De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

ZENDINGSWOORDEN UIT JEZUS' MOND.
Jezus is geboren als een zoon van Israël, vleesch en bloed aannemend uit de maagd Maria, het ware Zaad Davids en is gelijk ieder van het Joodsche volk ten 8sten dage besneden. Een Jood uit de Joden. „De zaligheid is uit de Joden" lezen we ; maar de zaligheid is ook voor de Joden ; althans allereerst. Jezus was allereerst voor de schapen van het huis Israels. Maar óók voor andere schapen. De hoofdman te Kapernaüm, de Kananeesche vrouw, de Samaritanen (Joh. 4) zijn ten bewijs. Het Joodsche particularisme kan dat eerst niet verstaan en niet billijken (de heidenen zijn minderwaardig, zijn „honden" gelijk en kunnen eigenlijk niet tot „Gods volk" behooren), maar de Kerk van Christus is niet particularistisch (d.i. voor één particulier volk), maar universeel (d.i. voor alle volkeren). Langzamerhand moest het Joodsche volk daaraan wennen. Vooral in Jezus' gesprekken komt het uit, dat de zaligheid óók voor de heidenen bestemd is. Hij spreekt van „een groeten oogst" waarvoor Hij vele arbeiders noodig heeft (Matth. 9 vers 37, 38) ; van het Avondmaal, met gasten uit Oost en West (Matth. 8 vers 11, 12 ; Luc. 14 vers 16—24) ; van het vischnet (Matth. 13 vers 31—33, 47) ; van het mosterdzaad, van het zuurdeeg enz. Waarbij de duidelijke verklaring van den Heiland is : „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn, deze moet Ik óók toebrengen, en zij zullen Mijne stem hooren en het zal worden één kudde en één herder." (Joh. 10 vers 16). Daarom ook het bevel : „gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, leerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. (Matth. 28 vers 19, Mare. 16 vers 15, Joh. 15 vers 16). Of, zooals in Matth. 24 vers 14 staat: „Dit evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen." (Matth. 26 vers 13). Terwijl we dan in Hand. 1 vers 8 lezen : „Gijlieden zult Mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan de einden der aarde."
Waar zóó de Koning gesproken heeft, vond dit weerklank in de zielen van Zijn discipelen en beginnende bij Jeruzalem, zijn zij gansch het land doorgegaan, door Samaria heen — totdat Antiochië Paulus en Barnabas afvaardigt naar de heidenen, tot in Rome komend met de woorden des eeuwigen levens, ja, doordringend tot aan de einden der aarde, onder geleide van Gods alles werkenden Geest. Joh. 3 vers 17: „Want God heeft Zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordeelen zoude, maar opdat de wereld door Hem zoude behouden worden." (Joh. 12 vers 47). Joh. 10 vers 16 : „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn ; deze moet ik ook toebrengen ; en zij zullen Mijne stem hooren en het zal worden ééne kudde en één herder." (Hand. 4 \'ers 12). Hand. 13 vers 47 : „Want alzóó heeft ons de Heere geboden, zeggende : Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde." (Jes. 49 vers 6). Hand. 11 vers 18 : „En als zij dit hoorden, waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende : Zoo heeft dan God óók den heidenen de bekeering gegeven ten leven !" (Rom. 1 vers 8). Ef. 2 vers 14 : „Want Hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft; en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende enz." Col. 1 vers 6 : „hetwelk tot u gekomen is, gelijik ook in de geheele wereld ; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u." 1 Joh. 2 vers 2 : „En Hij is eene verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld." Openb. 7 vers 9 : „Na dezen zag ik, en zie, eene groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en vóór het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen en palmtakken waren in hunne handen." (Openb. 5 vers 9) Openb. 14 vers 6 : „En ik zag eenen anderen Engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig Evangelie, om te verkondigen aan degenen
die op de aarde wonen en aan alle natie en geslacht en taal en volk".
