De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

OP ZOEK NAAR VERLOSSING.
Wat heeft de menschheid, vooral tegenwoordig, veel, waarin zij haar lust vindt. Kunst, wetenschap, sport, vermaak, geld en goed — maar het wordt overal gevoeld dat de mensch iets anders zoekt. Iets dat hoóger gaat. De mensch is niet tevreê met wat hij najaagt. Hij is niet gelukkig. Hij komt niet tot rust. En telkens hoort men weer een schreeuw uit het midden der schare, waaruit blijkt dat men iets anders, iets hoógers zoekt — maar men vindt het niet. Het mag waar zijn, dat kunsten en wetenschappen groote schatten zijn, dat sport en spel veel vermaak geven, dat de cultuur veel geeft waardoor het leven veraangenaamd wordt; maar alles bij elkaar genomen is onmachtig om den mensch een duurzaam geluk, een eeuwig goed te verschaffen. En dat is 't toch, wat de mensch steeds en overal zoekt, wat uit de godsdiensten van alle tijden en alle volkeren blijkt. Er zitten bij den mensch diepere behoeften dan die door de wereld rondom hem heen bevredigd kunnen worden. Des menschen hart getuigt er telkens van; en des menschen hart is — zooals Augustinus zoo mooi gezegd heeft — tot God geschapen en zal geen rust vinden, dan wanneer het hart God gevonden heeft! God moet de mensch hebben. En dan den éénigen waarachtigen God, in de aanbieding van Zijn genade in Christus, om door Christus tot God te mogen zeggen : Abba, lieve Vader !
Godzoekers zijn de menschen; omdat ze van Gods geslacht zijn en tot God geschapen. Maar de verdwaasde mensch zoekt God niet in de rechte wegen. En zoo doolt de mensch, heiden, mohammedaan, maar evengoed ook de natuurlijke mensch die in Nederland woont, in allerlei zonden dwaalweg, om rust te zoeken, waar de rust en de vrede niet te vinden is.
Men kent God niet. Men heeft geen besef van Zijn heiligheid. Men kent den afstand niet van den mensch tot God. Men kent de klove niet tusschen schepsel en Schepper. En zoo maakt men zich — we zien het bij de heidenen — zelf goden. Daarbij verloochent men den eenigen waarachtigen God en de genadegaven, die Hij geopenbaard heeft in Zijn Woord en in Christus, terwijl men overal bezig is om in eigen wijsheid — die dwaasheid is — zich zelf „op te hemelen", om zoo eigen zaligheid te werken.
Het is nog altijd dat degenen die Gods genade niet bekennen en Jezus Christus niet aannemen, zichzelf willen helpen door het aandragen van eigen gerechtigheid en goede werken. Zooals we in Genesis 11 vs. 4 lezen : „Komaan, laat ons eene stad bouwen en een toren, welks opperste in den hemel zij ; laat ons een naam maken voor ons" — zoo aanschouwen we nog dagelijks het pogen van het schepsel om zich „op te werken", om een weg te banen van beneden naar boven, een weg van eigen gerechtigheid en goede werken, inplaats dat men leert bekennen den weg der genade in Christus, die van boven naar beneden loopt en vol is van vrij ontfermen voor een doodarm zondaarsvolk.
Al de aandacht valt van nature op het doen van den mensch, 't welk dan de Godheid moet bevredigen en voldoening moet geven aan de wet. In welke vormen men het ook inkleedt, maar het is altijd weer de mensch vóór en de mensch na.
Maar nu gaat de Christelijke godsdienst daar lijnrecht tegen in. Die komt met een verlossing niet uit den mensch, maar uit God. Hier gaat het niet om de vervulling van allerlei ceremoniën en plechtigheden, om het doen van allerlei wasschingen en reinigingen; niet om het vervullen van allerlei zedelijke plichten of het nazeggen van allerlei formules. In het Christendom gaat het om de aanbieding der genade Gods in Christus Jezus voor een arm zondaarsvolk, waarbij de verlossing enkel en alleen is in den weg des geloofs. Dan komt er een zich op genade overgeven aan den Heere, om vertrouwd de hand te leggen op het offer van Golgotha en geloovig te ontvangen genade voor genade uit Hem, Wiens bloed reinigt van alle zonden en Wiens Geest maakt tot een nieuw schepsel.
