De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

TOEN GELOOFDE HIJ.

11 minuten leestijd

Handelingen 13 vers 12m.

Handelingen 13 vers 12m. Niet alle rekensommen komen uit. Er zijn er met een repeteerende breuk, en dan kunt ge doordeelen, doch er komt geen einde aan. Al wordt het verschil steeds kleiner, toch lost het zich niet op.
ner, toch lost het zich niet op. Er zijn ook onberekenbare sommen. Als er opgegeven wordt, om telkens één te tellen bij een zeker getal, dan zult ge aan de billioenen en trillioenen komen, ge zoudt de eeuwigheid noodig hebben, als ge er mee door kondet gaan.
De rekenkunst wijst reeds op het onberekenbare, het onbegrijpelijke, op het eeuv/ige en daarmee op den Eeuwige, op God.
In het geestelijke leven zijn er, die met het onberekenbare niet rekenen, die de geestelijke rekenkunst niet verstaan. Dat zijn de goddeloozen, die het paradijs zonder God op aarde willen brengen, die meenen, als zij kerken sloopen of verbranden, met den Heere, den Eeuwige te hebben afgerekend. Zij gelooven in Hem niet, ondanks de teekenen die Hij doet, waarom Hij hunne oogen verblind heeft, en hun hart verhard.
Ook Christenen rekenen wel eens buiten den Eeuwige om. Vooral als zij de orkaan van het ongeloof zuchtende afwachten, vervuld met vrees, en niet minder als ze geheel tegen den Geest van Christus ingaande, in den onnoozelen waan verkeeren, dat de Heere buiten hun kring geen genade verspreidt.
Onze tekst weerlegt deze dwaasheden. We hebben hier te maken met een Romeinschen pro-consul, den Stadhouder Sergius Paulus, die te Paf os op Cyprus woonde, en blijkbaar, al was hij oorspronkelijk een ongeloovig heiden, een nauwgezet onderzoeker van de Waarheid was. Het heidendom op dat eiland was oppermachtig. Aphrodite had hier haar hoofdzetel, en was de vereerde godin. Onnoodig te zeggen, dat de geestelijke verwording en zedelijke barbaarschheid van het volk onder zulk een godsdienst vreeselijk moest zijn. Het was daar een bolwerk van bijgeloof, een vesting van den Satan met het wapentuig van vergoddelijkte zinnelijke lusten.
Hier verschijnen de Zendelingen, de apostelen Barnabas en Saulus. Wij zouden als de Pharizeërs in Jezus' dagen wellicht laag neergezien hebben op die ver dierlij kte schepselen, en gedacht hebben, dat de Heere zich met zulken niet bemoeien zou. De apostelen redeneeren zoo niet. Zij druk­ ken Jezus' voetstappen en zoeken het verlorene, verbinden de gebroken harten, prediken boete en bekeering, verbinden de door schuld verslagenen. Zij hebben Zijn Woord ter harte genomen, dat ook hoeren en tollenaren voorwerpen zijn van goddelijke genade, waarin de Heilige Geest krachtig arbeidt. Zoo min de landman zijn rug keert naar zijnen akker, omdat deze vol onkruid is, maar hem beploegt en bearbeidt, om het zaad er in te strooien, zoomin deinzen de apostelen terug voor de goddeloosheden op Cyprus. Zij prediken. Zij pleiten voor den troon der genade. Zij zoeken het behoud der zielen, als Abraham de redding van Sodom. Waarom zouden ze wanhopen ? Had de Heilige Geest hen niet uitgezonden ? Zou de Heere niet zorgen dan, al was hun weg zóó eenzaam, als die van Philippus naar Gaza, waar toch ook de kamerling gevonden werd ?
En dan Joses, die den bijnaam van Barnabas, zoon der vertroosting, droeg, was zelf een Leviet van Cyprus, die gaarne zijn medemenschen wilde doen deelen in zijn eigen geluk. De liefde is mededeelzaam. Wie wd, s ook beter geschikt tot dien arbeid dan hij, die de gewoonten der inwoners kende ?
En Paulus, zou hij wanhopen ? Had ook hij geen genade ontvangen ? Hij, die juist om zijn zonden in eigen oog de minste der apostelen was, en die zich als een veroordeeld zondaar voor God had leeren kennen, was vol medelijden voor die onwetenden.
Wat een rijke les voor ons, die de verloren zonen zwijnendraf zien eten, maar zoo weinig denken, gelooven, dat de verloren zoon terugkeerde naar zijn vader, dat er redding is voor die snoode zondaren.
Wat een rijke troost voor de verst af gedoolden, te weten, dat de Heere het verlorene zoekt en de zonden bedekt. De beroemde schilder Apelles schilderde het portret van Alexander, en bedekte met zijn vinger het litteeken op zijn wang, opdat 't niet gezien zou worden. Zoo bedekt de Heere de zonden ook, zoodat ze niet gezien worden. Hij begraaft ze in den oceaan Zijner liefde.
