NAJAARSLAAN.
Ik keek in de gouden heerlijkheid Van een najaarslaan. Het was of ik goudene deuren wijd Zag openstaan. Het werd mij, toen ik binnenging. Of ik door gouden gewelven liep: Ik aarzelde even, ik ademde diep, Diep van verwondering. Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout Doet wat verboden is ; Ik sprak : „Zijn voor mij die gewelven gebouwd ?
Ben ik zoo rijk, dat van louter goud De gang mijner woning is ? " Toen sprak ik : „Deze gouden grot Is immers geen menschenpaleis". Ik sprak : „Het is een betooverd slot. Dat lang op sprookjeswijs Geslapen heeft en stil gewacht. Op één, die de poorten ontdekken zou. De doode gewelven wekken zou Van 't huis, dat ieder menschenhuis Te boven gaat in pracht". Ik sprak : „Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk ! Hoe ben ik zoo rijk, mijn God ! Welk' aardsche woning is gelijk Aan dit, mijn sprookjesslot ?
Trotsch, of ik een prinsesje waar, Ging ik door 't goud; Aan beide zijden stonden daar, Schragend de gangen, hoog en zwaar, De zuilen opgebouwd. Waar gouden de portalen zijn, Hoe zullen daar de zalen zijn ! Ik zag aan 't einde van mijn pad Een kleine ronde poort Als blauw saffier in goud gevat. En haastig, vol verlangen trad IK door de gangen voort. Ik sprak : „Als bij mijn aankomst wijd Die poorten openstaan, . In welk een groote heerlijkheid Zal ik dan binnengaan. Indien van goud de gangen zijn, Hoe groot moet mijn verlangen zijn De zalen in te gaan !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's