De Kerk van Christus moet daarom uitgeplant worden over heel de wereld, onder alle volken, en van alle vleesch zal komen tot de aanbidding van Sions Koning, den Heiland der wereld.

VREEMDE LEERINGEN?
Wij willen voorzichtig zijn. Vandaar ook het vraagteeken.
Maar in „De Vaandrager", orgaan van den Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag, lazen we in het no. van 21 October j.l. iets over „de veronderstelde wedergeboorte" en over „de pluriformiteit der Kerk" (het was in „de Vragenbus", waar ds. Severijn van Muiden aan vragers antwoord geeft), waarbij wij een groot vraagteeken hebben gezet.
In onze kringen is de leer van den Doop en de leer van de veronderstelde wedergeboorte niet vereenigbaar.
En het vreemde woord „pluriformiteit" der Kerk, vertalen v/ij doorgaans met „verscheurdheid".
Wanneer „De Vaandrager" de richting van „de veronderstelde wedergeboorte" en van „de pluriformiteit der Kerk" uit wil, zou ons dat leed doen.

HEBBEN WE HET NIET GEZEGD ?
Toen we melding maakten verleden week van de allertreurigste geschiedenis van ds. Keiler te IJsselmuiden (bij Kampen) in verband met z'n ontzetting uit het ambt, hebben we geschreven, dat het ons niet al te zeer zou verwonderen dat ds. Keiler een eigen kerkje zou gaan stichten en dat er wel weer menschen zullen zijn, die dezen man als een profeet zullen begroeten, eeren en volgen.
En het eerste bericht, dat we na de ontzetting lazen, was wezenlijk en waar, dat ds. Keiler Zondag voor een eigen kring zou voorgaan en het Woord zou bedienen !!!
Wat leven we toch in een treurigen tijd wat de ziekelijkheid en narigheid betreft in zekere kringen. Terwijl de wereld bloedt uit duizend wonden en de ellende roept om de vertroosting des Evangelies, kankert in zekere kringen een schimmelplant, die oneindig veel kwaad doet.
Ons Gereformeerde volk mag wel waken en bidden, dat de gezonde leer niet weggenomen worde en niet overgroeid wordt door het welig opschietend onkruid.

EEN DOMINEE DIE STAAKT.
Over werkstaking wordt nog al verschillend geoordeeld. Dat kan niet verwonderen. Het is altijd iets buitengewoons als er een werkstaking in wording of in werking is. En die buitengewone omstandigheden maken het dan juist zoo moeilijk, om er een goed inzicht in te hebben en er een juist oordeel over te vellen.
In 't algemeen kunnen en moeten we zeggen, met Gods Woord in de hand, dat noch een patroon noch een werknemer zoo m.aar alles mag doen, wat hij verkiest. Hier gelden goddelijke, heilige ordinantiën en hier zijn heilige menschelijke plichten en rechten, wederzijds.
De heeren moeten goede heeren zijn, de knechten moeten goede knechten zijn. Men moet rechtvaardig zijn in den eisch der gehoorzaamheid; men moet gewillig zijn in het betoon van gehoorzaamheid ; „doende den wil Gods van harte", zooals Paulus omschrijft in Efeze 6.
Het is zoo goed, als we ons ook wat de maatschappelijke verhoudingen (waar we maatschap zijn) door Gods Woord laten onderwijzen ! Want alleen de Heere kent de rechte verhoudingen tusschen heeren en knechten, tusschen vrouwen en dienstmaagden enz. En werkgever en werknemer zullen zich door den Heere moeten laten onderwijzen, dan zal het goed gaan.
We hebben elkander noodig. En ieder lid der samenleving hebbe te erkennen dat God hem (of haar) z'n plaats in het organisme der maatschappij gaf. „God heeft de leden gezet, elk van hen in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft". Lees 1 Cor. 12 maar eens ! En zoo is ieders werk, als 't goed is, te beschouwen als z'n „goddelijk beroep" (Huwelijksformulier). Niemand kan dan zeggen : „ik heb u niet van noode" (1 Cor. 12 vers 21).
