KERKELIJKE RONDSCHOUW
ALLE HANDEN AAN 'T WERK.
We gaan een nieuwen jaargang van ons Bondsblad tegemoet. Straks, Donderdag 3 December verschijnt het eerste nummer van den 23sten jaargang. En nu begrijpt ieder wel, wat we bedoelen met „alle handen aan 't werk."
Als ieder eens één abonné won ! Als in tal van onze gereformeerde gemeenten het aantal lezers eens werd uitgebreid ! Wat zou het heerlijk zijn.
En het kan best — als men maar wil. Of is het juist in deze bange tijden, nu het meer en meer zal moeten gaan om de geestelijke dingen, niet noodig, dat we onzen kring uitbreiden ?
In onze dorpen, op het platte land, zijn veel te weinig lezers. Daar zouden er honderden méér kunnen zijn. En die in onze Gereformeerde Waarheid belangstellen mogen daar toch niet achterblijven. Ook in de steden, de grootere en de kleinere centra's van ons land, moet het aantal noodzakelijk worden uitgebreid.
Wie wil ons helpen ? Wie wil ons adressen opgeven, opdat gedurende vier weken gratis een nummer van „De Waarheidsvriend" kan worden gezonden ? En wie wil eens moeite doen om hier en daar een abonné te winnen ? Men schrijve naar het Bureau van Administratie der Waarheidsvriend te Maassluis.
Alles wat men voor onze courant doet, komt onzen fondsen ten goede. Daarom is het waarlijk de moeite waard om hier een handje mee te helpen!
Dat het met onze fondsen en met ons Bondsorgaan zoo goed gaat, zy ons een aansporing te meer, om de handen uit de mouwen te steken. We behoeven niet te werken voor een verloren zaak. We mogen meewerken aan een zaak, die van den Heere zoo rijk, zoo wonderrijk gezegend wordt.
Is dat niet een voorrecht? Moet dat ons niet tot vreugd zijn en tot een eer? 't Is Godes zaak, waarvoor wij strijden ; voor Kerk en Volk. Welnu, laat ieder, die maar eenigszins kan, een handje meehelpen.
De nieuwe jaargang moet met een groot aantal nieuwe abonné's beginnen ! Eendracht maakt macht. Gelijk helaas ! tweedracht verzwakt en moeite en verdriet brengt. Daarom zij ons parool: waken — bidden — werken.
HET VREDESVRAAGSTUK EN ONS GELOOF.
Fijn, zooals prof. dr. Aalders, hoogleeraar in de godgeleerdheid te Groningen, dat zeggen en schrijven kan, heeft deze geleerde inzake het vredesvraagstuk, en daarin het oorlogsvraagstuk enkele dingen naar voren gebracht, die we hier overnemen.
Hij zei: We moeten, als het gaat over vrede en oorlog, over militairisme en pacifisme, wél onderscheiden. Het gaat om de beginselen, niet over speciale vraagstukken. Niet over een bepaald geloof, maar over het Christelijk geloof in het algemeen. Ook niet over een bepaalden oorlog, maar over den oorlog in het algemeen, als gewapende ontmoeting der volken, als middel om met geweld tusschen hen te beslissen.
Hoe staat ons Christelijk geloof tegenover deze zaak ?
Het geloof maakt onderscheid tusschen de bedeeling waarin wij leven —en de toekomende ; tusschen het Koninkrijk Gods en den aardschen staat. Men mag niet doen, alsof het Koninkrijk Gods hier en nu nog niets te beteekenen heeft en alléén voor de toekomst geldt.
Men mag ook niet doen, of het zonder meer hier kan worden verwezenlijkt.
We leven in een „interim", in een tusschen-en overgangstijd ; in een toestand van voorloopigheid, waarin wij met de werkelijkheid moeten rekenen, waarin God ons geplaatst heeft. Wie Staat zegt, zegt nu eenmaal de mogelijkheid van oorlog.
