De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
„'k Ben niks bang voor hem, en hij heeft het verdiend".
„Maar hij is ouder dan jou, en bovenal, jou hebt je zelf willen wreken, iets wat ons niet toekomt".
Op deze beschuldiging zwijgt Jap, want zij weet wel dat zij mis geweest is. O zeker, velen zullen haar daad verheerlijken als deze bekend wordt. Daar zullen er zijn, die er hartelijk om zullen lachen, dat Klaas koopman van zulk een koude reis is thuis gekomen, maar het is waar, zooals de boer haar gevoelen deed, de genade was niet aan het woord.
„'t Valt zoo zwaar, " zucht Jap na eenigen tijd.
„Wat bedoel je ? " „Te zien hoe moeilijk het je ouders valt; het hoofd boven water te houden en dan kalm te blijven als een ander, die daar zélf niks van weet, hen daarover hard valt."
„Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere". !
Ja, dat weet Jap ook wel, maar van dat vergelden ziet zij zoo weinig. Dat is het juist wat haar soms zoo kwelt, waarover zij uren lang kan liggen nadenken als zij wakker op bed ligt en de slaap maar niet komen wil. Waarom moeten hare ouders zulk een zwaren weg langs ? 't Zijn toch oppassende menschen, die graag ieder het zijne geven, die trouw in den bijbel lezen en bidden, trouw naar de kerk gaan, die nooit iemand een stroobreed in den weg leggen, die zelfs in hun armoede nog meedeelen aan een hongerigen bedelaar, die aan de deur vraagt om een stuk brood. Waarom voor hen dat ruwe pad en dat van een ander zoo effen ? Waarom zij dat tobbend leven en anderen, als bijvoorbeeld boer Brandsma of de Jonker op „Grovestins", en zooveel anderen, badend in overvloed ?
Laatst Zondags gaf dominé in de kerk op te zingen :
Beveel gerust uw wegen. Al wat u 't harte deert. Der trouwe hoed' en zegen Van Hem, Die 't al regeert maar dat heeft zij niet mee kunnen zingen, 't Was alsof haar iets voor de keel schoot. Omdat zij aanstonds weer dacht aan huis en ook aan zooveel, dat zij niet zeggen kan, dat niemand van haar gewaar wordt, maar dat leeft diep verscholen in haar hart, — dat hart, voor den oppervlakkigen beschouwer zoo vroolijk en leevenslustig, doch in den grond zoo teergevoelig, daarom ook soms zoo diep lijdend. I „'k Zie er zoo weinig van, " waagt zij na eenigen tijd te zeggen.
„Waarvan ? " „Van dat vergelden Gods."
Hier merkt boer Brandsma wat het zeggen wil. Het stormt bij zijn dienstbode. Wat zal hij haar antwoorden ? Daar zijn anderen geweest dan Jap, maar toch van hetzelfde maaksel als zij, die ook verlegen zaten met het Godsbestuur.
Boer Brandsma haalt de hand door zijn langen baard, welke breed over zijn borst neerhangt, hetgeen altijd een teeken is, dat hij over iets ernstigs nadenkt.
„Drink maar eens uit, Jap", zegt de boerin, die haar nog een extra kommetje koffie schenkt en medelijden heeft. Jap heeft echter behoefte aan iets anders ; zij verwacht van den boer de oplossing van het raadsel, waarom er zooveel ongelijkheid is in de wereld ; zij zou willen weten wanneer die „vergelding Gods" komt. Nu gevoelt boer Brandsma wel, dat hij hier voorzichtig moet zijn, juist omdat hij zelf gefortuneerd is en als zoodanig de zorgen van de armoede niet kent, en dus door velen wordt aangezien voor iemand, die persoonlijk den levensstrijd nooit van nabij leerde kennen.
„Zou je willen, dat de Heere elk mensch aanstonds vergold naar zijn werken ? " vraagt hij na eenigen tijd. Die vraag heeft Jap niet verwacht; zij veegt haar betraand gelaat af en peutert aan haar schort.
„Neen", zegt zij, „niet allen". „Wie dan wel ? "
Hier zit zij in de knel. Vooreerst, omdat zij uit eerbied voor de heiligheid Gods vreest om Hem voor te schrijven wat Hij wèl en wat Hij niét doen moet; dan echter ook, omdat zij niet weet voor wie deze vergelding te verlangen. Eigenlijk heeft zij daarover nooit nagedacht; zij heeft alleen maar gedacht aan huis ; zij wenscht niets meer dan dat daar verlichting van lasten mag komen.
„Ik bedoel alleen maar dat er door menschen, die het zoo goed meenen, zooveel geleden wordt, " zegt zij.
„Maar geeft de Heere te midden van dat alles dan ook nog niet vele zegeningen, welke vaak gemist worden door degenen, die schijnbaren overvloed hebben ? "
Ja, dat is ook altijd de taal harer moeder. Nog onlangs zei deze haar : „hoe arm ook, wij hebben gelukkig nog nooit een doktersrekening gehad en de kinderen groeien als kool." Dan is het op „de Eendenkooi" anders, waar niet vele jaren voorbij gaan waarin de dokter niet over den vloer is. En wat den Jonker betreft, wiens naam tegenwoordig nog al eens op veler lippen is, zij weet niet veel van hem, maar het is den man aan te zien, dat voor hem ook niet enkel rozen groeien.
., 't Geluk zit niet in den overvloed, Jap, en bovendien, aan de dingen van beneden alleen hebben wij niet genoeg ; men kan arm zijn naar de wereld en toch rijk in ; 'J God, " zegt boer Brandsma. En dan vervolgt hij : „Ik heb menschen gekend, die zich in weelde konden baden en toch jammerlijk i ongelukkig waren te midden van al hun bezit, omdat zij het ééne noodige misten, En ook omgekeerd ; ik ken armen, die voor geen wereld zouden willen ruilen wat zij in den Heere hebben".
„Het een behoeft evenwel het ander niet uit te sluiten; daar zijn toch ook wel gelukkige rijken en armen, die in elk opzicht arm zijn", merkt Jap op.
Dat is ook een waarheid, waartegen boer Brandsma niets kan inbrengen. „Daar heb je gelijk aan", zegt hij, „maar wat dat eerste betreft, rijk naar de wereld en rijk in God te zijn, geloof maar dat dit niet een gemakkelijk leven geeft. En wat dat laatste aangaat, wanneer iemand in| dubbelen zin arm is, dan vrees ik, dat hij f de genade Gods tevergeefs ontvangen heeft De apostel zegt: „heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen des koninkrijks, hetwelk Hij beloofd heeft dengenen die Hem liefhebben ? "

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's