Zoo is saamwerking en saambinding eisch voor den bloei van het maatschappelijk leven ; en strijd tusschen klassen van menschen is steeds verderfelijk. Waarbij de goddelijke eisch is, zoowel voor patroon als werknemer : „gij zijt leden van het groote geheel" — en : „gij zult uw naaste liefhebben als uzelven" enz.
Wat voor de huisgezinnen geldt, n.l.: „Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden" (Col. 3 vers 21) geldt voor heel de samenleving.
Heeft de heer en de vrouw recht om goed werk te vorderen — daartegenover zijn zij verplicht om een behoorlijk loon uit te keeren. „De arbeider is z'n loon waardig" (Luk. 10 vers 7 ; 1 Tim. 5 vers 18 ; 1 Cor. 9 vers 9 enz. enz.)
De werkgever moet z'n knecht „liefhebben als zichzelf".
De arbeider moet z'n meester „liefhebben als zichzelf".
Zoo moeten ze saam doen „den wil Gods van harte" (Efeze 6 vers 7).
Daarbij hoort een arbeidsovereenkomst. Er moet een verbintenis zijn der wederzijdsche partijen.
En ziet nu doen zich hier soms moeilijkheden voor, die niet zoo gemakkelijk te beoordeelen zijn, maar die verwarring kunnen scheppen.
We denken in dit verband aan den stakenden dominé.
Ge weet toch het geval ?
Er zijn tal van gemeenten — van allerlei richting, zoowel Moderne, Ethische, Confessioneele als Geref. Bondsgemeenten — vacant ; altijddurend vacant; doordat men niet wil voldoen aan den Raad van Beheer, die voor de richtige uitvoering van het Reglement op de Predikantstractementen zorg draagt.
Dan is zoo'n gemeente vacant en blijft zoo'n gemeente vacant.
Wat plaatselijk allerlei gevolgen heeft.
Maar wat óók vérstrekkende gevolgen heeft voor de predikanten van naburige gemeenten, die als „ringpredikanten" verplicht zijn vacaturebeurten waar te nemen, in meer dan één gemeente in den Ring, en die daardoor in hun eigen gemeente telkens verhinderd worden den dienst des Woords waar te nemen.
De niet-beroepende gemeenten verstoren dus den geregelden gang van het werk in bepaalde gemeenten. En zijn daarbij niet zelden zéér karig in financieele vergoeding.
Nu is men onder gewone omstandigheden van vacature — 't zij gedurende het gratiejaar, 't zij bij gewone vacature, ontstaan door vertrek van een dominé — verplicht de vacaturebeurten waar te nemen. Men krijgt er een kleine vergoeding voor en men doet het ook altijd. Nooit is daartegen bezwaar gemaakt. Nooit en door niemand.
Doch nu er vele gemeenten zijn, die het beroepingswerk staken, komen er dominees, die bij de vervulling van vacaturebeurten willen staken. Ze willen liever in eigen gemeente preeken — want het is er niet om te doen hun werk niet te verrichten — dan hun eigen kansel leeg te laten en naar een stakende gemeente in den Ring te gaan.
Wij kunnen die stakende dominees — of eigenlijk is het er nog maar één die het gedaan heeft, n.l. de dominé van lerseke, in Zeeland — niet bijvallen.
Omdat een gemeente niet recht doet, mogen wij zoo maar niet weigeren onzen plicht te doen. Wij gelooven niet, dat men door overtreding van de kerkelijke wet, goed doet. Ook niet dat men verder komt. Maar dat de voortdurend vacant zijnde gemeenten bij voortduring beslag mogen leggen op den arbeid van predikanten uit naburige gemeenten, met benadeeling van de gemeenten uit den Ring wil er bij ons niet in.
De stakende dominé heeft o.i. niet goed gedaan.