In Christus is een volkomen verlossing voor degenen, die nergens verlossing konden vinden, om dan in eeuwigheid te roemen in het welbehagen Gods.
Och, dat men vooral ook in deze tijden dat bekennen mocht ! Dat men als arme zondaren mocht leeren knielen in Bethlehems stal.
Over Karl Barth en de jong-Zwitsersche beweging wordt nog al verschillend geoordeeld ; ook door Gereformeerden van naam.
Maar het is niet verstandig alles hemelhoog te prijzen, noch ook alles verachtelijk te verwerpen. Wie in Duitschland als Gereformeerde leeft en op de hoogte is met hetgeen in de laatste eeuw aan de Universiteiten als theologie is gedoceerd, voelt — zoo schrijft prof. Hoekstra van Kampen in zijn „Het Woord Gods in de prediking, een beoordeeling van Barths Woordtheologie" - de prediking van Barth als een opluchting en als beginsel van bevrijding van de Schleiermacheriaansche theologie ; als breking van den ban van het Schleiermacheriaansch subjectivisme, waaronder alle theologen gevangen lagen, 't Ging alles om de subjectieve religieuse belevingen, om de geloofsacten van den individueelen mensch of van de gemeente — en 't ging geenszins om de openbaring Gods, geenszins om het Woord Gods.
De norm en maatstaf voor de kennis der zuiver subjectivisme geworden, 't Ging niet meer om hetgeen de Heere Zelf in de Heilige Schrift heeft geopenbaard, maar de inhoud van het geloovig bewustzijn der gemeente was met autoriteit bekleed. Er was geen objectieve maatstaf, alles werd afgemeten naar het individueel religieus zelfweten en zelf-ervaren van den mensch.
Tegen dit subjectivisme in de theologie — en dit is de frissche wind die in Duitschland is gaan waaien — is Barth opgekomen. Hij heeft gebroken, radicaal gebroken met, zooals hij het noemt, de „bewustzijnstheologie", heeft haar op onovertroffen wijze aan de kaak gesteld en heeft weer de noodzakelijkheid bepleit van een theologisch object en daartoe teruggegrepen naar de groote reformatoren, naar Luther en vooral naar Calvijn.
Karl Barth is weer gekomen met zijn objectieve Woordtheologie. En niet ontkend mag worden, dat hij met zijn forschen greep naar een objectieve Woordtheologie den Gereformeerden bizonder in het gevlij komt en het een reden tot groote vreugde is, dat er in Duitschland eindelijk eens een theoloog is opgestaan, die de bewustzijnstheologie van Schleiermacher, zoo al niet den genadeslag heeft toegebracht, dan toch tot bescheiden proporties heeft gereduceerd.
Barth neemt het daarbij ook op voor de stelling, dat theologie in der waarheid moet zijn theologie. Het object moet God zijn en niet de mensch. Het moet theologie zijn en niet anthropologie. Niet de religieuse mensch, maar God is het voorwerp ; en in de theologie hebben we niet te doen met een menschenwoord, maar met Gods Woord. Gods werk en Gods Woord moet de alpha en de omega zijn van alle theologie.
En om het Woord Gods te kennen — zegt Barth — moeten we weer terug naar de Heilige Schrift (wat iemand als de moderne dr. Horreüs de Haas doet schrijven : „Een moderne theologie kan niet aanvaarden wat de Zwitsersche theologie brengt, die een orthodox-Luthersche geloofsleer als goddelijke waarheid oplegt en de menschelijke rede dwingen wil daarvoor als voor het „gansch andere" te buigen").
Ten opzichte van het werk des heils beteekent dit, dat we niet op remonstrantsche wijze moeten zeggen, dat de mogelijkheid en de verwerving des heils van God is, maar dat de toepassing eigenlijk in laatster instantie een werk wordt van den mensch. Zoowel de verwerving voor den mensch als de toepassing in den niensch is een werk Gods ; een werk Gods in ons ; een werk des Heiligen Geestes in den zondaar. Uit ons zelf kunnen wij de stem Gods niet hooren en verstaan. Het is God Zelf, die ons de vatbaarheid schenkt om Zijn Woord te hooren en de geschiktheid om Zijn Woord in ons op te nemen.
Ook dit is theologisch gedacht en niet ingesteld op den mensch, zij 't den religieusen mensch.
