De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever" J. H. Kok te Kampen
„Heeft de vrouw het al gehoord, dat zij met de nieuwe spoorlijn zijn begonnen ? " vraagt hij op temenden toon, terwijl hij zijn korven weer inpakt. — „Neen, is 't zoo ? 'k Had nog de stille hoop dat het ter elfder ure zou overgaan en wij voor die ramp bewaard bleven". — „Ei, jonge nee, de kogel is door de kerk en de weg is al aanbesteed. In Sonnega en Westerkerk is men al begonnen met het wegnemen van de graszoden van de landerijen en gisteravond zijn ook in ons dorp de eerste woonscheepjes gekomen met polderjongens". — „Dus dan gaat het door ; de boer hoopte nog zóó dat er iets tusschenbeide zou komen, waardoor dit werk verhinderd werd". — „Jullie krijgt 't spoor ook dicht bij de plaats langs, nou ? " — „Ja, daar aan den overkant van 't hek", — „'t Wordt anders een rare boel, dunkt mij, dat men niet eens meer meester is van zijn eigendom." — „Ja, man, dat hebben wij ook gezegd en de boer is nog naar de stad geweest om een advokaat te vragen of daar nou niks aan te doen is, maar die meneer heeft ook gezegd : buigen is de boodschap. Maar het einde zal één keer den last dragen". — „Daar heb jou het, vrouw; ik heb tenminste gisteravond gezegd, toen ik dat poldervolk uit „de Gouden Hoorn" zag komen, „waar moet dat met onze arme gemeente heen." Dronken dat die kerels waren en vloeken ! De veldwachter natuurlijk nergens te bekennen." — „Daar heb je het al, en dat de dominees dat niet inzien, ds. Feurman net zoo goed als onze dominé." — „Och, wat zal ik zeggen, alle hout is geen timmerhout en 't zijn allen geen koks, die lange messen dragen, en 't zijn allen geen herders en leeraars, die de gemeente weiden. De profeet zegt ook dat wij ons te wachten hebben voor wolven, die wandelen in schaapskleederen en allerlei ketterijen bedektelijk invoeren". — „Ja, maar onze dominé is wel zuiver van leer hoor, daar kan je niet zooveel van zeggen. Ik wou hebben, mijn man zou maar toegeven en weer naar de kerk gaan, want hij heeft er zelf genoeg last van dat hij niet gaat, maar je moet rekenen hij kan er niet over heen komen dat zijns vaders erf hem ontnomen wordt, en boer Yntema stijft hem daarin, omdat die van 't zelfde gevoelen is." — „O, nee hoor, de vrouw moet mij goed verstaan, ik wil niks kwaads van ds. Velthuis zeggen, hij is een beste man en zijn vrouw is ook een goede vrouw; ik heb flinke klanten aan hen. En dominé Feurman is ook een beste dominé, die de Waarheid verkondigt, maar ik wil zeggen in die soort dingen moesten zij beter doortasten". — „Ben jou ook tegen de spoorlijn ? " — „Nou ja, zie — hm, het is van zelf met mij heel wat anders. Ik ben koopman en kom overal, maar ik wil maar zeggen, dat ik 't zeer verkeerd vind dat men tegen iemands wil hem zijn eigendom ontneemt. Als men bijv. aan mijn korven zou willen komen om die weg te nemen dan zou ik ook zeggen : „afblijven, die zijn van mij." Maar de vrouw moet denken de Jonker zit er ook achter." — „Ja wis, die is de man van 't spul, hoor je in den laatsten tijd wel eens van hem ? " — „Wat zal ik zeggen, d'r wordt zeer ongelijk over hem gesproken. Sommigen meenen dat hij menschenschuw is. Anderen willen beweren dat hij te veel gestudeerd heeft. Weer anderen zeggen dat hij niet zoo heel eerlijk aan al zijn geld en goed gekomen is en daarover maalt. Als je echter oude Marijke van den Zandweg hoort, dan is er van zelf geen beter mensch op de heele wereld dan de Jonker. Het is bij haar de Jonker voor en de Jonker na, natuurlijk omdat zij van hem plukt." — „Zie je hem wel eens ? " — „Een enkelen keer, als ik met mijn negotie op het Slot kom." — „Zegt hij dan ook wat ? " — „O ja, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ziet erg bleek en vermagerd.
De profeet zegt: de goddeloozen hebben geen vrede, en zoo zal het met hem ook wel gaan, moet je rekenen." — „Is er anders ook wat nieuws op het dorp ? " — „Bij den Bakker hebben ze vannacht wat jongs gekregen." — „Och kom, wat zou het wezen? "
— „Naar ik gehoord heb een meiske." — „Wat is dat mooi; ze hebben zes jongens, naar ik meen ? " — „Ja, en één dood". — „Opmerkelijk, niet ? " — „Wat zullen ze blij zijn." — „'t Is te begrijpen." — „Weet je ook of hun meid blijft ? " — „Ik kan het niet zeggen, wou die weg ? " — „Ja, zij kreeg teveel mot om de teenen, zei ze." — „Is 't zulk spel, ja, het beteekent tegenwoordig wat met dat dienstvolk. Ik heb hooren vertellen dat alle meiden van Kleiterp met elkaar hebben afgesproken er van door te gaan, zoodra de spoorlijn klaar is; zij willen hier dan niet langer dienen." — „Och kom, een praatje". — „Nou, dan moet de vrouw Jap maar eens vragen." — „O, die is er in elk geval niet bij, Jap is zoo'n beste meid, die denkt er niet over om bij ons weg te gaan." — „Nou ik heb het ook van hooren zeggen, maar de vrouw moet niet te veel op dat jong volk vertrouwen. Jap is een flinke meid hoor, ik houd wel van haar en de vrouw krijgt er nooit weer een die zóó werken kan, maar dat neemt niet weg dat ze hun streken hebben. Het makste paard maakt nog wel eens een zijsprong. De profeet zegt: "
Hier wordt het gesprek gestoord door de binnenkomst van boer Brandsma.
„Goeien morgen, boer, is 't goed ? " — , .'t Gaat wel; heb jullie al zaken gedaan ? " — „Een beetje, in een huishouding als hier, die zoo keurig in orde is, is niet veel noodig."
Vleier, denkt de boer.
„Hoe staat het met de veldvruchten ? " vraagt Klaas, die wel begrijpt dat maar niet meer over den handel moet gesproken worden. — „Best, er mag wel eens wat regen komen, maar anders lijkt het een goed gewas te zullen worden." — „Kom, gelukkig, als het den boer goed gaat, gaat het de heele maatschappij goed. 't Is zooals de profeet zegt: „de koning wordt van het veld gediend."
Boer Brandsma geeft hierop geen antwoord. Zonder Klaas koopman te willen oordeelen, heeft hij het met diens godsdienst niet erg op. Hij houdt niet van dat te pas en te onpas aanhalen van bijbel teksten. Bovendien weet hij maar al te goed, dat de koopman in een ander gezelschap ook uit een ander vaatje tappen kan,

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's