Daarom moet de oorlog zooveel mogelijk worden bestreden, direct en indirect, in zijn uitingen en vooral in de gezindheden, die hem te voorschijn roepen. Hij moet ook zooveel mogelijk worden voorkomen. Maar dat is iets anders, dan te verklaren : het is uit met den oorlog voor mij en voor mijn volk.
De liefde kan het recht niet missen, zoomin als de drang den dwang. Wij moeten rekenen met het verschil tusschen wat in beginsel, in hope, is geschonken en wat in feite hier en nu daarvan reeds bereikt en bereikbaar is.
Maar als ooit geweld wordt gebruikt, moet die staan in dienst van het recht en worden toegepast als alle andere middelen falen.
SOLIDAIR.
Dat is een vreemd woord. Maar het is zóó ingeburgerd dat we elkaar direct begrijpen wat we bedoelen. De Socialisten willen solidair zijn en samen optrekken.
Ze willen èèn gemeenschap vormen. Hun leuze is : „Proletariërs van alle landen, vereenigt u".
De Bond van God-loozen, die z'n basis en werkplaats in Rusland heeft, roept alle atheïsten, communisten, bolsjewisten óp en werkt er voor dat in alle landen cellen gebouwd worden, van waaruit de ongeloofs theorieën kunnen worden verkondigd.
Vooral met de groote Christelijke feesten willen de God-loozen, die God dood verklaard hebben en nu de heele wereld Godloos willen maken, al hun krachten inspannen om als èèn groote gemeenschap over alle landen uit te komen met een krachtige ongeloofspropaganda. Wat ook met het komend Kerstfeest blijken zal. En de tijdsomstandigheden, nu er veel ellende, veel werkloosheid, veel ontevredenheid, veel zorg gevonden wordt onder de menschen in alle landen, zijn hun actie gunstig. Laten we daarmee maar rekening houden. En de voorgevechten in Amsterdam en elders bewijzen, dat er iets op komst is, dat goed voorbereid is en dat een huiveringwekkende kracht zal ontwikkelen, 't Gaat gemeenschappelijk tegen alle aardsche machten, 't Heeft tot doel alles onderstboven te werpen. Want er komt dan allicht — zegt men — iets beters te voorschijn dan er nu is. Andere maatschappijvormen wil men. En daartoe wil men alles omkeeren en onder den voet loopen. Waarbij de haat tegen God én Christus, tegen de Kerk en het Woord met felheid zal oplaaien, om zoo mogelijk de massa op te stoken, dat ze zullen roepen : er is geen God — weg met den godsdienst — weg met de Kerk !
Wij willen niet opwekken om tegen-optochten, tegen-betoogingen enz. te houden ; om extra manifesten en prolamaties te verspreiden. Maar wij willen wèl opwekken om ons als Christenen óók solidair te betoonen. Misschien is God bezig om ons door de droeve tijdsomstandigheden wat dichter by elkaar te brengen, waar de verdeeldheid en de verscheurdheid nu zoo jammerlijk groot is.
Wij willen óók opwekken tot trouw kerkbezoek overal. Waar de wereld op èèn hoop loopt op straat, in de bioscoop, in de volksvergadering, daar betoone de Gemeente van Christus, jongen en ouden, zich solidair, om saam allen getrouw in deze weken op te gaan naar Gods huis. En de dienaren des Woords zullen het hebben te bedenken, dat zij in deze tijden, niet op reclame-achtige wijze (de Heere beware er ons voor), maar in diepen ernst de Gemeente hebben te leeren en te leiden naar den Woorde Gods, jongen en ouden wijzend op de vreeselykheid der zonde, op de schrikkelijke vruchtgevolgen van het kwaad — maar óók op den weg ter ontkoming, in den weg, dien Israels trouwe Bonds-God altijd weer aan Zijn volk heeft voorgehouden, waarvan in Jezus Christus óns de heerlijkste openbaring is gegeven. Want „de Heere heeft in deze laatste dagen tot óns gesproken door den Zoon" (Hebr. 1 vers 1).
