MEDITATIE
II.
Een groote toorn. Een heilzame vlucht. Maar de derde gedachte die wij in onzen tekst vinden is een dreigend gevaar. En dat dreigend gevaar vinden we in vers 15 : En de slang wierp uit haren mond achter de vrouw water als een rivier, opdat zij haar door de rivier zou doen wegvoeren.
We hebben gehoord dat als de vrouw op de vleugelen des geloofs en des gebeds weg gevlucht is naar hare plaats in de woestijn, dat zij dan is buiten het gezicht der slang. M.a.w. daar kan de slang haar niet treffen. Als wij maar blijven mogen in de schuilplaats des Allerhoogsten, die Hij onder de Middelaarsvleugelen van Christus voor ons ontsloten heeft, dan kan geen enkele van de vurige pijlen des boozen ons treffen.
Maar ook dan moeten we niet meenen, dat de draak den strijd zou opgeven, dat de draak doen zou alsof wij er niet meer zijn. Integendeel, ook als hij ons niet ziet; ook dan gaat de draak voort om te trachten ons te verderven en te vernielen. Johannes stelt het in onzen tekst voor dat hij dan uit zijn mond doet uitgaan een sterke stroom, water als een rivier, d. i. dus een bruisende stroom en door dien stroom tracht hij dan de Kerke Gods mee te sleuren, en als het mogelijk was, weg te voeren naar het verderf. Gij gevoelt wel, hier wordt de methode aangegeven, de wijze waarop de duivel de gemeente van Christus niet zelden bestrijdt. Hij doet het niet rechtstreeks, hij doet het niet door vlak voor haar te gaan staan. Immers door haar geloof en gebed wordt hij op een afstand gehouden, maar nu tracht de duivel haar mee te voeren door een zekere kracht die hij op een of andere wijze van zich doet uitgaan, en die hier voorgesteld wordt onder het beeld van water als een rivier. En juist in dat beeld, waarin we bewonderen den beeldenrijkdom der H. Schrift, komt uit de groote kracht en dus 't groote gevaar waaraan we blootstaan. De groote kracht van een bergstroom, die alles meesleurt op zijn pad, biedt de zuivere weergave van de geweldige kracht waarmee de vorst der duisternis zijn verleidingen gepaard doet gaan.
En neen, niet voor alle leden van Gods gemeente, niet voor al Gods kinderen heeft die rivier hetzelfde water. Voor den een, ook voor den een van Gods kinderen is de vorm, waarin Satan zijn verleiding weet te gieten heel anders dan voor den ander. Den een zoekt hij mee te sleuren door hoogmoedige verstandelijkheid (wat onze Vaderen noemden het historisch geloof) ; den ander door schijnvrome gemoedelijkheid. Job bracht hij tot wanhoop in armoede ; het water, dat de slang achter hem wierp, was dus dat alles wat hij bezat, hem ontnomen was. David bracht hij ten val in weelde ; het water dat de slang achter hem wierp was dat hij te Jeruzalem gebleven was en daar op 't dak van zijn paleis zijn blik richtte op een vrouw die zich baadde.
Achter den een werpt hij het water van vleiende woorden, denk aan Simson, toen hij aan Delila verklapte het geheim zijner kracht. Achter den ander werpt hij het water van slaande vuisten.Denk aan den apostel Paulus, toen hem werd gegeven een scherpen doorn in het vleesch. Achter den een werpt hij het water van eigengerechtige vroomheid. Denk aan den Pharizeer, die God dankte dat hij niet was als die en als die. Achter den ander werpt hij het water van werelddienst en zondelust. Denk aan den verloren zoon, die het huis zijns vaders verliet om alle dagen vroolijk en prachtig te leven, zonder zich te bekommeren over het einde dat kwam.
Achter den een werpt hij het water van doode rechtzinnigheid. Denk aan de menschen die altijd op een millimeter na weten wat zuiver en onzuiver is. Achter den ander werpt hij het water van allerlei ketterijen en valsche leeringen. Denk aan de menschen die, zooals Paulus het uitdrukt, als de vloed bewogen worden met allen v; ind van leer, door de bedriegerij der menschen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen.
Achter den een werpt hij het water van allerlei moeite en zorgen, van allerlei nooden en smarten ; achter den ander werpt hij het water van allerlei zorgvuldigheden en begeerlijkheden, van allerlei voorspoed en vreugde.
