SCHRIFT VERKLARING
ROMEINEN 9 vers 7—12. Wat dan ? Hetgeen Israël zocht, heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden. Gelijk geschreven is : God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, oorén om niet te hooren, tot op den huidigen dag.
ROMEINEN 9 vers 7-12. Wat dan ? Hetgeen Israël zocht, heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen en de anderen zijn verhard geworden. Gelijk geschreven is : God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, oorén om niet te hooren, tot op den huldigen dag.
En David zegt : hunne tafel worde hun tot een strik en tot een val, en tot een vergelding voor hen. Dat hunne oogen verduisterd worden om niet te zien en verkrom hunnen rug allen tijd.
Zoo zeg ik dan : hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden ? Dat zij verre ; maar door hunnen val is de zaligheid den heidenen geworden om hen tot jaloerschheid te verwekken.
En indien hun val de rijkdom der wereld is, en hunne vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hunne volheid.
De conclusie, waartoe Paulus gekomen is. is geen andere dan deze, dat Israël niet heeft gevonden, wat het heeft gezocht. Ze zochten wel gerechtigheid voor God te verkrijgen, maar het was niet de gerechtigheid, die uit God is. Het was slechts eigengerechtigheid, een vrucht van het werkverbond. Maar van deze gerechtigheid heeft de Heiland gezegd, dat ze overvloediger zijn moest, zouden ze ooit het Koninkrijk der hemelen ingaan.
Zelfs de gerechtigheid der Schriftgeleerden en der Farizeën was niet overvloedig genoeg. Al hunne onthoudingen, al hunne krachtsinspanningen hebben hen niet gebaat. Ze hebben dien grooten schat van Gods gerechtigheid in Christus niet gevonden.
Toch heeft de Heere Zijn volk Israël niet in zijn geheel verworpen. Het Israël uit Israël, de uitverkorenen Gods, hebben het wel verkregen. Paulus, en met hem elk Israëliet, die voor Koning Jezus werd gewonnen, was daarvan het bewijs. Maar ziende op de groote massa, moeten we toegeven dat het getal der Christenen uit de Joden maar klein was.
De groote massa was en is tot op den huldigen dag nog verhard.
De apostel bewijst het gesprokene met een aanhaling uit.Jesaja 29 vers 10 en Jesaja 6 vers 9. Daar lezen we : „Want de Heere heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps en Hij heeft uwe oogen toegesloten; de Profeten en uwe hoofden en de Zieners heeft Hij verblind" en : „Toen zeide Hij : Ga henen en zeg tot dit volk : Hoorende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar bemerkt niet".
Deze beide teksten zijn door den apostel vrij, verkort, weergegeven.
Welk een schrikkelijk oordeel is toch het oordeel der verharding !
Zou er iets wezen, waar de mensch zóó bang voor behoeft te wezen als voor de verharding?
Wanneer de mensch maar voortgaat om zich tegen den Heere te verzetten, als hij onder allerlei roepstemmen, zoowel in den weg van zegen als in den weg van druk, voor God niet bukken wil, maar den nek verhardt, dan komt er ook een tijd, waarin God dien mensch ook overgeeft aan de verstokking.
Dan komt er een geest des diepen slaaps over den mensch. Het is eigenlijk de doodsslaap der zonde. Het ontwaken in de eeuwige rampzaligheid zal ontzettend wezen.
Maar bij de aanhalingen van Jesaja laat de apostel het niet. Hij laat ook nog een aanhaling van David volgen, uit den 69en Psalm : „Hunne tafel worde hun tot een strik, en tot een val, en tot een vergelding voor hen; dat hunne oogen verduisterd worden om niet te zien en verkromden hun rug allen tijd.
David gaat hier nog een stap verder dan Jesaja. David roept het gericht over zijne vijanden in. Het kon niet anders of op het oordeel der verblinding moet ook de straf volgen. Ja, Israël zal ook om zijn Messiasverwerping worden gestraft.
De beeldspraak is duidelijk. Aan den disch in het Oosten zitten slechts vrienden aan. Van dengene, met wien men in 't Oosten aan ééne tafel eet, heeft men geen gevaar te duchten. Als men aan tafel plotseling wordt aangevallen door een dischgenoot, ziet men zich onverwachts in het grootste gevaar.
Daar rekent niemand op. Het gaat dan den mensch als een leeuw, die zich plotseling in den strik gevangen ziet. Het woord „val" komt eigenlijk niet voor in Psalm 69. Het zal wel ontleend zijn aan Psalm 35 vers 8, waar het gevonden wordt in de vertaling der zeventigen.
We hebben reeds vele malen de gelegenheid gehad om op te merken, dat de apostel Paulus vrij citeert.
De vijanden van David hadden zijne ellende zoo vaak aangezien met het grootste leedvermaak, maar mogen nu hunne oogen verduisterd worden.
Als de apostel hier spreekt van „hunne tafel", dan zal hij onder dat beeld wel verstaan hebben niet slechts den lichamelijken overvloed, waarin Israël gedeeld heeft, maar ook, en in de eerste plaats, alle geestelijke en eeuwige goederen, door God zoo mild aan Israël geschonken.
We hebben hier niet te doen met een onheiligen toorngeest van den apostel.Paulus. Neen, Paulus hield ook de woorden van David voor een profetie van de hittigheid van den rechtvaardigen toorn Gods over al zijne vijanden.
De profetie is in Israël vervuld. Of is het volk der Joden niet een spot en een aanfluiting geworden allen volkeren der aarde ?
