STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN ZWAKKE OPPOSITIE.
Het was te verwachten, dat het beleid van den Minister van Onderwijs, vooral na de indiening van het wetsontwerp tot wijziging van de Lager Onderwijswet 1920, in de Volksvertegenwoordiging ernstig zou worden bestreden.
Een voorproefje daarvan vinden wij nu reeds in het verslag van de beraadslaging betreffende de onderwijsbegrooting in des afdeelingen der Tweede Kamer, in welk stuk te lezen staat dat vele Kamerleden de belangen van het onderwijs bij Minister Terpstra niet veilig achten.
Wij zullen daarvan binnenkort bij de mondelinge behandeling der begrooting nog wel wat meer vernemen.
Op één merkwaardig punt, het beleid van den Minister betreffende en waarop de oppositie sterk afgeeft, mogen wij nu reeds de aandacht vestigen.
Het wordt Minister Terpstra n.l. euvel geduid, dat hij geen open oog heeft voor de uitbreiding van den leerplicht en tot die uitbreiding zijn medewerking niet wil verleenen.
Waarom wordt nu de invoering van den 8-jarigen leerplicht noodzakelijk geacht ?
Een drietal redenen wordt daarvoor aangevoerd. In de eerste plaats is er in algemeenen zin dringend behoefte aan meer en betere ontwikkeling van de groote groep der arbeiderskindéren.
Voorts zal in het bedrijfsleven in de komende jaren een kleiner korps arbeiders noodig zijn dan voorheen, zoodat naar een maatregel behoort te worden omgezien om de overproductie van arbeidskrachten te beperken. Deze maatregel is te vinden in een langer verblijf van de jeugd op de school.
En eindelijk zal, tengevolge van het feit dat in de komende tijden de arbeidersklasse meer invloed op den gang van zaken in het bedrijfsleven zal verkrijgen, het noodig zijn dat het volkskind een betere ontwikkeling verzekerd wordt.
Overwegingen van financieelen aard tegen de totstandkoming van den 8-jarigen leerplicht kunnen niet in aanmerking komen, omdat het in de oogen van de voorstanders van de uitbreiding van den leerplichtigen leeftijd een onjuiste politiek der Regeering zou zijn, te bezuinigen op datgene wat het geestelijk belang van het geheele volk raakt.
Nu laten wij voor het oogenblik de gronden rusten, die hierboven voor de invoering van den 8-jarigen leerplicht worden aangegeven. Daarover zou anders nog wel het een en ander te zeggen zijn. Eveneens laten wij de kwestie zelve van de uitbreiding van den leerplichtigen leeftijd onbesproken.
Doch het lijkt ons wel wat wonderlijk, dat in een tijd, waarin de Rijksbegrooting niet dan na het overwinnen van allerlei moeilijkheden en het nemen van verschillende drastische ingrijpende maatregelen, sluitend is te maken, als klacht tegen het beleid van den Minister van Onderwijs wordt aangevoerd, dat deze bewindsman niet bereid is den leerplicht uit te breiden.
Zooiets teekent de wijze; waarop de oppositie mr. Terpstra bestrijdt.
Zulke oppositie is niet sterk, maar zwak. Het zal dan ook den Minister van Onderwijs niet moeilijk vallen, als met geen andere klachten wordt te voorschijn gekomen, zijn tegenstanders van het lijf te houden.
EEN ONBILLIJKE KLACHT.
In „De Banier" beklaagt het Staatkundig Gereformeerde Kamerlid, de heer Van Dis zich over de houding der Antirevolutionairen in de Kamer, die op Donderdag 12 November twee moties van de Staatkundig Gereformeerde Kamerfractie niet steunden, waardoor deze moties niet in behandeling konden komen.
Wij verstaan de klacht van den heer Van Dis.
Het moest zoo geheel anders zijn. Er moest een hartelijke samenwerking in de Kamer plaats hebben van Antirevolutionairen met Staatkundig Gereformeerden, en omgekeerd. Vooral in de donkere tijden, waarin wij leven, is eenheid van optreden meer dan ooit te voren geboden.
Maar laten de Staatkundig Gereformeerden de hand eens in eigen boezem steken.
In redevoering na redevoering worden de Antirevolutionairen door, de Staatkundig S Gereformeerden in de Kamer op de meest grievende wijze bestreden. Zij worden tentoongesteld als lieden die hunne beginselen verzaken. Dr. Colijn wordt op een manier behandeld, zooals de Communisten en de Socialisten het niet doen.
Het is ons bekend, dat van Antirevolutionaire zijde bij de Staatkundig Gereformeerden menigmaal over dat optreden is geklaagd. Echter men stoort zich van dien kant niet aan klachten. Men gaat ongestoord voort met de Antirevolutionairen te belasteren en te verguizen.