En zoo heeft de slang al wat water uit haren mond achter de vrouw geworpen, gemeente. En hij heeft dat gedaan ook in uw leven en het mijne. Ach, wie onzer la nooit met het water van deze rivier in aanraking gekomen ? En wie zal ze tellen degenen die in dagen van tegenspoed en voorspoed, van armoede en rijkdom, en in welken vorm dan ook, kortom, die in dagen van verleiding als wrakhout meegesleurd zijn van God af, naar de draaikolkdiepte van het eeuwig verderf. Ach, eerst ging het nog in wijden cirkel, maar hoe langer hoe kleiner werd de kring, totdat zij in de diepte van ongeloof en gebedsloosheid voor eeuwig waren weggezonken.
En daarom geve God ons oogen om de gevaren te zien van het water dat de slang uit haren mond achter ons werpt, opdat wij er niet door weggevoerd worden van de plaats die God ons in de woestijn van dit leven gegeven heeft.
Gelukkig daarom dat ons tekstwoord niet alleen spreekt van een dreigend gevaar, maar ons dan ook weer wijst op een onverwachte hulp. Immers, zoo zegt ons vers 16 : „en de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haren mond en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijnen mond had geworpen". Ook dit is natuurlijk beeldspraak, waarvan echter de zin moet nagespeurd worden. En dan zal de beteekenis van dit woord deze wel zijn. Ziet eens, we moeten ons dat zoo voorstellen. Terwijl die stroom, die gericht was op de vrouw, werkelijk zoo sterk was dat zij er zekerlijk door zou meegesleurd zijn, vormde zich in de aarde een kolk, een gat, waardoor de watermassa's werden afgeleid. De stroom kwam dus niet met volle kracht tegen haar op, omdat een groot deel van zijn kracht reeds gebroken was door die afvloeiing naar de diepte. En wat we daaronder nu moeten verstaan ? Dat door Gods Kerk hier op aarde soms bange en benauwende toestanden kunnen doorgemaakt worden, dat het water haar menigmaal tot aan de lippen komen kan, en dat er dan op een of andere wijze, — men weet vaak zelf niet hoe — plotseling uitkomst kan komen, dat er dan soms opeens afwending van de meest dreigende gevaren kan zijn. En die uitkomst komt dan soms doordat de Heere in den weg der middelen verschillende omstandigheden van dit leven daartoe doet medewerken. We denken aan de geschiedenis van David. Gij weet hoe hij door Saul werd vervolgd en hoe hij vooral eenmaal zoodanig door zijn vijand in de engte was gedreven dat hij meende dat er voor hem geen ontkomen mogelijk zou zijn. Maar daar krijgt Saul opeens het bericht dat de Philistijnen in het land waren gevallen. En die inval der Philistijnen is dan de oorzaak dat Saul van verdere vervolging van David moet afzien, zoodat er voor David toch nog weer ontkoming was. Gevoelt ge, hoe de aarde hier David te hulp kwam en hoe de aarde haren mond opende om te verzwelgen de rivier die de draak achter hem had geworpen ?
En deze geschiedenis heeft zich onder gewijzigden vorm in de Kerk des Heeren zoo telkens herhaald. We denken b.v. aan de zaak der Hervorming, die niet alleen door den Paus van Rome, maar ook door Keizer Karel V van Duitschland en koning Frans I van Frankrijk, als om strijd werd tegengestaan. Hadden deze drie machtigen nu eendrachtig saamgewerkt, dan zouden zij menschelijkerwijs gesproken de zaak der Hervorming zóó in de engte hebben gedreven, dat er voor haar geen ontkomen ware geweest. Maar door hun onderlingen naijver ontstonden oorlogen, die aan de zaak der Hervorming ten goede kwamen. Gevoelt ge hoe de aarde hier de zaak der Hervorming ten goede kwam en hoe de aarde haren mond opende om de rivier te verzwelgen, die de draak achter haar had geworpen.
En zoo zouden zeker, nog meerdere voorbeelden uit de gewijde en uit de ongewijde geschiedenis kunnen aangehaald. Maar misschien hebt ge 't ook in uw leven wel eens ervaren dat het u bange was van rondom, dat gebenauwd werdt van alle zijden en dat ge niet anders dacht of alle hoop was vervlogen en het zou voor u een wegzinken, een omkomen zijn. Maar dan gebeurde daar plotseljing iets in uw leven, waardoor het water der rivier die de draak achter u had geworpen verzwolgen werd, en dan kondt ge weer zingen met den dichter:
Is Een net belemmerd' onze schreden.
Een enge band hield ons bekneld.