Tot dat geloof van Sergius Paulus gebruikte de Heere middelen. Het voornaamste was wel de vijandschap van Bar-Jezus, den toovenaar, Elymas, die den Stadhouder van het geloof zocht af te keeren.
Natuurlijk is de haat van den booze verschrikkelijk. Wie duldt het, als rechtgeaard zoon, dat zijn hooggeschatte vader wordt beleedigd ? Wie wordt niet treurig gestemd als hij den jammer verneemt van de haters van Gods Woord, dat het nog niet zoover gekomen is dat het Christendom is uitgeroeid ? Wie wordt niet ontroerd, als hij den Heere vreest, wanneer den naam des Heeren smaadheid wordt aangedaan ?
En toch, geen duivel is zoo gevaarlijk als geen duivel! De vijandschap is een teeken van Gods arbeid.
Hier hebt ge Elymas. De duivel gebruikt hem. Hij heeft hem noodig. Zijn terrein wordt aangevallen. Hier heeft hij een uitnemend wapen. Elymas Is aan het hof. Elymas noemt zich Bar-Jezus, maar heeft met Jezus niets gemeen. Die naam van Jezus, van wien door de geloovige Joden op Cyprus Sergius Paulus wel gehoord heeft, als den machtigen Wonderdoener, gebruikt hij zeker om den Stadhouder te doen gelooven in zijn eigen glorie. Zoo doen zoovelen, die door het Christendom groot willen worden, maar den Zaligmaker verwerpen.
Waar is de dank van de opstandigen in ons vaderland voor de vrijheid, die ze door het Christendom verkregen hebben ?
De ware vrijheid, gelijkheid en broederschap ligt in het Christendom, niet bij het ongeloof.
Elymas heeft grooten invloed gekregen door het vertoonen van zijn kunsten en zijn bedrevenheid in toovenarij, door leugen en bedrog. Nu komen Barnabas en Saulus de waarheid prediken, waardoor zijn leugen ontmaskerd wordt. Zijn invloed moet tanen. Dat begrijpt hij. Zijn plaats aan het hof zal hij moeten verlaten. Hij zal gedegradeerd worden. Alle krachten spant hij in om dit te verhinderen. O, dat hoogmoedige hart, dat eigen ik, die eigen gemaakte troon, hoe speelt dat alles nog menigeen parten in Kerk en politiek en elders. Hoevelen bestrijden heden nog niet de Waarheid, uit vrees, dat ze van hun hoogheid zullen worden neergehaald !
Dwaze Elymas ! Dwaze mensch ! Wat zijt ge te beklagen, want wie tegen den Heere krijg voert, heeft smart op smart te vreezen. Hij is een vijand van zijn eigen ziel. De Heere zal Zijn haters wijd en zijd verstrooien, en doen zuchten onder Zijn toorn. Hij zal ze op den weg doen vergaan. Geluk zullen ze niet kennen, en kennen ze ook niet. ledere Goliath wordt geveld en de afgrijselijke onverschiligheid van die hoogmoedigen en verdwaasden en verdoolden baat hun niet. De trotsche vijand, die de zielen zocht af te houden van het geloof, zal sidderende vluchten.
Maar waarom laat God zulken begaan ? Waaïom roept Hij het halt aan deze zondaars niet toe ?
Waarom ? Maar waarom liet Hij de muiters Korach, Dathan en Abiram in Mozes' dagen toe te muiten ? Waarom stonden een Jannes en Jambres diezelfden Mozes tegen, en werd hunne uitzinnigheid niet direct openbaar ? Waarom zegevierde Herodes en het Sanhedrin over Jezus ? Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid ? Waarom regeerde de Satan Saulus van Tarsen ? Waarom toont hij zijn macht bij u, worstelende ziel ? Opdat de Heere zal toonen dat Hij de Almachtige is, en zelfs de Satan Hem niet kan wederstaan.
Hier zien we het bij den verachter van God en Zijn Woord, bij Elimas, die met blindheid geslagen wordt.
Sergius Paulus ziet het ook. Toen geloofde hij.
Toen, toen hij zag met welk een macht de apostelen door hun Zender bekleed waren. Toen, toen hij getuige was van den moed, die de apostelen bezaten, die goddelijk moest zijn.
Saulus, vervuld van den Heiligen Geest, sprak Gods oordeel over Elimas uit en de Stadhouder vreest 's Heeren macht en dient voortaan Zijn Majesteit.
Neen, de tegenstand zegeviert niet. De listen en lagen, de voorname plaats aan 't hof baat Elymas niet! Het kind des duivels, vol van alle bedrog en arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, verliest het, al bedenkt zijn hart verwoesting en spreken zijn lippen moeite.
Goddeloozen, spiegelt u aan hem. Zijn tegenstand geeft voorspoed aan 't kruis, evenals Herodes' vijandschap het Evangelie deed uitbreiden buiten Palestina, en het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.
