De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

KONINGIN EN VOLK.
Oranje en Nederland hooren bij elkaar. God Zelf heeft ze saam gebracht en door Gods genade zijn ze tot op dezen dag nog zóó saamgesnoerd, dat Nederland Oranje niet gaarne zou missen — en het gebed voor het Koninklijk Huis gaat gedurig onder ons volk op tot God — terwijl ook Oranje — de bewijzen zijn er voor in menigte — niet kan en wil loslaten, 't Is nog : God, Nederland en Oranje !
Een nieuw bewijs van de liefde van Oranje tot ons volk is er. Op den eersten Kerstdag, des middags tusschen 4 en 5 uur, hoopt H.M. de Koningin een persoonlijken Kerstgroet tot ons Volk te richten door middel van de radio.
Reeds eerder gaf H.M. een persoonlijken Kerstgroet aan ons volk; óók in moeilijke tijden : dat woord was een prediking en het heeft zegen gebracht.
Het is toen gedrukt tot ons gekomen en velen onzer hebben dien Kerstgroet van onze geliefde en geëerbiedigde Landsvrouwe bewaard als een dierbaar kleinood. Wij weten nog goed, hoe b.v. onze onvergetelijke vriend Fliehe er blij mee was. Hij achtte het zoo'n grooten zegen, dat Nederland door Gods goedheid een Koningin had die zoo'n woord wenschte te brengen aan haar Volk ! Hij proefde daarin de bizondere gunste Gods over Nederland !
Het heeft dan ook den band tusschen Volk en Vorstenhuis versterkt. En de vermaning is door velen weer opnieuw gevoeld : „Vreest God — eert den Koning".
Nu wil de Koningin weer spreken tot haar volk. En gelijk jaren terug door H.M. werd getuigd van Hem, die over alle tijden heerscht, in Wiens hand alle tijden zijn, ook deze bange tijd, dien wij nu beleven — zoo zal Zij ook nu tot ons volk spreken een woord, dat velen in 't hart zal raken door heenwijzing tot Hem, die zegt: „Wentel uwen weg op Mij, Ik zal het maken".
Weer zal zij zekerlijk ook spreken van wat ons als volk van Nederland moet vereenen, om "saam te dragen de moeiten en de lasten des levens en saam alles te doen tot leniging van den nood.
En nu zal het geschieden met hoorbare stem ! Het is de wondere weldaad van de radio, dat de Koningin tegelijkertijd al haar onderdanen kan toespreken.
Daarvoor zijn we dankbaar. En wij zullen, zoo mogelijk, gaarne meeluisteren naar den Koninklijken Kerstgroet, die vol zal zijn van de Koninklijke boodschap, in Christus, Sions Koning, geopenbaard.
God, Nederland en Oranje — dat drievoudig snoer blijve tot in lengte van dagen onder ons !

THEOLOGISCHE STUDENTEN TE LEIDEN.
De trouwe omgang van prof. Eekhof te Leiden met de studenten is bekend. En mee onder zijn invloed is de liefde tot de beginselen van het Gereformeerd Protestantisme onder de theologen in de Sleutelstad toegenomen. Wij beschouwen het mee als vrucht van den arbeid van prof. Eekhof, dat nu in Leiden, eertijds het broeinest van het Modernisme, aan de Universiteit een Vereeniging is opgericht voor de studie der Gereformeerde theologie, genaamd : „Verbum divinum manet in eternum", d.i. Gods Woord bestaat in eeuwigheid. Het doel van die Universitaire Vereeniging is de Gereformeerde theologie te bestudeeren conform de „Drie Formulieren van Eenigheid", welke de Vereeniging als grondslag aanvaardt.
Gelijkgezinden onder de Leidsche theologen hoopt men op deze wijze in een werken studieverband te brengen. Secretaris der nieuwe Studie-Vereeniging is de heer H. J. Groenewegen, Kortenhoefschestraat 33, Den Haag.
Wij zijn met dit nieuwe bewijs van opleving van het Gereformeerd Protestantisme zóó ingenomen, dat we het hier niet onvermeld willen laten. En wij hopen, dat er in Leiden hoe langer hoe meer studenten mogen komen, die liefde hebben tot de Gereformeerde Waarheid.
