STAAT EN MAATSCHAPPIJ
PROFESSOR VISSCHER AAN HET WOORD.
In de avondvergadering van de Tweede Kamer van 15 December heeft prof. Visscher bij de behandeling der Onderwijsbegrooting in een hoogst belangrijke rede critiek geoefend op de hooge uitgaven voor het onderwijs.
Het is jammer, dat wij niet veelvuldiger de stem van onzen professor in het parlement mogen beluisteren, want ook wat de Antirevolutionaire afgevaardigde in dien kring spreekt, is altijd het aanhooren overwaard.
Hoewel het onze gewoonte niet is om redevoeringen van Kamerleden in haar geheel te plaatsen, mogen wij uit hoofde van de groote beteekenis der materie, die door prof. Visscher aan de orde werd gesteld, eene uitzondering op den regel maken en zijn rede hieronder laten volgen.
Prof. Visscher dan zeide :
Mijnheer de Voorzitter ! Ik wensch eenige algemeene opmerkingen te maken uit het oogpunt der bezuiniging. Vooraf ga de verklaring, dat ik niet behoor tot die vele leden, die, teleurgesteld over den gang der onderwijswetgeving, den Minister hun vertrouwen niet kunnen schenken. Ook zonder crisis acht ik de kosten van het onderwijs te hoog opgevoerd. Ik heb er vroeger reeds op gewezen, dat wij ook op dit gebied leven boven de limiet van ons nationale vermogen. Als de spreuk „gouverner c'est prévoir" waarheid bevat, dan moet geconstateerd, dat er van deze providentie in ons Regeersysteem weinig valt te bespeuren. Ik weet, als de Minister met bezuinigingsmaatregelen komt, hij uit veler mond in het Voorloopig Verslag moet hooren, dat deze belangen bij hem niet veilig zijn. Hij loopt gevaar als een duisterling en vijand van volksverlichting te worden uitgekreten. Welnu, ik leg er den nadruk op, dat de onderwijsbelangen naar mijn meening bij dezen Minister niet alleen veilig, maar eigenlijk zelfs te veilig zijn, omdat er met het oog op de duistere financieele toekomst veel intensiever bezuinigd zal moeten worden dan in deze begrooting geschiedt. Ook afgezien van de crisis is de onderwijsbegrooting in evenredigheid met het totaal der uitgaven te hoog. Een lichtzijde dezer crisis kan zijn, dat zij noopt tot bezinning over inperking der Staatsbemoeiïng.
Wat het lager onderwijs aangaat, zal de Regeering moeten streven naar een ander systeem van wetgeving, waarin meer decentralisatie, meer vrijheid, maar ook grooter verantwoordelijkheid der ouders den toon aangeeft, dan in dit uit de vreugde der pacificatie geboren stelsel.
Een van de grootste oorzaken der moeilijkheden, waarin wij thans verkeeren, is de overschrijding van de grenzen door de natuur zelf aan de Staatstaak op onderwijsgebied gesteld. Benjamin Kidd heeft het kwaad aldus omschreven in zijn werk „The principles of Western civilisation". Alle groote politieke partijen komen, hoeveel zij ook mogen verschillen, hierin overeen, dat zij alle stoelen op den wortel van „the omnipotence of the State". Ook al wordt ontkend de juistheid van het beginsel, dan dreef men toch mee af in de richting eener steeds verder gaande Staatsbemoeiïng. De Antirevolutionaire Partij heeft daartegen gewaarschuwd in art. 12 van haar beginselprogram, dat blijkbaar zoo juist is, dat de Staatkundig-Gereformeerde Partij het heeft overgenomen, al strookt 't niet geheel met de door deze partij hier voorgedragen verklaring van art. 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis. De Antirevolutionaire partij sprak uit dat de staat het beginsel late varen, alsof de Overheid geroepen zou zijn om van harentwege onderwijs te doen geven. De miskenning van dit gezonde beginsel heeft een steeds toenemend Staatsbudget ten gevolge. Had men dezen gezonden norm tijdig in het oog gevat, dan zou niet slechts het gevaar voor de Staatsfinanciën bij een crisis als deze minder groot zijn, maar ook zedelijke dienst den volke bewezen zijn, dat zich zelf had leeren helpen. Nu zal het zeer moeilijk zijn voor de Regeering tot de natuurlijke grenzen harer taak terug te keeren.
Het onderwijs behoort goed te zijn, maar dat beteekent niet, dat de Staat zich in dienst heeft te stellen eener utopistische paedagogie. Er is veel, dat hij aan liefhebbers gerust kan overlaten.