Hebben wij misschien te veel gedogmatiseerd ? Hebben wij misschien te weinig levensleer gegeven ? Is de prediking misschien te eenzijdig geweest, terwijl het leven des Christens zoo veelzijdig is ? Hebben we er genoeg acht op gegeven dat de Wet ons in het stuk der dankbaarheid als regel voor het leven, als gids voor de nieuwe gehoorzaamheid wordt voorgelegd ? En hebben we in onze verhouding tot God, in onze verhouding tot onzen naaste en de samenleving, in onze verhouding tot onszelf misschien te weinig gevraagd : „Heere, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend" ?
Wij hebben meer dan eens bemerkt, dat er waarlijk nog menschen zijn die zich druk maken over de vraag of we moeten lezen en zingen : „Heer, ai maak mij Uwe wegen" of dat het moet luiden : „Heere, ai maak mij Uwe wegen". En er zyn waarlijk nog dominé's, die de menschen in zulke dingen sterken, omdat ze zoo gaarne „getrouw" willen zijn.
We hebben meer dan eens gemerkt, dat er waarlijk nog menschen zijn die zich druk maken over de vraag of het moet zijn : , .Heer, ai maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend" of dat het eigenlijk moet zijn: „door Uw Geest en Woord bekend". En er zijn waarlijk nog dominé's, die de menschen in zulke dingen sterken en heele verhandelingen houden over „de schennis van het heilige", als we zeggen „Woord en Geest" in plaats van „Geest en Woord".
De wereld bloedt uit duizend wonden. En de Heiland, die op aarde is gekomen om zondaren te verlossen, om een schuldig volk met God te verzoenen en daartoe de zonde der wereld op Zich genomen heeft en de zonde Zijns volks verzoend heeft — die Heiland heeft in het midden van de lijdende menschheid aan zieken de hand gereikt en heeft hen genezen, aan hongerigen brood gegeven en hen verzadigd, melaatschen aangeraakt en hen gereinigd, lammen de hand geboden en hen opgericht, intusschen predikende het Koninkrijk Gods, zeggende : dat Koninkrijk is nu gekomen in uw midden.
Zóó zouden we de Christenheid, zoo zouden we de Kerken willen opwekken om solidair te zijn in deze tijden vooral, opdat het blijke dat ons de woorden Gods zijn toebetrouwd, dat het Koninkrijk Gods in ons midden is, dat we in den naam en in de kracht van onzen Heere en Heiland Jezus Christus aan de wereld hulpe kunnen en willen bieden.
De Heiland heeft ons ook in deze een exempel nagelaten en het zou heerlijk zijn wanneer wij in Zijne voetstappen mochten wandelen. Indien wij mochten kennen de vertroosting van het heil, dat in Hem is geopenbaard, tot verzoening van onze zonden en tot vernieuwing van ons leven, om in geloof en liefde te wandelen.
Laat dan alom de Gemeente des Heeren worden opgewekt tot getrouwheid — om getrouw Gods huis te bezoeken, om getrouw te zijn in gebed en werk, om getrouw te zijn in het belijden van 's Heeren Naam en het doen van Zijn wil naar luid van de beide tafelen der Wet: God liefhebben èn "onzen naaste liefhebben.
Daarin solidair te mogen zijn als belijders van den Christus, dat zou heerlijk zijn.
VERZOEKINGEN.
Leven we niet in een tijd van verzoekingen ? Is het gevaar niet groot, af te wijken van de wegen des Heeren ? Dreigt niet van alle kanten, dat men zelf wel zal gaan uitmaken hoe men zich het best door het leven slaan zal, nu het leven dikwijls zoo moeilijk is ; nu de raadselen des levens velen zijn ?
