester aan het hoofd staat, worden ook de gemeente-eigendommen verzekerd en betalen de ambtenaren hun pensioenpremie. Dan wordt er door zulk een burgemeester niet weinig water in den wijn gedaan.
Uit het gebeurde te Krabbendijke kan dan ook geen andere conclusie worden getrokken dan deze, dat wanneer de wetten des lands zullen worden gehandhaafd, de Staatkundig Gereformeerde geen regeeringspersoon kan zijn, of hij moet zijne beginselen, wat ook telkens plaats vindt, aan den kant zetten.
Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat De Banier, het orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij, met wat in den Raad van Krabbendijke gebeurde, duchtig in de moeilijkheden zit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's