Gij liet door heerschzucht ons vertreden.
Gij gaaft ons over aan 't geweld.
Hier scheen ons 't water t' overstroomen,
Daar werden wij gedreigd door 't vuur,
Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen.
Verkwikkend ons te goeder uur.
Toch moet ge niet meenen dat gij hier aan deze zijde des grafs ooit alle gevaren te boven zoudt zijn. Integendeel, want onze tekst spreekt in de Iaatste plaats ook van een verscherpten stryd. Hoort maar: "en de draak vergrimde op de vrouw en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben".
De draak vergrimde op de vrouw. Geen wonder, gemeente. Het moest Satan wel tot razernij brengen als hij bemerkt, dat hij niet alleen tegenover Christus den strijd verloren heeft, maar dat ten slotte ook alle pogingen om de vrouw te overweldigen, met vruchteloosheid geslagen zullen zijn.
De draak vergrimde op de vrouw. Aan dat vergrimmen werd ik onwillekeurig herinnerd door de onware en onwaardige protesten, die dezer dagen op vele vergaderingen werden aangenomen, inzake het recht dat van Regeeringswege gedaan is aan de Christelijke groepen in ons volksleven op het terrein van de Radio, 'k Weet niet of ge daar ook kennis van hebt genomen, maar bij het lezen van die berichten dacht ik telkens: daar hebt ge 't weer; als de aarde de vrouw te hulp komt, dan vergrimt de duivel. Daarmee zeg ik natuurlijk niet, gemeente, dat alle menschen die het voor de A.V.R.O. opnemen duivelskinderen zijn, evenmin als ik zeg dat allen die het voor de N.C.R.V. opnemen tot het zaad der vrouw behooren. Het gaat om de tweeërlei geesten die ook hier weer tegenover elkander staan. En dan kunt ge zoo duidelijk merken, dat de draak nog altoos vergrimt als de aarde de vrouw te hulp komt. Daarom is het ook geen wonder, dat hij voortgaat haar met alle hem ten dienste staande middelen te bestrijden en dat hij heengaat om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad.
Hiermede is bedoeld dat zijn verbittering er hem toe brengt om niet maar alleen de Kerk des Heeren in haar geheel aan te vallen en te verzwakken (waarvan de Kerkgeschiedenis u de meest belangwekkende voorbeelden geeft), maar dat hij zijn aanvallen ook richt op de geloovigen afzonderlijk. Ja, gemeente, daar is niemand die waarlijk tot de gemeente van Christus mag behooren, of hij zal het den apostel moeten nazeggen : zijne listen zijn mij niet onbekend. De eene op deze wijze en de andere op die wijze — dat hangt ook al af van onzen staat en van onzen stand in de wereld, dat hangt ook al af van onze positie en van ons karakter dat we omdragen — maar ieder die God vreest weet, hoe de pijlen van den booze gedurig weer op hem gericht worden. Satan kan het nu eenmaal niet laten om krijg te voeren tegen allen die de geboden Gods bewaren en die het getuigenis van Jezus Christus hebben. En wie dat nu doen ? Ach, van nature doet dat niemand, doet gij dat niet en doe ik dat ook niet. Inplaats van de geboden Gods bewaren, vertreden we ze. Inplaats van het getuigenis van Jezus Christus hebben, verwerpen we Zijn Woord en staat het in onze ziel geschreven; Wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust. Maar als de Heere met Zijn Geest in onze ziel heeft gewerkt en Hij heeft ons gegeven die twee vleugelen, die de vrouw had, van wie in ons tekstwoord gesproken wordt, Hij heeft ons gegeven eenerzijds dien vleugel van het oprechte geloof en anderzijds dien vleugel van het kinderlijke gebed, dan kan 't niet anders, dan kennen we ook iets van het vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch en dan zal het ook in ons leven uitkomen dat het getuigenis van Jezus, dat het Woord Gods een lamp is voor onzen voet en een licht op ons pad. En dan, o zeker, mogen we ook met die lamp en met dat licht nog telkens weer struikelen in velen, maar daartegenover zal er ook iets in onze ziel leven van het lied van den dichter :
'k Doe Uw geboón, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
En ziet, als dat nu zoo zijn mag, gemeente, dan is ons leven een strijd, een voortdurende strijd tegen den booze. Immers dan hebben we den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers dezer wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Neen, dan geeft de duivel ons geen kamp, maar dan geven wij hem ook geen kamp. Maar dan kan het ons tot vertroosting wezen dat zijn strijd met ons en onze strijd met hem is gestreden en is gewonnen door Christus, en dat wij straks in dien Christus ook meer dan overwinnaars zullen zijn.