De volksschool heeft tot taak aan de kinderen des volks die vorming bij te brengen, die voor hen mogelijk en dienstig is. Mogelijk in verband met de onderscheidene levenskringen, die het sociale leven voortbrengt, dienstig in verband met hun toekomst. Er zijn wel sociale theorieën, die een eenheidsschool vorderen, maar de natuur gaat steeds boven de leer. Het leven baart verscheidenheid en de schoolpolitiek moet daarmede rekening houden. Voor allen is niet hetzelfde dienstig, noch noodig. In het Voorloopig Verslag zijn er leden aan het woord, die van oordeel zijn, dat een „breedere basis van kennis gelegd moet worden in de volksschool, waarop later kan worden voortgebouwd". Ik kan, Mijnheer de Voorzitter, deze opvatting niet deelen. De ervaring leert, dat niet een breedere, maar een diepere basis van kennis noodig is. De opvoeding van ons volkskind is eer te breed en te ondiep. Men spreekt tegenwoordig gaarne zelfs in de onderwijswetgeving in termen, aan de architectuur ontleend.: Hoewel ik dergelijke legislatieve beeldspraak niet bewonder, zal ik er mij ditmaal bij aansluiten en zeggen, dat hier sprake kan zijn van „revolutiebouw".
De volksschool behoort te geven een afgesloten ontwikkeling, zóó, dat de leerlingen bekwaam worden om een beroepsopleiding aan te vangen. Daarom juist moet de volksschool zich bepalen tot het aanleeren van die elementaire kundigheden en 't, bijbrengen van zulk een ontwikkeling, dat zij zich genoegzaam in het maatschappelijk leven oriënteeren kunnen. En nu is dit mijn bezwaar, dat deze elementaire kundigheden den kinderen niet genoegzaam bijgebracht worden. Daaraan hapert het niet weinig. En als nu de basis nog breeder wordt, worden de resultaten nog slechter.
Behalve verbreeding van basis wordt ook verlenging van leerplicht bepleit. Ik geloof niet, dat de Regeering goed zou doen aan; dergelijke wenschen een willig oor te leenen. Niet alleen omdat wij het niet kunnen betalen, maar omdat men dien weg in het geheel niet moet opgaan. Wil men de resultaten van het volksonderwijs verbeteren, dan kan dat gezocht worden in verdieping van het onderwijs door vermeerdering van het aantal lesuren. Het is volstrekt geen wonder, dat de resultaten van ons onderwijs slechter zijn geworden. Als de basis verbreed en het aantal lesuren verminderd wordt, hoe kan dit dan anders ? Aan den onderwijzer komt een billijk honorarium toe, dank zij het ideëele karakter zijner taak, maar hij behoort er voldoende voor te werken. In Duitschland rekende men vóór den oorlog — ik ontleen deze cijfers aan wijlen prof. Paulsen, hoogleeraar aan de Universiteit te Berlijn —, dat in de laagste klassen 18 uren, in de hoogere 32 uren voor onderwijs mochten bestemd worden, daaronder niet gerekend de tijd voor gymnastiek, spelen enz. In mijn jeugd gaf men voor de hoogere klassen behalve des Woensdags en des Zaterdags ook des avonds van 5—7 onderwijs op de volksschool. Wanneer er nu eens 4 maal 2 uren meer besteed werden aan het bijbrengen der elementaire kundigheden, waaronder met name het taalonderwijs, zou er dan niet een betere basis gelegd worden om op voort te bouwen, dan nu het geval blijkt te zijn. Menschen, die zelfs middelbaar en hooger onderwijs genoten hebben, schrijven brieven, die krioelen van de fouten.
En hoewel het Duitsch grammatisch veel moeilijker is dan het Nederlandsch, is mij dit bij Duitsche studenten zelden voorgekomen.
Ik zal het nu niet hebben over de meer den gemeenten aangaande luxe der gebouwen en de zedelijke nadeelen, daardoor aan vele kinderen toegebracht. Maar ik wijs er toch op, dat de zorgen der Overheid op schoolgebied zich zelfs uitstrekken over wat zeker des gezins is. Gezinsondersteuning is verre te verkiezen boven overneming der gezinstaak.
De Regeering ga bij haar bezuinigingspogen te werk naar de normen, die in de grenzen van Staat en maatschappij gegeven zijn. Zoolang zij dit niet doet, is er geen stilstand in de onevenredige stijging van het budget. En als de Regeering dan ook nog den wil, den moed en de macht heeft om onnoodige dure franje uit de wetgeving te nemen, zal zij vele millioenen besparen kunnen zonder dat het volksonderwijs daardoor iets minder behoeft te worden.
Het minst van alles behaagt mij de middelbare onderwijspolitiek. De Minister deelde mede, dat hij het aanhangige wetsontwerp aan de orde denkt te stellen. Moge ik hem herinneren, dat de commissie uit de Kamer op de behandeling van dat ontwerp zeer weinig prijs stelde.