Maar aan de wanverhoudingen, die er nu bestaan tusschen de altijd-vacant-blijvende gemeenten en de ringpredikanten met hun gemeenten — moet toch een eind komen. En men kan niet zeggen, dat het kerkelijk opzicht in deze lastig is geweest.

HET OORLOGSVRAAGSTUK.
God is liefde. Ja. Maar God is ook rechtvaardig.
Het recht moet gehandhaafd. Dat weet de vader en de moeder, dat weet de onderwijzer ten opzichte van de kinderen, in het gezin en in de school. Het recht moet gehandhaafd, dat weet de rechter, dat weet de Overheid. Dat moet ieder weten.
Er moet een Overheid zijn, onverschillig of het een koninkrijk of een keizerrijk of een republiek geldt.
Die Overheid moet regeeren, moet het land besturen, moet het land beveiligen door politie, leger en vloot. Daarom moet de Overheid gesteund worden in haar veelzijdig werk door de belasting van de burgers, door de politie, door het leger, door de mariniers.
Zoolang er verkrachting en schending van het recht is, zal er ook handhaven van het recht moeten zijn. Zoomin als de brandweer kan gemist en de dokter vanwege de onheilen, die dagelijks gebeuren en de ziekten die rondgaan, zoomin kan de politie worden gemist; en ook het leger en de vloot moeten we .hebben. Als in Curagao een bende Venezuelanen binnenvalt met revolvers in de hand, moet er politie, moeten er soldaten zijn, die de gezinnen, die de bedrijven beveiligen. En als er geen leger, geen soldaten en geen mariniers zijn, heeft de Regeering haar taak ten opzichte van haar onderdanen schandelijk verwaarloosd.
Tegen dieven en moordenaars moet gewaakt, mee door de politie. Voor het veilig verkeer op straat moet dwingend gewaakt worden door de Overheid en regels moeten worden voorgeschreven en die deze regels overtreedt en anderen in gevaar brengt, moet worden gestraft. Alleen in den weg van het recht gaat het recht ; anders gaat het krom en verkeerd en loopt alles gevaar. En dat recht moet gehandhaafd.
Ook de rechten en de vrijheden van een volk moeten worden geëerbiedigd door andere naties ; en de Overheid in ieder land — we leven in een zondige, egoïstische wereld — moet waken. Daarbij moet de Overheid geholpen worden door de politie, maar ook door het leger, ook door de vloot; en daarom moeten er militairen zijn ; geoefende militairen, die weten te gehoorzamen èn te helpen ; die willen bijstaan, als trouwe onderdanen van onze Koningin, als goede burgers van Nederland, steeds als er gevaar dreigt van binnen.en van buiten. Militair te zijn is geen schande. Allerminst. Dat moeten onze beste staatsburgers, onze trouwe Vaderlanders zijn ! Net als onze politieagenten !
Maar nu moet de Overheid waken, dat er geen oorlog komt. De Overheid mag het leger en de vloot niet misbruiken. De Overheid moet niet anderer rechten schenden, moet niet op landbezit uitgaan, moet niet veroveringstochten beramen om zich toe te eigenen wat haar niet toekomt. Zóó mogen de wapenen niet worden gebruikt.
Dat mag Duitschland niet, Engeland ook niet; ook Frankrijk niet, ook Amerika niet enz. Geen enkele mogendheid !
We zullen eikaars grenzen, eikaars rechten en vrijheden eerbiedigen ! Er moet zijn een leven voor de volkeren en een laten leven — waartoe de Heere in Zijn algemeene goedheid zoo talloos vele zegeningen geeft.
Al dat egoïstisch, eigenmachtig, naijverig optreden is uit den booze. En meer nog, dat listig en venijnig zich scharen aan den kant van een der oorlogvoerende partijen, om er zelf voordeel van te trekken en anderen mee te helpen verderven.