Schep moed, gij aangevochtene ! Uw hiel mag gewond worden, Christus heeft den kop van den Satan vermorzeld ! Voed het vertrouwen op den Heiland, als uw ziel zich nederbuigt in u. De victorie is des Heeren, en zelfs Zijn vijanden werken er aan mede.
De Stadhouder geloofde. Wat een wonder van genade ! Wat een bijzondere, roemrijke overwinning voor het Koninkrijk Gods !
Het is altijd schoon, heerlijk, als een zondaar bekeerd wordt, maar als een man van invloed, als Sergius Paulus, wordt begenadigd, is het dubbel heerlijk. Als menschen als hij en de kamerling tot geloof komen, geeft dit goede hoop voor den voorspoedigen gang van het Evangelie. Gelukkig het volk, dat een vorst heeft, die den Heere vreest I
Saulus heeft dat wonder van genade zeker nooit vergeten. Het was ook voor hem een aansporing om moedig voort te gaan, een bewijs, dat de Heere met hem was. Er zijn er, die meenen, dat hij den naam van Paulus voortaan droeg ter herinnering aan de bekeering van dezen Sergius Paulus. Voortaan heet hij bijkans altijd in het boek der Handelingen Paulus.-Natuurlijk is de Geest des Heeren het.
Die zijn geloof werkt. Maar aan de andere zijde is toch het geloof werkzaam, en werkt de Heilige Geest het ook hier door de prediking van Zijn Woord.
Het staat vast, dat velen niet doorbreken in het geloof, omdat ze niet luisteren naar hetgeen de Heere hun te zeggen heeft. Misschien is het beter te zeggen: niet door luisteren. Want vele verontruste zielen hooren wel den donder der wet, wat geen wonder is, als een zondaar zichzelf leert kennen. Ze leven wel in slaafsche vrees, maar luisteren niet naar de prediking van Christus, die de armen van geest zalig spreekt. Oordeel en doem klinkt hun tegen, maar niet het ruischen van een zachte koelte. Ze letten niet op het Gethsémané des gebeds, het Gabbatha der veroordeeling, het Golgotha van den vloek, op den Borg, Die de schuld betaalt, het offer der verzoening bracht. Of, het moet zijn voor anderen, maar niet voor hen zelf. Waarom dan niet voor u, die u schuldig weet, die belijdt uit de werken der wet niet, gerechtvaardigd te kunnen worden ? Staat het dan daar niet ruim genoeg in Gods Woord : „Die in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven" en dat „een iegelijk die in Hem gelooft niet zal verderven" ?
O, als de Heere meer in Zijn heerlijkheid werd gekend, wat zou dan het leven gemakkelijker worden ! Het zuchten en geween over de zonde is een natuurlijke zaak bij  het wedergeboren worden. Maar de Heere, die leert zuchten om de zonde, zegt ook dat die belijdenis doet van zijn overtredingen, vergeving van de ongerechtigheid zijner zonde krijgt, en dat hij, die den Heere vertrouwt, door de goedertierenheid omringd zal worden. Hij roept: „verblijdt u in den Heere en verheugt u, gij rechtvaardigen, zingt vroolijk allen, gij oprechten van harte !"
Belijden wij, vertrouwen wij ?
De Stadhouder deed het. Hij zag dat zijn leven de verkeerde richting was uitgegaan, hij geloofde nu in den Heere.
Neem een voorbeeld aan hem. Hij maakt bij de overtuiging der waar heid geen bezwaren meer, maar geeft zich over. Hij werpt de wapens neer, hij hijscht de witte vlag. Hij weet zich veilig bij Jezus. Hij rust aan Zijn hart. Daar is vrede in zijn ziel. Hij draagt geduldig en gelaten zijn lot. De Heere weet, wat goed voor hem is.
Hier hoort ge geen indien's en maar's. Hij zegt niet „indien gij wilt", „indien gij kunt". Dit is ongeloof en bedroeft den Heere. Kan God niet ? Hij, die het licht formeerde op Zijn machtwoord, Die de aarde aan een niet hangt. Die den dood verslond tot overwinning ? Wil Hij niet ? Hij, I Die in de stille eeuwigheid reeds liefde tot Zijn schepsel had, Die in het Paradijs de belofte, in de volheid des tijds Zijn Zoon gaf ? Wil de Heiland niet, Die zondaren roept tot bekeering, Die zegent, en bidt, en stierf voor zondaren ? O, beleedig den Heere niet in Zijn Majesteit en Zijn Ontferming.
Nog eens : zie naar Sergius Paulus. Cyprus is niet alleen een naam voor een eiland, maar ook voor een bloem, die aangenamen geur verspreidt. Oude Christenen droegen ze in kransen om den hals. Zoo noemt Jezus in het Hooglied Zijn liefste een tros van Cyprus. Ziehier nu het heerlijkste. De geloovige heeft zaligheid voor zichzelf, maar is wonder boven wonder ook een sieraad voor den Heere. Hij, die zwart van zonde is, is een diamant in de kroon van Christus. Amen.

Rouveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's