En dan vervolgt de apostel: Zoo zeg ik dan : hebben ze gestruikeld, opdat ze vallen zouden ? Dat zij verre ; maar door hunnen val is de zaligheid den heidenen geworden om hen tot jaloerschheid te verwekken.
Neen, Israël is wel gestruikeld, maar Gods Raad met Israël is ten dage van hunne Messiasverwerping nog niet voleindigd. Neen, Israels val zal juist het middel worden, waardoor aan de heidenen het Evangelie wordt gebracht. Ge weet het, dat de apostelen zich op hunne zendingsreizen telkens uit nood tot de heidenen richtten met de prediking van het Kruisevangelie, omdat de Joden er niet van weten wilden, maar hen uit hunne synagoge hadden geworpen.
En de heilige bedoeling Gods onder dat alles is geen andere dan om Israël tot jaloerschheid te verwekken. O wat zijn er vanaf de eerste Christengemeente al vele zonen van Israël toegebracht tot die kudde, die zalig wordt.
Mannen als Da Costa en Capadose zijn jaloersch geworden op het Christendom en hebben het omhelsd. Het is wel droevig, dat de val van Israël eerst moest komen om aan de heidenwereld den rijkdom des Evangelies te doen brengen.
Hadden de Joden in hun haat en afval den Christus niet gekruisigd, er zou geen] Kruisevangelie kunnen worden gebracht. Maar als Israels val ten zegen was, dan zal Israels toebrenging zeker rijke vruchten afwerpen. Uit Israël zal ook eens een volheid staan voor God. Het volle getal van het ware Israël uit Israël. Ook het getal der uitverkorene Joden moet vol worden.
Wat zal het heerlijk zijn, als ook de Joodsche natie als volk zal behouden worden. En als de voleinding gekomen is, zal meteen ook de tijd zijn dat heel de herboren menschheid verheerlijkt voor God zal komen te staan.
PSALM II.
Wereldopstand tegen God en Zijn Gezalfde.
1. Wat woelen de volkeren, wat zinnen de natiën ijdele plannen.
2. De koningen der aarde maken zich op en de regeeringen beraadslagen tegen den Heere en Zijn Gezalfde (zeggende):
3. „Laat ons verscheuren hun banden en van ons werpen, wat ons nog aan hen bindt!"
4. Die in den hemel zit lacht om hen ; de Heere bespot hen.
5. Dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn en verschrikt hen in Zijn grimmigheid
6. (zeggende) : „Ik, ' Ik heb mijn Koning aangesteld over Sion, mijn heiligen berg !"
7. Ik zal u vertellen, wat de Heere besloten heeft : Hij zeide tot Mij : „Gij zijt mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt!
8. Vraag het van Mij en Ik geef u de volkeren in uw bezit en de einden der aarde tot eigendom.
9. Gij zult hen met een ijzeren knots verpletteren, als aardewerk hen verbrijzelen".
10. Daarom nu, gij koningen, weest verstandig ; weest gewaarschuwd, bestuurders der wereld !
11. Dient den Heere in vreeze en juicht Hem toe met beving. Huldigt Hem, opdat Hij niet in toorn ontbrandt en gij omkomt op uwen weg : Want spoedig barst Zijn grimmigheid los ! Zalig allen, die bij Hem toevlucht zoeken !
VERKLARING.
Wat bezielt hen toch, die volkeren der aarde en allen, die over hen regeeren ! Zijn zij zoo dwaas, om te meenen, dat zij iets vermogen tegen God en tegen den Koning, dien de Heere Heere als wereldvorst heeft gesteld ?
De Heere zit rustig in den hemel. Hij heeft niets te vreezen. Hij ziet met spottenden glimlach op die in beweging komende vorsten en volkeren, die kwaad bedenken en opstand prediken, neer.
Straks zal Hij losbranden in toorn ! En de Wereldvorst, van God verkoren, zal het oordeel voltrekken; al Zijn hateren zullen dan verbrijzeld worden.
Die Wereldvorst, Jezus Christus, wordt door den dichter in vers 7 sprekend ten tooneele gebracht. Hem is van den Vader alle macht gegeven. En Hij begint dan Zelf te verhalen, opdat de vorsten en volkeren het weten zullen, wat er in de stille eeuwigheid geschied is, De Heere Heere toch heeft Hem gezegd : Gij zijt Mijn Zoon. En heeft Hem beloofd, dat Hij de volkeren tot Zijn eigendom zou bezitten.
Daarom treedt de Wereldvorst de vorsten en de natiën tegemoet en zegt, dat het een hopelooze strijd is dien zij aanbinden; en dat Hij hen zal verpletteren als zij zich niet vrijwillig onderwerpen en Hem te voet vallen.
In vers 10 spreekt de dichter dan zelf weer. En waar hij in den aanvang vol verbazing en afkeuring heeft uitgeroepen: waarom doet gij dat toch, o volkeren en waarom zijt gij zoo opstandig, o natiën ? — richt hij zich nu tot hen en vermaant hen zich te onderwerpen en vrede te maken met den Koning Sions.
Hij zegt: dient Hem en huldigt Hem, Want dan zult gij in genade aangenomen Worden en — zoo verzekert hij hun — dan zult gij, evenals des Konings trouwe onderdanen door Hem beschermd worden.
IJdele, nuttelooze strijd tegen den Heere en Zijn Gezalfde! Heerlijk om vrede en blijdschap te mogen genieten onder 's Heeren heerschappij!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's