Voor zulke schandelijke dingen heeft de Overheid het zwaard niet ontvangen van den Heere ! En de Heere zal zulke ongerechtige dingen ook bezoeken. De landen van Europa voelen de slagen reeds op den rug en Amerika ontloopt de straffen Gods niet! Zij, die het volk hebben te regeeren in Gods Naam, hebben verschrikkelijke dingen, gedaan. En de Heere let er op. Ook komt Hij het vergelden. Zeker, de volkeren kunnen in hun rechten, hun vrijheden bemoeilijkt en benadeeld worden. En als dan een Regeering dreigt en dreint, onrecht doet en onrecht vermeerderd, dan moeten de rechten en vrijheden van land en volk worden verdedigd ; maar dan moet niet het eerste en eenigste advies zijn „dan moet het maar uitgevochten worden", met machinegeweren, met kanonnen, met giftbommen en stikgas.
't Is of mea z'n verstand verloren heeft! Dan moet het niet gaan in den weg van „het recht van den sterkste", waarbij degene, die het eerst aanvalt en de meeste kanonnen heeft en de meeste manschappen in den dood jaagt, de grootste kansen maakt om het te „winnen".
Dan moet er niet komen een samenscholing der volkeren van heel de wereld, van Oost en West saamgebracht als gieren, die azen op vleesch en bloed, om in bond een land en een volk te plunderen, te verwoesten, uit te moorden. Geen concentratie rondom geweld en onrecht.
Voor God en voor de menschen zijn we verplicht om saam te staan naar het recht. En als het dan kwaad gaat, moet er niet een concentratie van vorsten en volkeren komen rondom het kanon, maar een saam vergaderen rondom het recht.
Daarom is het verblijdend, dat er hoe langer hoe meer een samenkomen is voor internationaal recht. En neen! daarvan moeten we geen gouden bergen verwachten. Die zijn er niet op deze zondige aarde. We moeten ook intusschen ons land en ons volk niet verraden en verkoopen — waarvoor de gevaren dreigen.
We moeten nuchter zijn en werkelijkheidsmenschen. We moeten waken en bidden ; we moeten paraat zijn.
Onze Regeering en ons volk heeft hier een heilige roeping, welke door sentimenteel redeneeren niet moet onderstboven gepraat.
De zonde — het onrecht — het gevaar voor Vorstenhuis en Vaderland — 't is alles niet verre, maar zéér nabij.
Daarom geen dwaze idealisten, maar nuchtere werkelijkheidsmenschen. Vooral ook in onze dagen van bolsjewistisch gevaar, dat opzet met groeiende kracht van alle kanten.
Maar dan moet voor ons. Christenen, vast staan, dat niet het kanon, maar dat het recht in het midden van aller belangstelling moet staan.
Bij welk recht het zwaard thuis hoort in deze zondige wereld, om, zoo noodig, het recht te handhaven. 'tEene zoo goed als het andere.
Het is niet juist, het vraagstuk van den oorlog enkel op sentimenteele gronden te behandelen. Er zijn hoogere goederen dan het leven. En de handhaving van de rechtsordening, ook als 't moet met middelen van geweld, moet door ons. Christenen, niet veracht worden.
Maar nóg eens, dan moet door de Regeeringen, door de Overheden, alles en alles gedaan worden om den oorlog te beperken en geschillen door rechtspraak te beslissen. Te midden van den haat, ook van den internationalen haat, zal dat moeilijkheden geven. Oorlogen en geruchten van oorlogen zullen zijn en blijvenn. Het vredesrijk zal eerst na deze bedeeling op aarde komen. Maar al kan de oorlog geoorloofd en noodzakelijk zijn, toch moet al het mogelijke worden gedaan om het ideaal van rechtspraak tot gelding te brengen !
Heerlijk, dat wij van God een Koningin hebben ontvangen, die de „vredes-koningin" mag worden genoemd.
Dat verplicht alle staatsburgers des te meer onze Koningin, onze Regeering trouw te helpen en bij te staan. Ook in 't leger !

ONZE GODSDIENST EN HET LEVEN.
Onze godsdienst moet een stempel zetten op alles.