Maar in die universeele, eeuwigblijvende overwinning kunnen we alleen deelen wanneer de overwinning begint in dat kleine centrum van ons eigen hart. Ja, de overwinning moet beginnen, waar de nederlaag begonnen is. Bunyan heeft het goed gezien, toen hij in zijn „Heilige Oorlog" de vesting menschenziel den inzet tusschen Apollyon en Prins Immanuël heeft genoemd. Wij moeten nooit vergeten dat niet alleen de werken des duivels buiten ons, maar ook binnen ons verbroken moeten worden. Het werk van Christus moet door den Heiligen Geest aan ons, in ons en dan ook door ons worden uitgewerkt. Hetgeen voorwerpelijk plaats greep in het verleden, moet werkelijkheid worden in het heden. De historiciteit der verlossing moet zich voortzetten in de persoonlijkheid.
Velen hebben den Heiligen Geest bedroefd, misschien wel gebluscht door Zijn werk te vergeten en wij allen staan schuldig door de vertraging van ons gebed om Zijn kracht. En daarom laat ons tot Hem wederkeeren met belijdenis van schulden met de bede om nieuwe invloeiïng van Zijn licht. Dan zullen we bewaard worden voor het verfijnde zelfbedrog, waardoor wij telkens, soms onwetend, worden verstrikt en verlamd. Dan zullen we ontdekkingen doen in de wereld onzer ziel, die ons doen huiveren ; dan zullen we afgronden vinden van hoogmoed, boosheid en zelfzucht, die ons doen duizelen. Dan zullen we genoeg hebben aan de taak ons zelf te critiseeren en ophouden met de dikwijls kleinzielige en Farizeesche critiek op anderen.
O, wat een festijn onder de duivelen, wanneer Gods kinderen elkaar door onverdraagzaamheid en laster het leven onaangenaam maken.
En daarom, laat onder ons weer levend worden het gebed om de ontdekkende en levenwekkende werking van den Heiligen Geest. Dan zullen we hard worden voor ons zelf en teeder voor anderen. Dan zullen we klein denken van ons zelven en groot van onzen Koning ; dan zullen we ootmoedig worden voor God en we zullen heldhaftig worden in den strijd met de vijanden Gods. Dan zullen we op de vleugelen van geloof en gebed telkens weer vluchten naar de plaats in de woestijn, die God ons onder de Middelaarsvleugelen van den Heere Jezus Christus gewezen heeft. Dan behoeven we niet te vreezen voor het water, dat de slang achter ons werpt. Dan behoeven we niet te vreezen, al vergrimt de draak op de vrouw, want dan beamen we de diepe, rijke waarheid van het lied van Da Costa :
De tijden nad'ren van verlichting, De tijden nad'ren van herstel; Die van de blijde Godsrijksstichting, Die van de nederlaag der hel.
Amen.
V. M. J.
Wij zijn nu in den Adventstijd. Zij het door Gods genade bij ons allen een gezegende tijd van voorbereiding voor het naderend Kerstfeest, dat ons, zoo de Heere wil en wij leven, de blijde boodschap zal gaan brengen, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken. Zietdaar: Het Evangelie, dat ook genaamd wordt: Een Evangelie des vredes; zoo ook in onzen tekst, Efeze 2 vers 17.
Het tekstverband leert ons, dat de geloovigen zijn overgebracht uit den staat der natuur tot den staat der genade. En hoe is nu onze natuurstaat ? Die is, door den val en door de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva in het Paradijs : ellendig, rampzalig, ontzettend; die is, zie o.m. vers 12 : zonder Christus, zonder God in de wereld; ver van God; geen hoop hebbende; en die eindigt zoo blijvende voor ons menschenkinderen, in de plaats der eeuwige rampzaligheid : de hel, waarboven staat geschreven: „Hier laat men alle hoop achter". Want zie, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit al die van U afhoereert.
En nu de staat der geloovigen, waarvan ons hier geleerd wordt o.m. vers 13 : Maar nu in Christus Jezus, gij die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus.