Dat ook onze Hervormde Kerk uit Leiden nog menigen Gereformeerden dominé mag ontvangen, die onze Hervormde Kerk komen helpen in haar worsteling voor de Waarheid, die naar Gods Woord is en overeenkomstig de Gereformeerde belijdenis !
Het zal Kerk en Volk ten zegen zijn !

JEUGDWERK.
Hoe langer hoe meer wordt het gelukkig gevoeld in onze kringen, dat het werk onder de jeugd, onder de jongeren, allernoodzakelijkst is. En dan goed georganiseerd. Op beslisten grondslag en met breeden, ruimen blik op het leven, opdat we des te beter ingang vinden onder de jongeren. Want de jongeren hebben hun eigen levenssfeer en moeten ook in hun eigen levenskring worden gezocht en geleid.
Uit Leiden ontvingen we een Propaganda-geschriftje, dat ons aanleiding geeft op het Jeugdwerk in onze Hervormde Geref. kringen nog eens de aandacht te vestigen. Daar heeft zich rondom 't Wijkgebouw aan den Stillen Rijn No. 13 een kring gevormd die in en door twee jongelingsvereenigingen werken en wél de Jongelingsvereeniging „Calvijn" en de Jongelingsvereenlglng" „Wees sterk". Eere-voorzitter is ds. J. C. van Apeldoorn, Wijkpredikant, en als propaganda-commissie, vormend de Redactie van propaganda-geschriften, fungeeren de heeren W. H. Beekenkamp, leider van „Wees sterk", L. van den Bosch, lid van „Wees sterk" en M. van Egmond en A. Ouwerkerk, leden der Jongelingsvereeniging.
Het artikel dat ds. van Apeldoorn in het propaganda-geschrift „In en om ons werk" geschreven heeft, draagt als titel : „Een getrouw Woord" en luidt aldus :
„De komst van Christus in deze wereld om zondaren zalig te maken, noemt Paulus een getrouw en alle aanneming waardig woord (1 Tim. 1 vers 15a). In de brieven aan Timotheüs en Titus vinden wij dezelfde verklaring niet minder dan vijf malen. Oogenschijnlijk heeft zij telkens betrekking op iets anders. Inderdaad echter is telkens aan hetzelfde gedacht: Het is het evangeliewoord, d.w.z. het woord der prediking, het woord der verkondiging van het heil in Christus, het Woord Gods.
Dit woord is getrouw, vast, niet onderhevig aan al de veranderingen te midden waarvan wij hier leven. De betrouwbaarheid, de vastheid van dit woord kent Paulus proefondervindelijk. Zooals iemand staat midden op een plank, die over een sloot ligt en er met zijn voet op stampt om te onderzoeken of die sterk genoeg is en na hiervan overtuigd te zijn ook zijn makkers roept er over te gaan, zooiets doet Paulus. Hij weet, dat het woord getrouw is, daar het zelfs hem, den grootste der zondaren, kan dragen. Dan is er ook hoop voor anderen.
Werd dit woord van Paulus meer beleefd, wat zou het er in ons maatschappelijk, staatkundig, kerkelijk, maar ook vereenigingsleven anders uitzien. Wat een verdeeldheid en verbrokkeling, miskenning en haat onder hen, die schouder aan schouder moesten en konden staan. De wereld wijt de schuld van dit verschijnsel aan het Christendom, waarin dan feitelijk een beschuldiging ligt opgesloten aan Christus ; vele Christenen wijten het aan de zonde, waarmee dan alles gezegd is, maar ook alles kan blijven zooals het is ; ik voor mij geloof, dat het moet worden geweten aan 't totaal gemis van zondebesef, waardoor de naam Christus Jezus, gelijk de naam zondaar, niet meer is dan een klank. Alleen voor hem, die zondaar wil zijn, kan Christus Jezus alles zijn, maar zoo iemand is het ook aan te zien, dat hij uit den dood tot het leven is overgegaan.