Als het goed is, komt het uit in ons eten en drinken, dat we God liefhebben en eeren en dienen.
En zoo moet het uit alles blijken, dat de eerbied voor en de liefde tot God bij ons is ; dat we van binnen, in ons hart, God liefhebben en dat we van buiten, in al ons doen en laten. God vnllen dienen en eeren.
Godsdienstige menschen, die God liefhebben en Hem willen dienen naar Zijn Woord, zullen ook gaarne op alles, waarmee ze in aanraking komen, het stempel van hun godsdienst zetten. Het gaat hun om het hart van het leven. Zij zouden zoo gaarne zien, dat alles wat leeft Gode eere bewijst.
Zoo staat de godsdienst ook in verband met de cultuur, met de beschaving, met het leven der volkeren, met wetenschap, kunst, met alles. Met gansch het doen en laten van een volk, van een werelddeel, van de gansche menschheid.
Die God liefhebben, willen bij alles den weg van hun godsdienst bewandelen, hun godsdienst doen uitkomen, het stempel van hun godsdienst er in drukken.
Of zou een letterkundige, die boeken schrijft, niet graag zijn liefde tot God doen uitkomen en schrijven tot eere Gods en tot zegen voor de menschen, met gebruikmaking van de talenten die God hem schonk ? Zou een koning, een stadhouder, een burgemeester, die God liefheeft, niet gaarne alles inrichten tot eere Gods en tot heil van de menschen, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, met de belijdenis van Jezus Christus in het centrum van alle doen en laten ?
Zou een natuurkundige, die God vreest en alles wat de natuur te aanschouwen en te onderzoeken geeft, niet gaarne vertellen van de groote werken Gods ?
Zou iemand, die de geschiedenis bestudeert en God liefheeft, niet gaarne wijzen op Gods wondere daden en spreken van de wegen der zonde tot waarschuwing en getuigen van de wegen der gerechtigheid en der vreeze Gods, om die hartelijk aan te prijzen ?
Zou een hoogleeraar, die onderwijs geeft in Ethiek of levensleer, niet gaarne alles belichten met het licht, dat afstraalt van Gods Woord en de vreezë Gods aanprijzen als het beginsel van alle wijsheid ?
Maar dan moeten we ook een godsdienst hebben, die waarachtig is en kracht bezit en zegening geven kan, omdat hij uit God is.
Onze crisistijd, die geheel uit het evenwicht geslagen is, vraagt om godsdienstige menschen, die God vreezen en de rechten des Heeren lief hebben, om alles wat scheef getrokken is en uit het lood gezakt is, weer recht te zetten.
Er ontbreekt te veel een weten wat men wil, omdat ons geloofsleven niet sterk genoeg is en onze godsdienst veel te weinig een zoutend zout en een lichtend licht.
We hebben groote, sterke, flinke mannen noodig, nationaal en internationaal.
Maar dan mannen — en vrouwen — die voor elk terrein de ordinantiën Gods lief hebben, de beginselen van Gods Woord en Waarheid willen en durven uitdragen.
Onze tijd wacht op den godsdienst.
Om samen God te dienen naar Zijn Woord.
Allereerst de Kerk.
Maar dan rondom en met de Kerk voor alle terreinen des levens aanprijzing van Gods wil, om ons gewillig te voegen naar de woorden des Allerhoogsten en Hem te kennen in al onzen weg.
Dat is zéker niet gemakkelijk. Want het botst tegen alles in. Het stuit overal als tegen een muur.
Maar toch ligt in het houden van Gods geboden en in het oefenen van gerechtigheid, naar Gods Woord, het eenig medicijn.
Wat nu rijkdom en armoede is, moet in het rechte verband gebracht worden naar uitwijzen van Gods Woord. Kapitalisme en pauperisme zullen onder de bestraling van Gods Waarheid moeten komen.