De chaos op dit gebied is een gevolg van dezelfde overschrijding van de grenzen der Staatstaak. Er is een kunstmatige aandrang naar middelbaar onderwijs gekweekt, waarvan een ordelooze vermeerdering van soorten van scholen het gevolg is. Dit verschijnsel is een niet te onderschatten sociaal gevaar. Menschen, die voor een wetenschappelijke opleiding niet bestemd of geschikt zijn, doet, men door zulk een opleiding geen dienst. Voor den zoon van een rijkaard ïs het geen wezenlijke zegen dat hij er met kunst-en vliegwerk ten slotte komt, maar voor hen, wier levensomstandigheden niet ruim zijn en die de gaven missen voor hoogere vorming, is het een vloek.
Een te veel aan kennis, vergeleken met den aanleg, maakt niet wijzer, maar dommer. Er is onderscheid tusschen domheid en onwetendheid. Onwetendheid is gebrek aan kennis, domheid een gebrek aan oordeel. Domheid kan er zijn bij genoegzame kennis. Ik herinner mij van een groot Engelsch staatsman gelezen te hebben, dat hij een jongeman bij zich kreeg, die om een baantje vroeg. En nadat hij een poosje met hem gesproken had, wees hij het verzoek af met de woorden : „You are overeducated", „gij hebt voor uw verstand te veel geleerd".
Wie met jongelui in aanraking komt, op examens bekend is, doet die zelfde ervaring op. Onze examenjacht dwingt velen veel te leeren, dat met hun werkelijke gaven niet overeenkomt en dus voor hun persoonlijkheid geen waarde heeft. Het vermogen tot oordeelen wordt door zulk een schijnkennis meer geschaad dan gebaat. In hun leven hebben de menschen er niets aan. Zoo worden er duizenden volgepropt met een kennis, die hun gezond verstand onderdrukt. Daar wordt domheid niet geboren, maar gemaakt door onderdrukking der natuurlijke gaven. En dit gaat gepaard met een hoogmoed, die, onbevredigd, anti-sociale neigingen oproept. De apostel heeft reeds gewaarschuwd voor een kennis, die opgeblazen maakt. Erger wordt dit, als, wat dikwijls het geval is, er een tegenstelling is tusschen deze schijnontwikkeling en de maatschappelijke positie. Dan blijkt zulk een opleiding een vloek, omdat zij leert eischen aan het leven te stellen, die het niet vervullen kan. Zoo wordt de onbehaaglijkheid geboren van het mislukte genie, die de declasseering begeleidt. Welnu, onze chaos van middelbaar onderwijs declasseert velen. Wij hebben ze allen ontmoet, die de harde plichten beneden hun waardigheid achten, wier ontevredenheid arbeidsvreugde en levensgeluk vergalt. Zij vervallen tot het vooze idealisme eener ziekelijke wereldbeschouwing en worden maar al te vaak de profeten van wat Schiller noemde „der schrecklichste aller Schrecken". Maar nu is toch zeker de vraag gewettigd : welk Staatsbelang is er met deze verlichtingsmanie gediend ? Moet men, om deze resultaten te verkrijgen, al maar meer soorten van scholen creëeren voor millioenen schats ? De Regeering moge toch ophouden met haar ooren te neigen tot de influisteringen eener ziekelijke paedagogie, die er op uit is allerlei jongelui, die misschien bij verstandige leiding voor een practischen werkkring zeer geschikt zouden kunnen worden, vol te pompen met eenige schijnkennis, waardoor zij langs een of ander paadje de poorten der Universiteit kunnen binnenstrompelen.
Dit streven geeft hier te lande den toon aan. Hoezeer de Regeering met deze middelbare schoolpolitiek op den verkeerden weg is, kan uit de Memorie van Antwoord blijken. Op bladz. 12 wordt gesproken over het groote aantal medische studenten te Utrecht en de moeilijkheden, die daaruit voortvloeien. De Minister erkent de gegrondheid daarvan, maar 's Rijks financiën laten niet toe iets tot verbetering te doen.
