De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Staat op de wegen en ziet toe en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij en wandelt daarin, zoo zult gij rust vinden voor uwe ziel.Jeremia 6 vers 16 (midden-gedeelte).

OP DEN TWEESPRONG.
Het leven der menschen op deze aarde is vaak vergeleken met reizigers, die trekken van de eene plaats naar de andere.
Deze reis is de langste, die wij ooit maken kunnen. Terwijl andere reizen meestal van zeer korten duur zijn, duurt deze ons gansche leven lang. Zij begint, zoodra wij geboren worden en zij eindigt, zoodra wij den laatsten adem uitblazen.
Omdat zij nu van zoo'n langen duur is, is het wel van de grootste beteekenis, hoe wij haar volbrengen. Immers, eén reizend leven brengt allerlei gevaren met zich mede. Gevaren te land, gevaren ter zee, gevaren van de natuurkrachten, gevaren van vijanden. Paulus geeft ons daarover een duidelijke beschrijving als hij ons zijn leven teekent.
Er dreigen echter nog veel grootere gevaren als voor het lichaam, namelijk voor de ziel.
Het is de zonde, die tracht te verleiden een ieder, die maar hooren wil.
Het is de wereld, die door haar schijnheerlijkheid op het menschenhart een grooten indruk maakt.
Het is de duivel, die de menschheid vasthoudt, met dikke koorden haar tot zich trekkende. Daarom moeten wij getuigen dat het hart des menschen boos is van der jeugd, af aan.
De mensch, die eens geschapen was ter verheerlijking Gods, bewandelt nu booze wegen, kronkelpaden, die steeds verder van den weg naar de hemelstad afvoeren. Het is een ware doolhof gelijk, waarin het doel der levensreis uit het oog verloren gaat. En uit dat warnet van zonden en verleidingen kan men zich zelf onmogelijk verlossen.
Jeremia beziet deze dwalende menschheid met weemoed in het hart en hij predikt haar den breeden weg in al haar vreeselijke gevolgen en den smallen weg in haar goed einde.
De breede weg voert langs kronkelpaden naar de plaats der smarten, reeds hier op aarde de onrust des levens in haar boezem dragende. De smalle weg, de weg des heils, voert naar de plaats der eeuwige gelukzaligheid. Aldaar is een volkomen rust, waarvan op aarde reeds door Gods Kerk de voorsmaken geproefd worden. Jeremia ziet nu het volk Israël op den breeden weg wandelen en wij allen doen hetzelfde van nature.
Hij noodigt hen en ons even stil te staan en de omgeving te overzien. Hij geeft den raad den reisstaf even neer te zetten en na te denken, immers het gaat over leven en dood. Ziet daar, zegt hij, aan mijn linkerzijde : de weg der zonde met haar vreeselijk einde.
Ziet daar aan mijn rechterzijde : de weg des levens met vrede en zielerust door God er aan verbonden.

Op den Tweesprong.
„Staat op de wegen en ziet toe en vraagt naar.de oude paden, waar toch de goede weg zij".
Jeremia leefde, evenals wij op dit oogenblik, in een tijd waarin op allerlei levensterrein wantoestanden heerschten.
De heiligste goederen, door God aan Israël geschonken, werden met voeten getreden. Met ontzetting vraagt hij : Waar zijn de geboden Gods gebleven ? Bedrog, valschheid en welk een vreeselijke zonden al niet verder ! Te veel om op te noemen ! Zelfs was de band der liefde verbroken.
Niemand bekommerde zich om de verlaten weeskinderen.
Haat en nijd vierden hoogtij. Maar waar lag nu de oorzaak van al dat kwaad ? Er was geen bekeering tot God. Het hart was een bornput gelijk, die zon der tusschenpoozen water geeft. Geen helder water als kristal, maar het was een boos, een bitter, een vergiftigend water. Het hart was ook aldus het gansche lichaam verdervende.
„Staat op de wegen", roept Jeremia nu. Het is tot ieder persoonlijk gericht. Niet een beschouwing over volkszonden wil hij geven, maar persoonlijk wil hij ieder voor zijn zonden plaatsen, ook ons, geliefden, want ieder heeft de zijne.
Ook ons, mijn lezer, roept hij toe : „Plaatst u op den tweesprong !"
Staat even stil te midden van deze rustige, zich voorthaastende wereld.
Beziet het leven dat achter u ligt en het leven dat u nog wacht.
Beziet uw wandelen op den breeden weg. Wellicht hebt ge in uw woning hangen een plaat, waarop in allerlei voorstellingen : „De Breede en de Smalle Weg" geteekend is.