Alzoo die genadestaat, het deel der geloovigen, door Christus, Die hun dien genadestaat heeft verworven ; door Christus, Die den door Hem verworven vrede doet verkondigen aan Jood en Heiden; gelijk onze tekst zulks aangeeft. Wij hooren dan ten Ie. wat verkondigd moet worden : dat Evangelie des vredes ; vervolgens : door wie dat geschiedt ? En komende, tenslotte: voor wie het bestemd is. M.a.w. : Verkondigd moet worden : het Evangelie des vredes. Te midden van allen onvrede, waar de wereld vol van is, vanwege de zonde : gelijk zulks altijd het geval is geweest en gelijk zulks altijd zoo blijven zal, , ja, zelfs nog veel erger zal worden, want in het laatste der dagen zal het zijn als in de dagen van Noach : En de aarde was vervuld met wrevel. Te midden van onvrede, waarmede ons aller hart van nature is vervuld, daar binnen niet anders dan : onvrede, opstand en verzet, niet eenswillend ook met den weg dien God met ons houdt; de bedorven natuur is : de vuist tegen God ballen, gelijk in Psalm 2 staat: zij beraadslagen tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde ; en dat alles zonder aanklacht en beschuldiging; wee onzer, als het zoo is en zoo blijft; wee onzer, dat wij gezondigd hebben ; dat eindigt straks in de eeuwige verdoemenis, in den eeuwigen onvrede. En zij hebben geen rust dag en nacht, en de rook van hunne pijniging gaat op tot in alle eeuwigheid; en zij zullen den dag hunner geboorte vervloeken in de hel.
Nu, te midden van dat alles is er nog : „Een Evangelie des vredes" ; een Evangelie, een blijde boodschap, die ons predikt van vrede met God, die ons predikt — en gelukkig voor wie het is : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus ; een Evangelie dat ons predikt van : vrede met God, ook van vrede met de menschen ; indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen ; een Evangelie dat ons predikt van vrede en eenswillendheid met den weg dien de Heere met ons houdt, ook al is het een weg van droefheid en geween ; een Evangelie, dat ons predikt van een eeuwigen vrede, van een rust, die er over blijft voor het volk van God : hij zal ingaan in den vrede ; zij
zullen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk die in zijne oprechtheid gewandeld heeft. Een Evangelie, dat ons predikt van een eeuwig Vrederijk, waarvan de Psalmist zingt: de bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen met gerechtigheid ; dat ons predikt van nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. En dit alles uit genade het deel van dood-, doem-en helwaardige zondaren, door de kruis-en zoenverdiensten van den Heere Jezus Christus, Gods eigen eeniggeboren Zoon; door Hem, die door Jesaja was aangekondigd als den Vredevorst ; door Hem van Wien de engelen in den eeuwig gedenkwaardigen Kerstnacht hebben gezongen : Vrede op aarde ; door Hem, Die sprak : uw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede ; door Hem, die sprak tot Zijn jongeren : Houdt vrede onder elkander, en wederom : Vrede zij ulieden. Zietdaar iets van het Evangelie des vredes, dat verkondigd moet worden ; en door wie ?
Wij lezen in onzen tekst: „En komende".
Onze Statenoverzetters lichten dat toe: komende n.l. zoo door Hem zelf in de dagen Zijns vleesches onder de Joden als een dienaar der besnijdenis ; Jezus' komst hier op aarde (Kerstfeest) ; als na Zijn Hemelvaart door Zijn Apostelen. Alzoo de Apostelen, die de komst van Christus, Gods Zoon in menschelijk vleesch hier op aarde tot heil van zondaren hebben gepredikt, en die de leer van Christus overal hebben verbreid, zooals dat nu nog steeds geschieden moet : Jezus prediken als eenige naam, die onder de menschen is gegeven, door welken wij kunnen zalig worden ; en Zijn leer verbreiden, door herders en door leeraars ; en zoo ook door alle geloovigen.
Alle ware kinderen Gods moeten leeren, dat er geen andere weg tot zaligheid is dan alleen door het geloof in den Heere Jezus ; zij moeten leeraren het goddelijk onderwijs van den Heere Jezus ; zoo ook het woord van den Koning : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij iemand wederomgeboren worde, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien ; opdat wij, zondaren, die in Adams val van God zijn afgevallen en den duivel zijn toegevallen, toch niet voor eeuwig bedrogen zullen uitkomen en met een gewaanden hemel niet voor eeuwig ter helle zullen varen.
Want velen — lezen wij — zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.
En nu tenslotte : aan wie moet dat Evangelie des vredes verkondigd worden ? De tekst zegt: aan hen, die verre waren, dat zijn de heidenen, gelijk de geloovige Efeziërs eertijds heidenen waren, en aan die die nabij waren, n.l. de Joden.