Werkgever en werknemer, fabrikant en arbeiders, boer en arbeider, zullen als voor de tribune van Gods Waarheid zich moeten leeren stellen en het vele dat door de zonde krom is en vreeselijk, zal naar luid van Gods Wet moeten worden herzien.
Onze Gezinnen, onze Scholen ; Kerk en Maatschappij moeten bestraald worden met het heilig licht van Gods Waarheid.
Onze tijd vraagt om een moedig deelnemen van de godsdienstige menschen, dat die hun schouders er onder komen zetten, sterk door de vreeze Gods en dapper door Zijne sterkte, gewillig door de liefde, krachtig door het geloof, vreezende God en dienende elkander.|
We staan voor groote, zéér groote dingen, die zwaar en moeilijk zijn.
Maar nu kunnen, in den middellijken weg, alleen zij helpen voor alle standen en voor alle terreinen des levens, die God vreezen naar Zijn Woord, die Jezus Christus liefhebben door den Geest, en die door genade bereid bevonden worden om God lief te hebben en den naaste.
En daarom ja, eerst en allermeest de Kerk moet God willen dienen en spreken naar Zijn Woord. De Kerk moet Gods wegen aanprijzen, Gods rechten en inzettingen bekend maken en het heil des Heeren prediken overal.
Maar dan moeten ook renteniers en armen, fabrikanten en arbeiders, boeren en burgers, rechters en leeraars, vorsten en onderdanen zich leeren buigen naar den eisch van Gods Woord, om zich gewillig te geven tot den dienst des Heeren en de levensgangen te richten naar Zijn Getuigenis en Waarheid.
Wanneer onze tijd daarmee gezegend mocht worden, zou er hoop zijn, dat het licht doorbreekt en de nacht wijkt.

TEGEN DEN CHRISTELIJKEN GODSDIENST.
We beleven wel wonderlijke en zware tijden. De strijd wordt alom aangebonden tegen God en Christus. En de tijden van economische crisis, worden en zijn hoelanger hoe meer tijden van geestelijke crisis. Wel mag weer in herinnering worden gebracht de klacht des Heeren uit de dagen van den profeet Jeremia : „Want mijn volk heeft twee boosheden gedaan. Mij, den springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken die geen water houden" (2:3). Of zooals we ook lezen : „Zekerlijk Mijn volk is dwaas. Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten ze niet." (4 : 22).
Duitschland geeft weer een bewijs — en waarlijk, het is Duitschland niet alléén ! Mevr. Mathilde Ludendorff, de echtgenoote van den bekenden Duitschen legeraanvoerder, heeft een boek geschreven, dat een 3den druk beleefde en in tienduizende exemplaren wordt verspreid en dat geen ander doel heeft, dan tegen den Joodschen en ook tegen den Christelijken godsdienst den strijd aan te binden, tegen Mozes en tegen Jezus, bewijzende, dat de godsdienst van Jezus en vroeger ook de religie van Mozes, niets anders is dan een verbastering van een oorspronkelijken godsdienst die afstamt uit Indië. Al het Joodsche en ook al het Christelijke wil de schrijfster, die een vrouw van zoo hooge positie is, „uitzuiveren" en zij wil ons weer terugvoeren naar het mooie, oorspronkelijke, dat uit Indië afstamt. Zij wil het oer-germanendom weer herstellen — en de menschen schijnen dat zoó mooi te vinden, dat de pers het druk heeft met exemplaren va; n het beruchte boek te leveren !
Zij schijnt al haar wijsheid te hebben overgeschreven uit een obscuur Fransch werkje — zooals een hoogleer aar bewezen heeft —, maar dat hindert niet; het is weer eens gezegd en het volk leest het blijkbaar gaarne. En de bedoeling is kennelijk, om den haat tegen Joden en Christenen op te wekken. Om den strijd tegen God en Zijn Gezalfde weer opnieuw aan te binden in deze tijden, die toch al zoo vol verwarring en ellende zijn.
„Ze hebben Mijn Woord verworpen", klaagt de Heere.
En dat leidt tot den ondergang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's