Komt, gaat er eens één oogenblikje met mij voorstaan.
Ziet ge daar die wijde poort ? Het is de poort waardoor wij de wereld binnentreden. Een groote eereboog is gesierd met de woorden „Welkom". Alles wijst er op, dat men u graag ontvangt. Er is niets geen bezwaar om binnen te treden, zoo uw geweten niet anders zou spreken als een stem, van boven u geschonken. Doch een bedwelmingsdrank brengt u in een soort verdooving en het geweten zwijgt en staakt zijn waarschuwend kloppen. Om stap voor stap den breeden weg te volgen, het zou ons te ver voeren. Alleen dit nog. Onze aandacht wordt getrokken door één gebouw, dat in 't oogloopend geplaatst is.
Het is „Logement Wereldzin". Hoog verheft het zich, staat geheel vooraan, ja het is als beheerschende dezen ganschen weg.
Wereldzin beheerscht ook ons aller hart. De aardsche dingen nemen ons vaak zóó in beslag, dat wij de eeuwige vergeten.
Het aardsche fluitspel vindt aandachtige toehoorders. De aanlokkelijke, meesleepende muziekaccoorden sleuren ons zóó mede in vervoering, dat het veel moeite kost er ons aan te ontworstelen.
Iets droevigs, een sterfgeval in de familie, is alleen in staat er ons één oogenblik van los te scheuren.
Bij een sterfbed van broeder of zuster, van vader of moeder, hoort men de klacht: „Wat is het leven ? Het is enkel ijdelheid. Het is moeite en verdriet".
Men verlaat het logement Wereldzin om de werkelijkheid te zien. Doch zoodra de wereldsche muziekaccoorden zich weer doen hooren, keert men weder om mede te dansen in den rondedans om het gouden kalf.
Jammerlijke, diep betreurenswaardige mensch !
Zoekt ge dan uw eigen verderf ? Ja. Weet ge dan niet dat er groot levensgevaar dreigt ?
Het Babel der wereld is gebouwd op een vuurspuwenden krater. Straks zal de aarde, waarop gij vast meendet te staan, zich onder uwe voeten gaan bewegen.
En ge zult met Babel omkomen. De tijdelijke dood zal gevolgd worden door den eeuwigen dood.
Dan zult ge pogen u te redden. Als een arme drenkeling zult ge met de handen tasten naar het middel der behoudenis, met uwe voeten zoeken naar vasten grond. De golven zullen den spot drijven met al uwe handelingen, telkens terugwijkende bij de minste aanraking.
En aldus zinkt deze arme weg in de onpeilbare diepte.
Zullen de golven ook u meesleuren, mijn lezer ?
Uw antwoord, als dit „ja" mocht wezen, moge nog eens veranderen in een beter getuigenis.
Het is nog tijd zalig te worden. Ziet, daar staat een handwijzer, deze wijst u den weg. In de richting van een nauw poortje wijst zij henen met het opschrift: „Leven en Zaligheid".
Als ge daardoor gaat, komt ge op een weg die leidt naar het nieuwe, hemelsche "Jeruzalem, alwaar de eeuwige ruste in een volzaligen geluksstaat geschonken wordt.

De weg ten hemel.
„Vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij en wandelt daarin, zoo zult gij rust vinden voor uwe ziel".
De Heere Jezus Christus sprak in Zijn Bergrede : „Gaat in door de enge poort, „want wijd is de poort en breed is de weg, „die tot het verderf leidt, en velen zijn er, „die door dezelve ingaan. Want de poort is „eng en de weg is nauw, die tot het leven „leidt, en weinigen zijn er, die denzelven „vinden".
De weg ten leven is moeilijk te bewandelen, evenals bij een steil en rotsachtig bergpad. Het moet gaan voetje voor voetje, schrede voor schrede.
Daarbij drukt de Heilige wet des Heeren een zwaren last van ontelbare schulden op de schouders des zondaars, zoodat hij gebogen voortgaat.
Is de breede weg een heirbaan, dit is een smal pad. Doch ondanks de vele moeilijkheden is dit de goede weg. Zij loopt naar het leven en naar de zaligheid.
Reeds hier op aarde, welk een liefelijke vertroostingen mogen Gods kinderen ontvangen uit Gods hand ! Dan steken zij het hoofd weer omhoog.
Het Kruis van Golgotha brengt telkenmale redding, want daar verzinkt hun pak der zonden in het graf der eeuwige vergetelheid.
De rechtvaardigmaking en de heiligmaking, hun toegerekend om Christus' wille, geeft groote blijdschap in het hart.