Toch weet de Heere alleen wat goed voor ons is. En daarom zal — hoe moeilijk de tijdsomstandigheden ook kunnen zijn en hoe moeilijk ze ook wellicht straks zullen worden — het alléén goed en veilig zijn, wanneer we maar mogen vragen, wat de wil des Heeren is, om door genade in de vreeze Gods zich naar dien wil te voegen. "Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vrees van Uwen Naam" — mogen we wel dagelijks bidden. Om te leeren onzen wil te verzaken en Gods wil te doen.
Toen de Heere den mensch geschapen had, heeft God hem opgenomen in een verbond. God heeft Zich daarbij Zelf bekend gemaakt en aan den mensch het eeuv/ige leven geschonken. Daarbij hield God den mensch den weg der zaligheid voor en waarschuwde hem om van dien weg niet af te dwalen en niet in andere wegen te gaan wandelen. In geloof, en gehoorzaamheid moest de mensch wandelen en zóó zou hij het eeuwige leven beërven. Het „proefgebod" is dan ook niet een „verzoekingsgebod". Het is veeleer om den mensch den weg der zaligheid te wijze. In gehoorzaamheid en liefde moest de mensch wandelen ; in geloof en volharding den weg der zaligheid loopen, om te beërven het eeuwig zalig leven. Hij stond in den weg der zaligheid en daarin moest hij in geloof en in gehoorzaamheid blijven, volhardende tot het einde.
De zonde als ongehoorzaamheid is daartusschen gekomen en in ongeloof heeft de mensch den weg der zaligheid verlaten, om den weg der zonde en des doods te kiezen.
Waarbij nu Jezus Christus, als de Zoon des menschen, als de tweede Adam tusschenbeide gekomen is om Gode alle gehoorzaamheid te bewijzen, de gansche Wet te vervullen en in geloof en liefde te wandelen.
Jezus voldoet aan de voorwaarde der Wet en heeft haar eisch vervuld, waarom voor degenen, die in Hem gelooven, geen overtreding der Wet is, maar volkomen gerechtigheid, met de erfenis van het eeuwige leven.
Daarom is Jezus het middelpunt voor alle zondaren, van alle taal en volk, van alle eeuwen en jaren, die een open oog mogen ontvangen voor eigen verlorenheid en verdoemelijkheid, om in Hem te zien den volmaakten, algenoegzamen Borg en Middelaar van Sion, Die nog altijd zegt: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven".
Onder de schaduw van dien Boom des Levens is het heerlijk rusten !
Maar juist om die oorzaak kan het ons niet verwonderen, dat Hij, Die gekomen is — niet om de Wet Gods te ontbinden en buiten werking te stellen — doch juist om die Wet heilig te houden en haar te vervullen, door den Satan van alle kanten is verzocht, om te vallen in de zonde van ongeloof en ongehoorzaamheid. Als Jezus, gezalfd met den Heiligen Geest, als de Ge zondene des Vaders op aarde komt om de plaats in te nemen voor een zondig volk, en in den weg der gehoorzaamheid en des geloofs voor de Zijnen gerechtigheid en zaligheid te verwerven — wordt Hij door den Satan, de vorst der duisternis, de overste der wereld, de menschenmoorder van den beginne zijnde, aanstonds aangevallen en in de grootste moeite gebracht. Waarbij de toeleg is : of de Zoon des menschen, de tweede Adam, die als Slons Verlosser optreedt, mogelijk in ongeloof en in ongehoorzaamheid zou vallen, als de raadselachtige, moeilijke levensomstandigheden Hem het voortgaan op den moeizamen weg op deze zondige aarde, wellicht zwaar zouden doen vallen.
Daarvan weet de Duivel, d.i. de booze hellegeest, die lasterlijk valsche geruchten verspreidt, de geest, die „tegenpartij der" genaamd wordt (Zach. 3 vers 1, 2 ; Job 1 vers 6), listig en handig gebruik te maken. En niet zoodra is de Zoon des menschen door den Heiligen Geest weggeleid (Matth. 4 vers 1), gedreven (Markus 1 vers 12) naar de woestijn, waar de Vader Hem dus hebben wil, om daar in Zijne wegen geoefend te worden, of de Duivel is er bij om tot Hem te spreken, op hetzelfde oogenblik als Hem hongert.
