MEDITATIE
Hosannah — doch, Heere, geef heil — de Zone Davids ! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren. Matth. 21 vers 9 (midd.)
KERST-JUBEL.
Zoo jubelde eenmaal Israël bij Jezus' intocht, acht dagen vóór Zijnen dood, te Jeruzalem, en zoo jubelen ook Sions kinderen op dit Kerstfeest.
Ja, Christus is dat ware Zaad Davids. Als zoodanig werd eenmaal aan David de belofte gedaan dat zijn huis bestendig zou zijn en zijn koninkrijk tot in eeuwigheid en zijn zetel eeuwig zou vaststaan.
Als zoodanig is Hij ook door den profeet Jesaja voorzegd, gelijk wij (Hoofdstuk 11 VS. 1) lezen : „Want er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en eene scheut uit Zijne wortelen zal vrucht voortbrengen".
Als zoodanig werd Hij ook door den Engel aangekondigd, toen deze tot Maria sprak : „En God de Heere zal Hem den troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jacob koning zijn tot in eeuwigheid en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn".
Welnu, als zoodanig werd Hij dan thans door Zijn volk ingehaald en toegejuicht, en bewees hiermede, dat de zaligheid, naar Zijn eigen getuigenis, was uit de Joden.
Evenwel, wij moeten nog eene schrede verder gaan. Want was Christus naar Zijn vleeschelijke afkomst de Zoon van David, naar Zijne goddelijke afkomst is Hij de Zoon van God, de Eeniggeborene des Vaders.
En daarom, nog eenmaal: wie is Hij, Die daar komt, komt in den Naam des Heeren?
Wie anders, dan dat Afschijnsel Zijner heerlijkheid, dat uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid tot Wie de Vader gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Dan Hij, die langbeloofde Profeet en Leeraar, op Wiens lippen genade en waarheid waren uitgestort. Dan Hij, die Hoogepriester van eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Dan Hij, die hoogste Koning, gezalfd over Sion, den berg van Gods heiligheid.
Ziedaar den verheven Persoon, Die komt en gekomen is, de gestalte eens dienstknechts aangenomen hebbend.
O, zalig feit, dat Christus is mensch geworden, den broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Want indien dit feit niet had plaats gehad, dan was het voor een iegelijk een afgesnedene zaak.
Verplaatst u daartoe met uwe gedachten in Edens hof bij 's menschen val; en ziet, hoe Gods recht wordt geschonden. Zijne majesteit wordt gekwetst, Zijn gebod wordt overtreden. En nu, wat zal God doen ? Zal Hij dit alles straffeloos aanzien ? Zal Hij van heilig recht afstand doen?
Neen, zegt onze Catechismus. God wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoegdoening geschiede. Sion zal door recht verlost worden. En ziet, waar geen Engel of mensch daartoe in staat was, daar sprak, de Zone Gods als die Borg : „Zie, Ik kom, in de rolle des Boeks staat van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen en Uw wet is in het midden Mijns ingewands".
En daarom, nog eens, indien die Menschwording niet had plaats gehad, dan ware elke lichtstraal van hoop op behoudenis uitgebluscht. Maar nu Hij, Wiens Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Nu in Hem dat „Immanuël" is belichaamd geworden, nu is daar raad voor radeloozen, behoudenis voor verlorenen, vrijspraak voor ganschelijk doemwaardigen. Nu is daar op een dag als deze rijke stof tot den jubel: Hosanna, de Zone Davids ! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren !
En vraagt gij op welk eene wijze die Zone Davids komt ? Welnu, verneemt het uit ons tekstverband, waar wij lezen : dat de Heiland, gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde het jong eener jukdragende ezelin, Jeruzalem binnenrijdt. M. a. w. Hij komt in geringheid en nederigheid, in teederheid en zachtmoedigheid. Want waar ter wereld is het ooit vernomen : een Koning, en dat nog wel die Koning der Koningen, gezeten op een ezelsveulen ?
Hoe treffend zien wij hierin de profetie van Zacharia 9 vers 9 vervuld : „Verheug u zeer, gij dochter Sions ! juich gij dochter Jeruzalems ! Zie, uw Koning zal u ko men, rechtvaardig en Hij is een Heiland ; arm en rijdende op een ezel en op een veulen, een jong der ezelinnen".
O, diepte eener armoede, door geen Engel of mensch te peilen, en met het volste recht mag de apostel schrijven : „Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden".