Een Christen is echter nog niet beveiligd tegen struikelen. Daarom niet te snel loepen, niet te haastig, gij ware geloovigen ! Er liggen tal van steenen op uw weg : steenen van eigen ik, steenen van ongeloof, steenen van werelddienst, steenen van eigengerechtigheid enz.
Gij zult daarover gewis vele malen struikelen, doch Eén is er, die u weder op kan richten. Het is uw Verlosser.
Wordt niet moedeloos, ziet op andere geloovigen, ziet op de Bijbelheiligen : Abraham, Izak, Jakob, koning David en zoo vele anderen.
Zondaren bleven zij tot aan den dood, maar zondaren, gereinigd van alle zonden.
Zwak als dolende schapen, tot afdwalen genegen, maar welk een liefde betoont hun de Goede Herder. Hij beschermt hen en geeft hun den rijkdom Zijner genade te smaken.
Ware geloovigen ! als ge dit leest, 't gaat van zwakheid tot zwakheid, maar ook van kracht tot kracht.
Het zijn oude paden. En iets, dat oud is. is beproefd ; dat kan den toets doorstaan. Die weg is gebleken de weg te zijn. Zij is de weg, door Christus gebaand, de weg der genade.
Die genade is echter niet te verkrijgen zonder strijd. Alles verliezen is het bevel, en dat is dus al wat van u Is. Veel moet dan gestreden worden, telkenmale opnieuw :
„Al is één kampstrijd doorgestreên, Nog moet het door veel meerdere heen".
Soms moet ge gesteld worden voor brieschende leeuwen en gapende afgronden, opdat gij alleen het zoudt verwachten van den Verlosser van zondaren.
Paulus raadt dan : „Doet aan de wapenrusting Gods : het borstwapen der gerechtigheid, het zwaard des geestes, het schild des geloofs". Dan zult gij overwinnen en zonder wonden komt ge uit den strijd.
In die wapenen zult gij kunnen delen.
Wandelen is een teeken van rust. Christus strijdt voor u en nu is er die volle rust, dat niets u deren kan.
Hier op aarde blijft het nog slechts een ten deele kennen, maar als de laatste vijand overwonnen is, en de doodstrijd is gestreden, dan volgt er een zalig binnentreden door de hemelpoorten, om de eeuwige ruste in al zijn volheid te ontvangen.
Mijn lezers.
Allen zijn wij reizigers naar de nimmer eindigende eeuwigheid. Wat is nu het doel van Uw reis ? Is het Babel of Jeruzalem ?
Van uw antwoord hangt af leven en dood. Als de doodsrivier overgetrokken is, zou Christus gereed staan om u te ontvangen ? Maar twee antwoorden zijn mogelijk : ja of neen.
Is het nog : Neen ? Komt, stelt u op den tweesprong ! Bidt: Heere, bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn. Bidt: Gena, o God, gena, hoor mijn gebed! Bidt een tollenaarsbede : „O God, wees mij zondaar genadig !" Zegt niet: „Het is nog tijd genoeg om zalig te worden". Menig vriend of kennis van u dacht hetzelfde en een ziekte kwam en het ziekbed werd een sterfbed.
Als de geneesheer dan zegt: het loopt op een einde. Als de familieleden dan zeggen : hij is stervende !
Voor de poorten der eeuwigheid, en dan geen Borg en Middelaar ! Wat dan ? Wij roepen u nog toe met den profeet uit het heden der genade : „Staat op de wegen en ziet toe en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij en wandelt daarin".
Menig Christen moet echter ook getuigen : Uw vraag is zoo moeilijk ! Het geloof, de zekerheid een Borg te hebben, ik heb het niet altijd. Ik weet dat mijn ongeloof God-onteerend is, ja zeer zondig zelfs is. En ik weet ook, dat Hij waardig is gediend te worden.
Gij, bewandelaars van het smalle pad, blijft er niet één hope over ? Hij zal u toch niet alleen doen staan ? Neen, Hij heeft u meer lief, dan gij Hem ooit hebt liefgehad.
Houdt vast aan die hope, zij is u toebetrouwd als een kostbaar pand. Hopende zal Christens hoofd boven water houden, zoodat hij niet wegzinkt in de diepte der wateren.
Die Hope gaat eens in vervulling bij het zalig aanschouwen.
In Hope zalig worden.
En daarom, arme Christenhart, Al leeft gij nu in zooveel smart. Al moet gij zuchten, steenen, klagen. Bij Jezus eeuwiglijk te zijn; Vergeten doet de grootste pijn En geeft na droeve, blijde dagen.

Bleiswijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's