Hierbij sluit aan wat Barth betrekking tot de theologische zegt in faculteit.
Als de theologie gemaakt wordt tot godsdienstwetenschap en niet tot object heeft de kennisse Gods, in hoogste instantie God Zelf — dan heeft de theologische faculteit haar bestaansrecht als een eigen faculteit aan de Universiteit verbeurd. De naam theologie is dan een naam uit het verre verleden, die den inhoud der theologische faculteit niet dekt. Een oud etiket op nieuwen wijn. Waarbij 't, zich stellend ten onzent op het standpunt van de Hooger Onderwijswet van 1876, 't allerbeste zou zijn de theologische faculteit op te heffen en bij de literarische in te lijven. Tot welke draconische verandering toch weer niemand kan besluiten. Ook Barth treedt tegen de scheiding van de theologie van haar eigenlijk object met kracht op en hij wil God en Zijn openbaring weer als object der theologische wetenschap erkend zien.
Uit deze twee voorbeelden — zegt prof. Hoekstra van Kampen — die nog vermeerderd zouden kunnen worden, blijkt, dat Barth de theologie als Godgeleerdheid wil handhaven. Hierin ligt voor elk Gereformeerde een machtige bekoring.
Prof. Hoekstra laat het echter dan niet bij deze dingen, maar noemt ook zijn bezwaren tegen Barth.
Men leze zijn : „Het Woord Gods in de prediking, een beoordeeling van Barth 's Woordtheologie". Kok, Kampen, 1931.

TER AAR.
In onze Verkiezings-beschouwing, onlangs in een artikel verwerkt, hebben wij melding gemaakt van de overwinning der Gereformeerden op de Confessioneelen in Ter Aa, maar dat moest zijn de gemeente van Ter Aar (bij Alphen a.d. Rijn). De predikantsvacature die daar ontstaat, is dan ook niet die van ds. Vermaas, die van Ter Aa Utr.) naar Hoogeveen gaat; maar 't is de vacature van ds. Groeneveld, die vanwege voortdurende ongesteldheid emeritaat aangevraagd heeft. In deze vacature kan, nu de sterk georganiseerde aanval van de Confessioneelen e. a. is afgeslagen, weer een predikant van Gereformeerde Bondsrichting beroepen worden; waardoor de Gereformeerde prediking van de laatste tientallen van jaren gelukkig kan worden voortgezet.

BIJ HET REUKOFFERALTAAR.
Het reukoffer, dat tweemaal per dag in het heilige van de tempel gebruikt werd, was, om uit te beelden, dat de Heere een verhoorder der gebeden is.
Het was een groote plechtigheid en voor de priester, die het brengen mocht, was het een groote eer. Welk heerlijk voorrecht soms maar ééns in 't leven iemand te beurt viel. Er waren er zelfs die nooit aan de beurt kwamen. Want er waren ongeveer 8000 priesters, verdeeld in 24 klassen, die| ieder tweemaal per jaar een week lang dienst deden. En voor het ontsteken van 't reukoffer moest men dan loten.
We kunnen ons dus voorstellen, dat er bij de vrome priesters diepe ontroering in de ziele leefde, als hij, die het zeldzame voorrecht genoot om in het Heilige te mogen ingaan, het reukwerk op het gouden altaar ontstak.
Tot Slons Bonds-God ingaande, gedacht de vrome priester de gebeden des volks en de verhooring der gebeden door den Heere, die trouwe houdt tot in eeuwigheid.
Waarbij één gebed op den voorgrond trad. Een gebed, dat door de priesters vóór dat het lot geworpen werd, gebeden werd.
En dat na de loting, gedurende 't brengen van het reukoffer door het volk dat buiten stond te wachten, óók gebeden werd.
Een gebed, waarin o.a. dit voorkwam : „Laat spoedig voortspruiten een Spruit van David, Uw knecht, en verhoog Zijn hoorn door Uwe zaligheid ; want op Uwe zaligheid vertrouwen wij al den dag".
Als dus de vrome Zacharias, de man van veel gebeds, een uit de 24 priesterklassen, door het lot is aangewezen en hij den dag van het brengen van het reukoffer heeft, is er óók door de priesters eerst, en daarna door het volk, gebeden: „Laat spoedig voortspruiten een Spruit van David — op Uwe zaligheid vertrouwen wij al den dag".
