JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Dit is een bijzondere zegen, voor de armen weggelegd, en zij die jagen naar geld en goed, naar wereldeer of macht, beseffen niet van welk een geestelijk heil zij zichzelven berooven. Het is Gods gewone wijze van doen om tegenover het gemis van het een, het bezit van het andere te stellen. Wordt dus dit laatste niet genoten, dan komt dat, óf door dat men het lichtzinnig versmaadt, óf het niet dankbaar opmerkt."
Jap staat in gedachten verzonken. Zij heeft goed geluisterd. Niemand zou zóó in haar die vroolijke levenslustige Jap zien, die altijd het gezelschap weet bezig te houden, die onder de jongelui van Kleiterp bekend staat als een, wier mondje op de rechte plaats zit. Zij is thans bezig met dingen, die men nooit denken zou, dat haar bekoorden en waarover velen van haar leeftijd nooit een oogenblik dachten. Zij verstaat ook wel veel van hetgeen daar gezegd wordt, maar daarmede is toch voor haar nog geen verklaring gegeven van zoovele dingen, welke naar haar meening anders moesten zijn. Daar zijn toch menschen, die gedurende hun geheele leven als gebogen gaan onder een dubbelen last, en daar zijn er ook, die zoo gemakkelijk kunnen dragen wat wordt opgelegd. Daar zijn er, die altijd wel zouden kunnen weenen, en daar zijn er ook, die altijd wel schijnen te kunnen lachen. Daar is zooveel, dat strijdt tegen haar gevoel. Als zij eens baas was, dan zou zij spoedig een einde maken aan zooveel ellende, ten minste als zij de macht daartoe had en zij durft het haast niet denken, zij durft het nog veel minder zeggen, „waarom doet God dat dan niet ?
„Komen er bij den boer nooit vragen op ? " zegt zij opeens met verheffing van stem, terwijl zij hem vlak in het gelaat ziet en een vreemde gloed uit haar oog straalt.
Zij weet, dat boer Brandsma door zijn vele lezen een verstandig man is ; zij weet ook, dat hij een vrome man is, — in de jaren op „de Eendenkooi" doorgebracht heeft zij dit niet alleen gehoord maar bovenal ondervonden. Daar gaat een wonderlijke, stille kracht van hem uit en slechts heel zelden gebeurt het, dat hij door de omstandigheden van het leven uit zijn humeur raakt. Alleen de aanleg van die spoorlijn, waarmede zoovelen dwepen, omdat zij er zulke groote dingen van verwachten, heeft hem vele kwade oogenblikken bezorgd, doch ook al weer omdat hij meende dat dit verkeerde geestelijke gevolgen zou hebben en hij in zijn erfgoed was aangetast. Overigens is bij den boer belijdenis en leven één.
Zou zulk een man, met alles wat hij opmerkt en wat hem persoonlijk wedervaart, nu altijd vrede hebben ? Dat zou Jap willen weten en daarom durft zij op den man af zulk een vraag te doen.
Opnieuw haalt boer Brandsma de hand door den grijzen baard.
„Of hij nooit vragen heeft ? " Dat meisje moest eens v/eten hoe zij daar als met één ruk oude wonden open rijt en hem een pijn doet, waarbij de lichamelijke smart nog niets beteekent.
Liggen daar ginds op het kerkhof, onder dieti treurwilg, vlak bij de groote kerkdeur, niet drie zijner kinderen begraven, hem ontnomen toen zij hem zóó lief waren ?
„Of hij nooit vragen heeft ? " Is het hem dan niet een voortdurende zorg, dat onder het kroost 't welk hem gelaten werd, er gevonden worden, in wier hart de vreeze des Heeren blijkbaar niet aanwezig is, die zich veel meer voelen aangetrokken tot de dingen dezer wereld, zoodat hij dagelijks ervaren moet dat genade geen erfgoed is ?
„Of hij nooit vragen heeft ? " Weder ziet hij voor zich een beeld van jaren her, toen zijn nog jeugdig hart zoo vurig beminde en wederkeerig bemind werd; hoe toen de wreede dood kwam, die immers met alle banden spot, om dat luchtkasteel, waarvan hij zoo vaak gedroomd had, in puin te doen storten en zijn leven naar hij meende voor altijd te verwoesten.
„Of hij nooit vragen heeft ? " Als hij in overpeinzingen verzonken nadenkt over de leidingen Gods, zoo voor den enkelen mensch als voor 't groote geheel; wanneer hij aan z'n oog laat voorbijgaan 't wereldgebeuren voor zoover hem bekend in het groot en in het klein ; als hij nadenkt over de zware dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan, waarover Paulus in zijn Brieven veel schrijft, die de ongeleerde en onvaste menschen verdraaien tot hun eigen verderf, dan is het immers ook hem meermalen te machtig geworden. Waarom deze wél en gene niét behouden ? Waarom het Woord voor dezen een reuk des levens ten leven en voor genen een reuk des doods ten doode ? Hoe is met Gods onbegrijpelijke liefde, het verloren gaan der zielen te rijmen ?
Als God wil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen, en tevens het willen en werken naar Gods vrijmachtig welbehagen is, waarom worden dan niet alle menschen behouden ? Zij zijn toch allen afgeweken en te zamen onnut geworden, en ook degenen die binnengingen waren uit zich zelf niet beter dan zij, die buiten bleven ? Waarom heeft God de Heere de zonde toegelaten in Zijn schoone Schepping en vanwaar kwam die zonde ? Zeker, de Schrift zegt van den vader der leugenen, den menschenmoorder van den beginne, die in de waarheid niet staande bleef en zijn beginsel verloochend heeft; • Vanwaar echter kwam bij dien afgevallen engel de neiging tot het kwaad ? Was het uit God ? Dat kan immers niet. En toch! buiten God was in den beginne niets.
Dat zijn onder vele eenige vragen, waarover boer Brandsma menigmaal peinst; waarmee ook hij verlegen is, en niemand; die hem daarop antwoord geeft. Het eenige wat hij weet en waarmede hij in den loop der jaren ook vollen vrede gekregen heeft; is, dat God groot is en wij Hem niet begrijpen. Hoeveel vraagteekens hij ook of zijn levensweg ontmoet heeft, het gelooi in zijn God heeft hem immer staande gehouden. Met diepen eerbied buigt hij vooi het Woord des Heeren, waarin zijn ziel hei leven vond. Hoeveel hij ook daarin nog ontmoeten mag, dat schijnbaar strijdt tegel de rede, hij heeft ondervonden, dat tocf alleen in de Heilige Schrift de troost en di kracht te vinden is voor een arm zondaarshart van noode, en hoe dieper hij bij hep licht des Geestes wordt ingeleid in de heilgeheimen, hoe aanbiddelijker hem de grootheid Gods wordt; daarbij heeft hij deze genade ontvangen, dat hij zijn verstand gevangen legt onder de woorden Gods. Zijn troon moge dan omringd zijn van wolken en donkerheid, boven alles staat toch ook voor hem vast, dat gerechtigheid en gericht de vastigheid Zijns troons zijn.
(Wordt vervolgd);
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's