Kunnen en mogen de Staatkundig Gereformeerden zich nu beklagen als de Antirevolutionaire Kamerleden, die nog even te voren op de schandelijkste wijze werden behandeld, weigeren om hulp of steun te verleenen ?
Het zijn bedroevende tooneelen, welke de Kamer te aanschouwen krijgt. Christenen niet waardig.
Daarbij komt nog, dat de inhoud der , beide moties, welke door de Staatkundig Gereformeerden op 12 November in de Tweede Kamer gesteld werden, niet anders beteekende dan een mooi gebaar, of zooals de Minister van Justitie dit in de avondvergadering der Kamer van dien dag noemde, een schijnbeweging.
Hoogstens zou de motie, die ds. Zandt stelde met betrekking tot de wederinvoering van de doodstraf in het Wetboek van Strafrecht, 12 a 15 stemmen hebben gekregen.
Wat beteekent dan het indienen van zulk een motie ?
Er wordt de spot mede gedreven. Meenen de Staatkundig Gereformeerden voor hun beginselen, die ook die van de Antirevolutionairen zijn, te moeten opkomen, laten zij dan den koninklijken weg bewandelen en een initiatief-voorstel indienen.
Geen woorden dus, maar daden.
ONWAARDIG OPTREDEN.
Met welke onwaardige strijdmiddelen de Staatkundig Gereformeerden gewend zijn om ook het Kabinet en vooral de Antirevolutionaire Ministers te lijf te gaan, heeft de Minister van Justitie in dezelfde avondvergadering der Kamer, waarvan wij hierboven melding maakten, ondervonden.
Het was naar aanleiding van de zedelijkheidswetgeving, dat ds. Zandt zeide :
In dezen is zeer veel voor de Overheid te doen. De Minister drale dan ook niet langer. Een goddelijk gebod eischt; de nood dringt; het belang der onderdanen roept. Dit alles wekke den Minister tot het nemen van krachtige maatregelen, opdat hem het verwijt niet naklinke : Wij hebben zoolang een Minister van Antirevolutionairen huize gehad, en op het gebied van de zedelijkheidswetgeving is door hem niets tot stand gebracht. Niets tot stand gebracht.
Dat was een onware aantijging. De Minister heeft het er dan ook niet bij laten zitten. Hij zeide :
Een onderwerp van meer belang. Mijnheer de Voorzitter, waarover eenige woorden zijn gesproken, betreft de bestrijding van de pornographie. Speciaal de heer Zandt heeft met grooten ernst over dit euvel gesproken. Ik wil niet zeggen, dat de heer Zandt ten opzichte van de beteekenis van de prikkellectuur voor de geheele criminaliteit misschien niet een eenigszins overdreven voorstelling heeft gewekt, maar ik wil aanstonds toegeven, dat inderdaad deze quaestie van zeer groote beteekenis is. De heer Zandt heeft echter niet het recht zich op het standpunt te stellen, alsof een beroep, dat zoo vaak op den Minister is gedaan, zonder eenige uitwerking is gebleven. De heer Zandt zeide in dit verband, dat hij, hedenavond uit het station komende, nog hoorde venten met dat bekende pornographische blad, waarover hier reeds zoo vaak is gesproken. Maar voor zoover dat gebeurd is, kan dat alleen geweest zijn met het een of andere oude nummer, want ik kan den heer Zandt meedeelen, dat de beide bladen tengevolge van mijn ingrijpen opgehouden hebben te verschijnen. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat dergelijke bladen b.v. onder een anderen naam weder kunnen opduiken, maar ik kan den geachten afgevaardigde verzekeren, dat daarop streng het oog wordt gehouden. Wij moeten niet vergeten, dat lang niet ieder nummer door de justitie kon worden aangetast en strafrechtelijk kon worden vervolgd, en dat men dus met eenige oude nummers, speculeerend op den bekenden naam, wat kan doorventen, maar deze bladen als zoodanig verschijnen niet meer.
Het is dus onwaar, wat de heer Zandt mededeelde, dat Minister Donner niets op het gebied der zedelijkheid heeft gedaan. Maakte dit Kamerlid nu zijn verontschuldigingen aan den Minister, dat hij in onkunde had gesproken ? Of wel heeft hij dien bewindsman voor zijn maatregelen gedankt ?
In geen enkel opzicht. Daaraan denken de Staatkundig Gereformeerden niet. De redevoering kwam wél Zaterdagavond ten voeten uit in „De Banier". Natuurlijk zonder dat daarbij die tegenspraak van den Minister van Justitie werd opgenomen. Die tegenspraak behoeven de lezers niet te kennen.
Als zij maar weten, dat Minister Donner op het stuk van de zedelijkheidswetgeving niets heeft gedaan. En daarom is het alléén te doen. De Antirevolutionairen hebben den trap weer beet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's