Want ja, genade is het, rijk en vrij. Immers Christus' armoede was een vrijwillige armoede. Gelijk Hij Zélf verklaart: Niemand neemt hetzelve leven van Mij. Ik heb macht hetzelve af te leggen en wederom aan te nemen.
En daarom : vrijwillig verlaat Hij den troon Zijner heerlijkheid om af te dalen tot. de diepste vernedering, 't smartelijkste lijden, den vloekwaardigsten dood.
O, is het wonder, dat hij, die in de zalige vrucht dezer armoede deelen mag en hierbij eens recht ingeleid mag worden, moet uitroepen : wat heeft U, o Zone Gods, kunnen bewegen om voor mij, snood rebel, die U naar de kroon heb gestaan, en na ontvangene genade nog voortdurend mijn weg voor Uw aangezicht kom te bederven, Uw hemeltroon te verlaten en op eene aarde neder te dalen, welke U niet anders dan de scherpste doornen bereiden zou.
O ! hij zou het wel met zijn bloed willen onderteekenen : genade rijk, en nochtans vrij.
En vraagt gij thans, voor wie die Zone Davids komt en gekomen is ?
Welnu, het antwoord is : voor het ware zaad Davids, voor het Israël naar den geest. Immers èr is tweeërlei Israël. Er is een Israël hetwelk den eenen dag jubelt: Hosannah ! en een week daarna, gelijk hier plaats had: kruist Hem, kruist Hem ! Doch ziet, er is ook een Israël hetwelk van nature even schuldig is aan dat: kruist Hem ! doch hetwelk de Heere tot Zijn erfvolk verkoren heeft en in dat kruis met zijn Gekruisigde, zijn eenigen Rotssteen der behoudenis gevonden heeft.
Ook zij lagen met die gansche wereld verdoemelijk voor God; ook zij stonden gevonnist voor Gods heilige vierschaar.
Nochtans : die groote Davidszoon trad tusschenbeide; Hij stelde zich voor hen Borg en sprak : Ik wil niet, dat deze in het verderf nederdalen. Ik heb voor hen verzoening gevonden. Hij wilde hun een eeuwige Kerstvreugde en Kerstvrede bereiden, vervat in dat: „Ik leef, en ook gij zult leven !"
* En om thans met een vraag ter toepassing te eindigen : Hosannah, de Zone Davids ! Gezegend zij Hij, Die komt in den Naam des Heeren ! dat roept ook dit heerlijke Kerstfeest ons toe. Evenwel, wat zal het thans bij u zijn, n.l. : een Hosannah, dan wel gelijk later te Jeruzalem, een : kruist Hem ! Een kruist Hem !? zegt gij. En toch, laat ons het u aanzeggen, wanneer gij nog nooit een ware traan over uwe zonde geschreid hebt; wanneer gij nog niet tot de ontdekking zijt gekomen, hoe buiten Christus de dood en in Hem alleen het leven gevonden wordt; wanneer het nog niet bij u tot die Mozes-keuze door genade gekomen is, achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten van dit Egypte dezer wereld, — wat zal, wat kan het dan in de practijk anders bij u zijn, al spreekt gij het niet uit met den mond, — dan een : kruist Hem !
O, voor zoovelen gij nog tot die ongelukkigen behoort, valt den Heere te voet met de bede, dat Hij u te sterk worde, en evenals Jezus thans Jeruzalem binnenreed. Hij ook uw hart moge binnenrijden en tot u dat almachtige woord spreke : Ik leef en gij zult leven ! opdat alzoo Zijne geboorte uw wedergeboorte, door almachtige genade, worde !
En wat u betreft, onderdanen van dezen Koning, ziet in die jubelende schare ter eere van Christus te Jeruzalem, uw roeping u aangewezen.
Waar de wereld buiten Christus hoe langer hoe dieper wegzinkt en Hem overal buiten sluit, mocht Hij daar door u des te meer worden ingehaald op alle terrein des levens.
„Hij moet wassen, en ik moet minder worden", zoo was de leuze des Doopers, en daarom, waar Hij als Kind in u werd geboren en gij in Hem, mocht gij thans bij eigen ledigheid steeds meer uit Zijne volheid ontvangen genade voor genade, ziende op Hem, dien oversten Leidsman en Voleinder des geloofs.
Totdat zich voor al de Zijnen die poorten ontsluiten van dat hemelsch Jeruzalem om aldaar dien eeuwigen Kerst jubel uit te galmen : Hosannah, gezegend zij Hij die kwam, kwam ook voor mij, den voornaamsten der zonderen, in den Naam des Heeren !
Hoevelaken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's