De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHRIFTVERKLARING

8 minuten leestijd

PSALM V.
Morgenbede in Gods huis, van iemand die onder lasteringen gebukt gaat.
1. Voor den orkestmeester; om bij fluitspel te zingen. Psalm van David.
2. O, Heere ! neig Uw oor naar mijn woorden, sla acht op mijn smeekingen, luis-
3. ter naar mijn hulpgeschrei, o mijn Koning en mijn God !
4. Want tot U smeek ik, Heere, in den morgen. Gij hoort mijne stem ; in den morgen breng ik U het offer en wacht Uw hulp in met vertrouwen.
5. Ja, Gij zijt geen God, Wien 't kwade behaagt;
6. De booze is uw vriend niet. Geen grootsprekers kunnen genade vinden in Uwe oogen ! Gij haat al wie zonde bedrijft,
7. en verdelgt wie leugen spreekt; Gij hebt een afschuw van den man die
bloed vergiet en bedrog pleegt, o Heere!
8. Maar ik mag door Uw groote gunst Uw huis betreden, mij in diepen ootmoed
neerwerpen in Uw heiligen tempel. 9. O Heere, wil mij naar Uwe gerechtigheid leiden, om mijner vijanden wil. Effen voor mij Uw weg.
10. Want in hun mond is geen oprechtheid, hun binnenste is vol verderf ; een open graf is hun keel, zij spreken valschheid.
11. Doe hen boeten, o God, dat zij vallen in hun raadslagen ! Stoot ze neer om hun overgroote boosheid, want zij zijn weerbarstig tegen U.
12. Maar verheugen zullen zich allen, die bij U toevlucht nemen, eeuwig zullen juichen zij, die Gij beveiligt. Zij zullen zich in U verblijden, die Uw Naam beminnen.
13. Want Gij zegent den rechtvaardige, o Heere ; als met een schild dekt Gij hen naar Uw welbehagen.

Verklaring.
Gebed bij het morgenoffer, van iemand die onder lasteringen gebukt gaat en leeft te midden van velen die God haten en gruwel bedrijven. In den tempel roept de ziel tot God en in den morgenstond offerande brengend voor Gods aangezicht, mag de ziele hopen op den Heere.

De bidder weet, dat de Heere het kwade haat. De goddeloozen zullen het niet kunnen uithouden. Leugenaars zullen niet bestaan voor God. De Heere doe ze vallen in hun eigen kuil!
Zalig tot den Heere z'n toevlucht te mogen nemen als de benauwdheid ons omringt.
Dat de Heere opening make ! Dat de goddeloozen de oordeelen Gods mogen ervaren. Dat hun raadslagen te niete worden gemaakt!
Dan zullen degenen die op den Heere vertrouwen opspringen van vreugd, als ze ervaren mogen dat de Heere hen nabij is.
Zij zullen tot in eeuwigheid Hem loven. Des Heeren welbehagen is een schild voor degenen die Hem vreezen.
Hij zal uitroeien die van Hem afhoereeren.


