De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Na eenig stilzwijgen zegt hij, terwijl diepe ernst, doch tevens kalme verzekerdheid spreken uit zijn woorden :
„Ja, Jap, ik heb in mijn leven ook al heel wat vragen gedaan, waarop nog nooit een antwoord kwam. Nog dagelijks ervaar ik, dat het woord : „wij zijn van gisteren en weten niets", waar is, maar ook evenzeer, dat ons onrustig hart alleen zijn rustpunt vindt in het geloof in een Alwijzen God, Die verre verheven is boven ons begrip en wél weet waarom Hij zóó en niet anders doet. Wie dat geloof niet heeft, mist ten slotte alles, omdat hij in de moeilijkste oogenblikken van het leven nergens houvast vindt. Doch wien door Gods genade dit kostbaar kleinood te beurt viel, heeft daarmede een schat verkregen, waarvan hier beneden reeds een hooge rente wordt uitbetaald. Wat daarbij ook niet vergeten mag worden : dat is onze ontzaglijke verantwoordelijkheid jegens ons zelf en ook jegens elkander. Daar is veel leed, 't welk er niet behoefde te zijn, omdat men het zichzelf aandoet, of omdat het door anderen voorkomen of weggenomen kon worden. Elk heeft een roeping om zijn gaven en talenten aan te wenden ten nutte van anderen en wie dit niet doet uit liefde tot zichzelf of het zijne, valt daardoor in een zwaar oordeel. Dat is juist de dure verplichting, die alle bezit den mensch oplegt, onverschillig of dit bestaat in stoffelijke dan wel geestelijke goederen."
Zoowel de boerin als Jap luisteren met eerbied naar de woorden van den boer. Trouwens het is hier de gewoonte dat, als hij spreekt, allen zwijgen. Dat komt, omdat elk hem als zijn meerdere acht. Men weet dat wat hij zegt voortkomt uit het hart. Ook nu heeft hij veel gezegd, dat te denken geeft. Niet dat nu alles is opgelost, het verstand heeft nu eenmaal zijn vragen en het hart zijn begeeren, maar de gestoorde gemoedsrust is toch eenigszins teruggekeerd. Het is waar wat de boer gezegd heeft, dat het geloof in God alleen in staat is vrede te geven ook langs den moeilijksten weg.
„Jap, meid, de aardappels moeten noodig op het vuur, " zegt thans vrouw Brandsma, „het is haast twaalf uur en straks komt het manvolk thuis." „O heden ja", roept Jap, die voor een wijle heel den tijd en het werk vergeten heeft en in een wip is zij de deur uit. Daar buiten staat het stookhok waar zomerdag gekookt wordt. Gauw wat hout onder den pot. Ha, daar brandt het al. Nu maar even dubbel op, en met •een waarlijk benijdenswaardige vaardigheid begint zij opnieuw de zware emmers en al het andere gerei onder handen te nemen alsof het kinderspel is.
Met welgevallen ziet de boerin haar bedrijvigheid aan.
„Wat is 't toch een meid", zegt zij tegen haar man, „wij hebben er nog nooit zoo een gehad" „en waarin meer omgaat dan menigeen denkt, " vult de boer aan. Wat zijn vrouw hem moet toestemmen.

HOOFDSTUK IV.
Aan het einde van de dorpsstraat, daar, waar het oude Kleiterp ophoudt en de nieuwe woningen beginnen, woont in een eenvoudig arbeidershuisje de familie Mollema. Van tusschen de Oost-Indische kers, welke voor een groot deel den voorgevel versiert, geven een paar heldere ramen aan het vriendelijk zonlicht gelegenheid om zijn koesterende stralen naar binnen te werpen.
't Is bij den eersten oogopslag te zien, hoe netheid en zindelijkheid hier huisvesting hebben, hoe arm de bewoners dezer nederige stulp dan ook mogen zijn. De geheele woning bestaat slechts uit een kleine gang met één kamer. In deze beperkte ruimte moet gekookt en gegeten, gewerkt en geslapen worden door oud en jong. Langs de beschutting staan een viertal stoelen met de achterpooten op de plint. om te voorkomen dat de verf beschadigd wordt. Die middelste deur daar geeft toegang tot een diepe kast, waar al het glas en aardewerk een bergplaats vindt, welke tevens tot provisiekamer dient en waar ook de trap naar den diepen kelder gevonden wordt, waarin zoo mogelijk eenige voorraad levensmiddelen voor den winter wordt opgeslagen. Een tweetal bedsteden ter weerszijden van deze kast bieden aan klein en groot een rustplaats, waar de vermoeide ledematen zich wel niet op dons kunnen uitstrekken, maar waar men in den regel toch slaapt als rozen.
Met het oog op de uitbreiding van het gezin heeft Douwe indertijd van den huisbaas gedaan gekregen, dat het eene bed een paar voet omhoog gebracht werd, om zoo door middel van een onderbed een dubbele slaapgelegenheid te krijgen, of, zoo als Jans van den notaris eens lachend tegen Jap zei, „een eerste en een tweede etage." Voor de grootste jongens is bovendien op zolder nog een bescheiden hoekje afgezonderd, waar zij den nacht kunnen doorbrengen.
Gelukkig maar, dat men in Kleiterp nog van geen gezondheidscommissie af weet, die een dergelijk gebruik maken van deze woning zeker spoedig zou afkeuren, omdat het zoowel aan de noodige ventilatie als aan voldoende ruimte ontbreekt. Hoe goed dit misschien ook voor de gezondheid der bewoners wezen mocht, welke trouwens nooit ziek zijn zooals we hoorden, voor de beurs van Mollema kon dit wel eens minder aangename gevolgen hebben. Nu verwoont hij maar ƒ35.— gedurende een geheel jaar, welk bedrag zeker hooger zou worden, als aan al de eischen der tegenwoordige woningwet moest worden voldaan !
Wat nu het ameublement betreft, bemerkt ons oog een groote vierkante tafel, een ouderwetsch kabinet ter berging van de kleeren, een chiffonnière voor het zelfde doel, een kookkachel waarop van den morgen tot den avond wordt gekookt, een leuningstoel voor den man en een paar gewone stoelen voor dagelijksch gebruik ; dan nog aan den wand tusschen de ramen een spiegel en verder de groote witgekalkte vakken van de zijmuren, behangen met schilderijen, voorstellende „de slag bij Waterloo", de „Stamboom van het Oranjehuis" en „de Weesinrichting van Neerbosch", en vooral niet te vergeten den scheurkalender, waarvan elken dag een blaadje wordt afgescheurd, dat tevens aanwijst welk Schriftgedeelte aan de beurt is om te worden gelezen en dat op den achterkant voor jong en oud telkens iets nieuws heeft. Eindelijk nog een oude Friesche klok met den doodsengel boven de wijzerplaat, die met elken tik zijn zeis beweegt, om te verkondigen dat zoo ieder oogenblik de levensdraad eens menschen wordt afgesneden, en dan tenslotte vlak onder die klok, in den hoek van de kamer, een rieten wieg met groene bekleeding, afgezet met dito franje.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's