Dan is het woord Christen geen etiket, niet iets opgeplakts, geen jas, die men bij enkele gelegenheden als dat zoo pas geeft, aantrekt, maar dan is men doortrokken van den geest van Christus. Dan kan het niet anders, of er straalt kracht uit, vuur dat aansteekt wie er mee in aanraking komt. Alleen, wie in levende gemeenschap met den Christus is gekomen, is een persoonlijkheid, in dienst getreden der broederlijke liefde, in welke de ootmoedigsten de grootsten zijn. Voor zoo een is ook het woord, dat getrouw is en alle aanneming waardig, het een en het al, bron van vertroosting, om het met. Luther uit te drukken : een geestelijke apotheek, die ook open staat voor een wereld, die haar medicijn overal zoekt behalve bij Christus. Weigert zij aan te nemen, wat haar met een hart vol ontferming wordt geboden, nooit zal zij haar ellende kunnen wijten aan een woord, dat getrouw is en alle aanneming waardig.
Helaas, het onbetrouwbare, hetgeen niet vast is, wil de mensch ; het betrouwbare, het vaste, het eeuwige wil hij niet. Slechts hij wil het, die de onbetrouwbaarheid, de onvastheid van alles hier beneden heeft leeren kennen".

KERKELIJK JEUGDWERK.
De heer W. H. Beekenkamp, theol. student te Leiden, schrijft in bovenbedoeld propagandageschrift een stukje over „Kerkelijk Jeugdwerk", waarin o.a. voorkomt :
„Ons werk draagt een kerkelijk stempel, en wel Hervormd-kerkelijk. „Is dat dan zooiets bizonders ? " vraagt iemand belangstellend ; „is dat werkelijk een punt van gewichtig verschil met allerlei andere vereenigingen en organisaties ? "
Bij de beantwoording van zulke, inderdaad belangvolle opmerkingen, sta voorop, dat ieder, die zich wijdt aan Hervormd jeugdwerk, wel degelijk oog kan hebben en oog moet hebben voor de niet-geringe beteekenis van z.g.n. Christelijke (met of zonder aanhalingsteekens !) vereenlgingen. We behoeven alleen maar te denken aan den uitgebreiden en waardeering waardigen arbeid van het Nederl. Jongelingsverbond.
't Alleen-Christelijke (en met opzet niet-kerkelijke) karakter van een Jeugd kring kan echter gevaarlijk worden. Het kan zijn, dat de vereeniging, die zich in theorie in kerkelijke zaken niet uitliet en zich voor geen bepaalde Kerk uitsprak, in de praktijk een sterk onkerkelijk en zelfs soms anti-kerkelijk karakter ging krijgen. Men had 'n kerk en de Kerk losgelaten ; men zei, niet kerkelyk „aan te voelen" en daarom ging men langzamerhand maar tegenover haar voorbij of — nog een stap verder — men richtte zich tegen haar.
U begrijpt wel, dat op die manier de kerk niet alleen in den boezem der vereeniging, maar eveneens in het leven dier jongeren weinig plaats meer inneemt. En ongetwijfeld ligt hier ook weer een van de oorzaken van de desolate toestanden in de Ned. Hervormde Kerk.
De hervormde jongelingen waren georganiseerd in groepen, waar zelden of nooit het onderwerp „de Kerk" en „onze Kerk" ter sprake kwam. Zich rekenschap geven van de geschiedenis van hun kerk, haar plaats in en beteekenis voor het volksleven, daar kwam men niet aan toe. „Christelijk zijn is toch al lang voldoende ! God vraagt heusch niet van welke kerk je lid was".
Onze vereenlgingen zijn kerkelijk gericht. Dat is haar hooge eer, maar sluit tevens een groote verantwoordelijkheid in. Moge het in geen geval aanleiding geven tot eenzijdige overschatting van de zichtbare Kerk. Immers deze wereld — ook de kerkelijke wereld — gaat voorbij. Dat neemt echter niet weg, dat de jong-Hervormden als Hervormden hun taak hebben te verstaan en dat ze leeren inzien de nijpende noodzakelijkheid hun plaatsen in Hervormde jeugdgroepen in te nemen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's