Gegeven de nooden dezes tij ds, zou men met zulk een antwoord vrede kunnen hebben, maar wie zich nu rekenschap geeft van de middelbare schoolpolitiek, die er op gericht is, om op een zoo groot mogelijk aantal jongelui het „dwingt ze om in te gaan" toe te passen ; wie bedenkt, dat in art. 149 niet minder dan ƒ290.000.— voor studiebeurzen zijn uitgetrokken, waarvoor men alleen toch zeker 290 studenten kan laten studeeren, die moet zich toch afvragen of een Regeering, die zelf op zulk een kunstmatige wijze het aantal studenten op voert, het zedelijk recht heeft om te zeggen : „ik kan u niet aan meer ruimte, noch aan meer leerkrachten, noch aan meer middelen helpen, want ik heb geen geld". Hier is toch blijkbaar alle providentie zoek. Deze Regeeringspolitiek berust op geheel onjuiste beschouwingen. Men wil, zoo heet het, begaafde jongelui in de gelegenheid stellen de plaats te bereiken, waarop hun gaven recht geven. Inderdaad, er moet gelegenheid zijn voor niet financieel krachtige begaafde jongelui. Doch hun superioriteit moet dan blijken. Nu heerscht er een duistere wedloop over voorspraak. Maar de werkelijkheid is, dat ook zonder beurs de werkelijk begaafden de plaats verwerven, die hun toekomt. In hun levensstrijd blijkt hun begaafdheid, blijkt ook. Mijnheer de Voorzitter, dat niet een vergadering van kennis, maar zedelijke eigenschappen voorwaarden zijn voor het bereiken van het levensdoel. Meer dan alle beunhazerij is de levensstrijd de levensschool.
Niet ieder kan alles leeren, en gelukkig behoeft ieder ook niet alles te leeren. Niets is nuttiger dan gezonde vorming, maar ook niets is schadelijker dan een pseudoverlichting. Deze werkt reeds als een parasiet in ons volksleven. Steeds komen er nieuwe africhtingssystemen om onbegaafden een schijn van verlichting bij te brengen. Voor vele jongelui wordt dit een bron van leed, dat hun jeugd met een wolk van vroegtijdige levenssmart overschaduwt. De bladen getuigen van de smart hunner moeders en van de blindheid der vaders voor het nuchtere feit, dat niemand meer kan geven dan hij ontvangen heeft. De ziekelijk intellectualistische opdrijving brengt velen tot de dwaling, dat zij zonder aan dien wedloop mee te doen, niet kunnen slagen in het leven. De crisisnood nope de Regeéring zich los te maken van deze quasiverlichtingsmanie. Het zal haar taak zijn naar een vast beginsel orde te scheppen in deze materie. Daarom is het noodig scherp te onderscheiden tusschen algemeene ontwikkeling en opleiding voor hoogere wetenschappelijke vorming. De Regeering, wijst in de Memorie van Antwoord een selectie door verzwaring van examens af. Ik houd het examen voor een noodzakelijk kwaad; Maar het is nog iets anders de groote scheidingslijn, die door de wetenschap dezes tij ds loopt, ook bij het voorbereidend hooger onderwijs in het oog te vatten. De Regeering geve hoogere burgerschool en gymnasiaal onderwijs een diepere basis en zij verdiepe ook de examens, zoodat de domheid tijdig voor 't net blijft. Er moet aan ons middelbaar en gymnasiaal onderwijs een vitaal gebrek kleven. Wie met de resultaten van dat onderwijs in aanraking komen, staan verbluft over het gebrek aan ontwikkeling. Het is een raadsel, hoevelen door de eind-examens komen.
De Regeering moet er zich niet afmaken met een beroep op artikel 1 der Hooger-Onderwijswet, waar gesproken wordt van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor wetenschappelijke opleiding noodig is. Maar wie zulk een opleiding zal verkrijgen, moet dan toch in staat zijn om wetenschappelijk opgeleid te worden. En dat ontbreekt maar al te zeer. Is het daaruit soms niet te verklaren, dat er in de bureaucratische wereld dikwijls zooveel domheid aangetroffen wordt.
Het geven van onderwijs is vrij. Maar dat beteekent niet, dat al wat zich als onderwijs aandient door den Staat moet worden betaald. Wie zijn uilen voor valken houdt en het leergierig kroost een ruime algemeene ontwikkeling wil geven, blijve vrij zich de psedagogen te huren, die hij wenscht. Maar de Staat betale deze liefhebberij niet. Het Staatsbelang vordert, dat er voor hen, die voor wetenschappelijke vorming geschikt zijn, een grondige vooropleiding zij, doch deze behoort zóó ingericht te zijn, dat de ongeschikten er bijtijds uitvallen. Als de Regeering orde schept, zullen de ouders wijsheid leeren en begrijpen, dat hun kinderen voor de praktijk des levens uitstekend geschikt kunnen zijn en dat zij met gezond verstand meer bereiken dan met een schijnverlichting, die hen niet waarlijk verlicht. Dan zal de Regeering tevens de Universiteiten ontlasten van velen, waaraan de wetenschappelijke opleiding voorbijgaat als de schoonste muziek aan het oor van hem, die muzikalen aanleg mist.
Zie hier de rede van professor Visscher. Zeiden wij wel hierboven te veel, toen wij gewaagden van een hoogst belangrijke rede van den Antirevolutionairen afgevaardigde.
Wij kunnen ons begrijpen, dat zij met stille aandacht werd gevolgd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's