Alzoo : het Evangelie moet gebracht worden aan alle menschen zonder onderscheid.
Want in Christus Jezus is geen onderscheid ; daar is geen onderscheid ; zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. In Christus Jezus is geen man of vrouw. Barbaar of Scyth ; dienstknecht of vrije, besnijdenis en voorhuid, maar Christus is alles in allen. Het Evangelie : bestemd voor alle menschen.
En zij — de Apostelen — uitgegaan zijnde, predikten overal; zoo overal het Evangelie te brengen, bestemd voor alle menschen. Ik heb — sprak de Heiland — nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn ; dezen moet Ik ook toebrengen, en zij zullen Mijne stem hooren en het zal worden ééne kudde en één Herder. Alzoo overal moet dit Evangelie gebracht worden, zoowel onder hen, die verre zijn, als onder hen, die nabij zijn, en zoo worden wij allen ook geplaatst voor den arbeid der Zending, zoowel voor uitwendige als inwendige Zending, waaraan wij met kracht hebben mede te werken, opdat men op de aarde Uwen weg kenne, onder alle heidenen Uw heil; en dat alles, niet om den hemel daarmede te verdienen, hetwelk Christus gedaan heeft; niet anders dan de hel verdiend, die het maar verstaan mag door Gods genade ; maar omdat God ons zulks geboden heeft.
Genoeg. Alzoo het Evangelie des vredes, dat overal gebracht moet worden. Opgewekt ; wij allen onder dat Evangelie, wij allen onder het vischnet, en moge Gods Heilige Geest dat Evangelie komen toe te passen aan onze harten. En waar het Evangelie een kracht Gods is tot zaligheid, een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek, daar zij het zulks ook voor een iegelijk onzer; daartoe wij de middelen, welke de Heere — zooals Hellenbroek leert — ook heeft besloten ; en moge het den Heere behagen ook ons bij aanvang en bij vernieuwing te komen over te brengen uit den natuurstaat in den staat der genade.
Och, Heere Jezus, Gij zijt gekomen. Gij blijft nog steeds komen mede door de prediking des Woords, in de harten van Uw uitverkorenen ; och, Heere Jezus, kom ook in mij ; zij of worde zulks bij ons eene oprechte behoefte des harten. Gezegende Adventstijd, zoo zij het overal. Gods Heilige Geest kome u en mij bij aanvang en bij vernieuwing daarvan te overtuigen, dat het is en 't blijft eene persoonlijke zaak, mede gedachtig aan dat oude rijmpje : Al was Jezus 100 maal geboren, maar niet in mij, 'k ware toch verloren. En alzoo, nog weer : Gods Heilige Geest make er ons behoeftig aan : O, Heere Jezus, gelijk Gij geboren zijt in een beestenstal, och, kom Gij ook woning te maken in den beestenstal van ons hart.
Haasten wij ons om onzes levens wil, want de tijd is nabij en de Rechter staat voor de deur. Uitgedreven te mogen worden tot Hem, van Wien Jesaja getuigt: Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn en dengenen, die nabij zijn, zegt de Heere, en Ik zal ze genezen. En wij, als geloovigen, voor zooverre het den Heere heeft willen behagen om ons te komen te brengen tot het eenig waar zaligmakend geloof, dat bij gezicht van zonde en schuld — en zoo zij het al meer en meer — zich gevoelt uitgedreven tot den Heere Jezus, Die in de wereld is gekomen niet om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen tot bekeering ; tot Hem die straks wederkomt op de wolken om te oordeelen de levenden en de dooden; wij dan als geloovigen, mogen wij ons dan gedrongen gevoelen om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods zoeken te leven ; en hoe meer daartoe verwaardigd te mogen worden, hoe meer vrede : Wat vree heeft elk, die Uwe wet bemint. Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten. En alzoo gij allen, die den Heere vreest, gij allen, die daar verre zijt, die vaak als de tollenaar van verre staat en niet anders hebt te bidden — en zoo zij het maar veel — dan : o God, wees mij zondaar genadig ; en gij allen, die nabij zijt, die nabij zijt gebracht, gij allen, die bidden hebt geleerd en ook wel eens bidden moogt: Wees dan Mijn hulp, houdt U niet ver van mij ; het zij maar veel uw aller deel: Het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God ; straks ten volle : Dan zullen wij altijd bij den Heere wezen, zoo dan vertroost elkander met deze woorden. De God nu des vredes. Die den Grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijnen wil moogt doen ; werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus ; denv/elken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Blauwkapel.
D. BAX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's