Als het zoo raadselachtig wordt, dat de Zoon van God hier op aarde als plaatsbekleedende Borg en Middelaar van een arm zondaarsvolk in een weg van honger, van moeite en lijden, moet wandelen — is de Satan, de menschenmoorder van den beginne, er bij om den Zoon des menschen te schudden in Zijn geloof en te verleiden tot ongehoorzaamheid. Hij komt „in eigen persoon" tot den Heiland, Die Zich 40 dagen geoefend heeft in geloof en gehoorzaamheid, om, nu Hem hongert, te verzoeken en zoo mogelijk te brengen tot de zonde : uit den weg Zijns Vaders uit te gaan en naar andere middelen en wegen om te zien. Zich Zelf helpende tegen den wil Zijns Vaders ingaande.
De Duivel weet het juiste oogenblik te kiezen.
In den raadselachtigen toestand, waarin de moeilijkheden niet weinige zijn, vindt hij, de vader der leugen, dikwijls de oorzaak om aan te vallen. Opdat wij bij de raadselachtige levensomstandigheden zullen komen tot ongeloof en ongehoorzaamheid ; om eigen middelen en wegen te gaan gebruiken en te gaan bewandelen, met verwerping van Gods geboden en verachting van Gods wegen.
Jezus had honger. En dat geeft den Satan aanleiding. Hem te wijzen op het ongerijmde van dien toestand, daar Hij, Die toch Gods Zoon is, geen gebrek behoefde te hebben. Hij behoefde maar één woord te spreken en er was brood te over. Of was Hij misschien niet de Zoon van God. ?
Zoon van God te zijn en honger te moeten lijden, paste immers niet bij elkaar ? ! En een Zoon van God, Die niet bij machte was brood te maken van een steen , neen, dat kon niet.
Hierin ligt een wezenlijke verzoeking. Want Jezus is waarachtig mensch. Hij moet leeren door geloof te leven. In volkomen vertrouwen op den Vader. Wat Zijn Vader van Hem eischt, is goed, ook al gaat het tegen vleesch en bloed in. Ook al zal Hij later bidden: „Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbij gaan ; doch niet Mijn wil. Uw wil geschiede".
Zal Hij dus hier in de woestijn, nu Hij honger heeft, van Zijn eigen goddelijke macht gebruik maken om van 'n steen een brood te maken ? Zal Hij eigenmachtig en eigenwillig doen wat Hem behaagt, daarbij den weg Zijns Vaders, waarin Hij door den Heiligen Geest gebracht was, verlatende en den wil Zijns Vaders wederstrevende ?
Maar Christus wederstaat den Satan. De aanval van den Booze wordt afgeslagen.
De Heiland wandelt aan de hand Zijns Vaders, óok in de woestijn, óok als Hem hongert.
Hij heeft niet allereerst brood noodig.
Hij heeft God noodig. Hij heeft Zijn Vader in den hemel noodig.
Gods Zoon zijnde, begeert Hij in geloof en in gehoorzaamheid te wandelen; Hij. houdt Zijn God vast. Hij blijft in Gods weg — en Hij wederstaat den Booze. Ook te midden van de moeilijkste levensomstandigheden heeft Hij niet allereerst en allermeest behoefte aan brood, maar allereerst en allermeest heeft Hij behoefte aan God, aan Zijn Vader in den hemel.
En dichtbij God blijvend — wordt de aanval van Satan, ook waar zijn kansen gunstig stonden in de woestijn, in het hongerland, afgeslagen.
In geloof en gehoorzaamheid wandelt Hij. Ons een exempel, een voorbeeld, nalatende.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's