DE DWAAS ZEGT IN ZIJN HART : ER IS GEEN GOD.
Artikel 2 van onze Ned. Geloofsbelijdenis.
Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld : vermits deze voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, als de apostel Paulus zegt, Rom. 1 vers 20 ; welke dingen alle genoegzaam zijn om de menschen te overtuigen en hun alle onschuld te benemen. Ten tweede geeft Hij Zichzelven ons nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en goddelijk Woord, te weten, zooveel als van noode is in dit leven, tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen.
Wij vinden bij de vaderen de uitdrukking van aangeborene en verkregene Godskennis.
Onder de aangeborene Godskennis verstonden zij het aangeboren vermogen om God te leeren kennen, terwijl dan de verkregene Godskennis het resultaat was van de ontwikkeling van dat vermogen.
Het valt niet te ontkermen, dat elk mensch een ingeschapen gevoel van een Opperwezen bezit. Het is treffend, dat er onder al de volkeren der aarde een semen religionis, een zaad der religie, is overgebleven. Er is geen schepsel op den ganschen aardbodem, of hij gevoelt zich afhankelijk van een hoogere macht.
Dat gevoelen zelfs de spotters bij tijden en oogenblikken.
Ik las eens van een matroos, die vloekend in den mast van 't schip eenige veranderingen aan de zeilen aanbracht. Spottend en vloekend was hij omhoog geklommen, maar ziet, daar zette hij den voet bij zijn klimpartij op een verkeerde plaats. Hij stortte naar beneden en zag den dood voor oogen. „O God, help mij", was het laatste wat men van hem hoorde, eer hij in de diepte verdween.
Hoe menigmaal zien we dit zich herhalen in het leven. Als het er op aankomt, beginnen spotters in de laatste ure nog te bidden.
De stem van ons geweten predikt het ons luide, dat er een God is. Juist door de gave der rede zijn we zoo hoog boven de andere schepselen verheven. In die rede wortelt ons geweten. Het dier mist het geweten.
De mensch kan zich echter niet ontdoen van het bezit eener onuitroeibare consciëntie. Van dat geweten heeft Paulus in Rom. 2 vers 14 en 15 treffende dingen gezegd : Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen dingen, die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet, als die betoonen het werk der wet geschreven te hebben in hunne harten, hunne consciëntie medegetuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende.
Reeds Cicero zeide :
Er is geen volk zoo bartaaarsch, hetwelk niet erkent, dat er een eenig God is, in zoo verre, dat de menschen liever een valschen god willen hebben, dan in het geheel geen God ; zoo diep zit het gevoelen der goddelijkheid in onze harten.
We zijn tegenwoordig tamelijk goed bekend met de wereld der vdlkeren. Nog nergens is er een volk gevonden op de wereld, hetwelk geen religie bezat.
Ge vindt overal kerken en tempels en altaren, beelden of allerlei andere voorwerpen, dienende voor godsdienstige vereering.
Nu werpt men mij misschien tegen, dat er dan toch onder de cultuurmenschen van de twintigste eeuw velen gevonden worden, die godsdienstloos willen heeten.
Ge hebt gelijk; maar nu moet ge niet vergeten, dat er zich bij zoodanige ongodisten toch weer aanzienlijke religieuse verschijnselen openbaren. Is het dan al geen geloof, dan woekert 't bijgeloof voort.
Al die moderne geestelijke stroomingen zijn het bewijs dat de mensch niet zonder religie leven kan.
Naast deze aangeborene Godskennis bestaat ook nog de verkregene Godskennis, gelijk we boven hebben opgemerkt.
Als we de werken Gods gadeslaan, zooals Hij zich openbaarde in de schepping, krijgen we klaardere kennis van God. Wij moeten leeren lezen in het boek der natuur. Het is een schoon boek. De groote zoowel als de kleine schepselen zijn als letteren in dat boek der natuur. Inderdaad, de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel
Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap ; geen spraak en geen woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord. De bruisende golven der zee, de zingende vogelen, de geurende bloemen, de. zpemende kevers, de flonkerende, sterren, de steile rotsgevaarten, 't spreekt ons alles van de almacht van den grooten Schepper aller dingen.
Inderdaad, de Schepper laat zich niet onbetuigd, goeddoende van den hemel, regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en vroolijkheid.
Wat zijn de dichters vervuld geweest met gevoel van kleinheid, als ze de wonderen Gods in dat heerlijke  scheppingswerk hebben aanschouwd en bezongen.
Zelfs Job sprak van de liefelijkheden van het Zevengesternte en van de strengen van den Orion.
Maar wat zien we naar rondom ?
Is niet het lichaam, hetwelk we omdragen, een pronkjuweel van den Schepper ?
De meest ingewikkelde machine moet het o zoo ver afleggen tegen het kunstgewrocht van ons lichaam.
De groote Schepper gaf ons oogen om te zien, plantte ons het oor in om te hooren, gaf ons een hart om het bloed door de aderen te doen vloeien, een maag om voedsel tot ons te nemen tot onze versterking, zenuwen, als telefoondraden door ons lichaam verspreid, alle in contact met het centraal kantoor van ons hersenweefsel.
Wondervol maaksel! Met de ziel vereenigd, vormt dat lichaam een denkend, levend, handelend wezen.
Zonder de ziel valt het ineen. Reeds oogenblikkelijk na het sterven treden de ontbindende machten en krachten op om dien schoonen tempel onzes lichaams te vernietigen.
En toch, hoe schoon en aangrijpend dit boek der natuur ook zijn mag om te worden gelezen door de schepselen, de mensch is door de zonde zoó verblind, dat hij zelfs niet recht in dat boek der natuur meer kan lezen, tenzij dan bij het licht der bijzondere Godsopenbaring, het licht der Schriftuur. Als we de Schrift niet hadden, dan zouden we ook het boek der natuur niet kunnen lezen, gelijk een kind van God nu daarin lezen mag.
Maar voor de zaligheid onzer zielen hebben we aan de kennis van het boek der natuur niet genoeg.
De letteren uit het boek der natuur mogen ons de onzienlijke dingen Gods, beide Zijn eeuwige, kracht en goddelijkheid te aanschouwen geven, de natuur geeft ons geen antwoord op de vragen van het bange hart, hetwelk gebukt gaat onder zonde en schuld. Het geeft geen antwoord op de vragen hoe we weer met God, kunnen worden
verzoend.
Het boek der natuur verschaft een rijke natuurlijke Godskennis, genoegzaam om zelfs aan den heiden zijn onschuld te benemen, doch van den weg der zaligheid spreekt het boek der natuur ons niet.
En daarom is God gekomen met de bijzondere openbaring van Zijn heilig Woord, opdat daarin aan arme, verblinde zondaren weer zou geleerd worden, welke de weg is om weer weder te keer en naar Gods Vaderhart.
Daarover D.V. later.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

SCHRIFTVERKLARING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's