En ziet — daar worden nu, op 't oogenblik dat Zacharias met al de bewogenheid van zijn ziel, het reukoffer brengt en het volk bidt om de Spruite Davids en de openbaring van de zaligheid des Heeren — al de beloften Gods in één oogenblik vervuld.
Met twee priesters, die hem hielpen, de één om de verbrande kolen van het vorige offer weg te scheppen van het altaar, de ander om de versche kolen daar op te brengen, stond Zacharias in het heilige. De twee priesters zijn dan weggegaan en hij is alleen overgebleven om het groote, heerlijke, heilige werk te verrichten; alleen staat hij daar met het gouden wierookvat in de hand ; en dé, n daalt Gabriel, een van de voornaamste engelen, uit den hemel neder en zegt tot hem, dat zijn gebed verhoord is, dat hij een zoon zal krijgen, al is hij reeds oud geworden en zijn vrouw boven hare jaren; en die zoon zal dan de voorlooper van den Messias, van den Zaligmaker zijn. En dan is de Spruite Davids gekomen. Dan is de beloofde zaligheid geschonken ! In eens komt die vervulling — als het reukoffer, het offer des gebeds gebracht wordt.
Zóó ontroerd, zóó verbaasd is Zacharias, dat de vrome man er niet bij kan. Het is hem te groot. Het gebed is verhoord — maar hij kan het niet gelooven. En tot straf slaat de God der gerechtigheid, die heilig is in Zijn richten, den Godsman met stomheid — zoodat hij straks, naar buiten gaande, den bekenden zegen (Numeri 6 vs. 24—26) niet kan uitspreken, waarop het volk dan altijd met „amen" antwoordde.
Op een schrijftafeltje, bestaande uit een dubbel plankje met was bestreken, waarop met een scherpe stift de letters ingekrast werden, moest hij straks meedeelen wat er geschied is. En als hij na negen maanden, op den bestemden tijd, na de geboorte van Johannes (welke naam beteekent: „God is genadig") zijn lofzang doet hooren als verklanking van blijde dankbaarheid, dan klinkt het voor veler ooren :
„Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht , Zijn volk - en heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht in het huis Davids Zijns knechts, gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn"
Dan zingt hij van Hem, die komt om Zijn volk te geven kennis der zaligheid, in vergeving hunner zonden. En het is alles door de innerlijke barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte, om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes. (Lukas 1 vers 68—79).
Bij het reukofferaltaar heeft de Heere Zich een hoorder des gebeds betoond. Hij heeft Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.

DE DOOP VAN JOHANNES.
Vóór dat Johannes optrad was onder de Joden reeds de doop bekend, maar alleen heidenen, die tot het Jodendom overkwamen, werden gedoopt. Zij, de onreinen, moesten afgewasschen worden. Na belijdenis van zonden werd de doop toebediend, als de onbesnedenen het teeken der besnijdenis ontvangen hadden. De doop geschiedde dan bij onderdompeling, beduidde de reiniging van zonde en gold als het onderpand van Gods vergeving.
Maar terwijl in 't Jodendom alleen niet-Joden den doop moesten ondergaan, eischte Johannes, de wegbereider van Christus, Die Zijn volk vergeving van zonden kwam brengen (Lukas 1; vers 77), dat ook Joden hun zonden moesten belijden. zich van hun. booze wegen moesten bekeeren en als teeken van de vergeving zich moesten laten doopen. Vandaar de naam : de doop der bekeering.
Jezus heeft óók dien doop van Johannes, dien doop der schuldvergeving, reiniging en bekeering ondergaan. Hij, de besnedene, onderwerpt Zich daaraan als Hij dertig jaar oud is en onder de prediking van Johannes opgaat, om Zich op deze wijze één te maken met het zondige volk. De zonde der wereld, de zonde Zijns volks, neemt Hij op Zich en Hij komt om nu in alles aan Gods wil te voldoen en alle gerechtigheid te vervullen. (Matth. 3 vers 15).

DE MIDDELEN ZIJN ER OM ZE TE GEBRUIKEN.
Er zullen, zoolang deze aardsche bedeeling er zijn zal, allerlei rampen, bezoekingen, oordeelen zijn, met veel ellende voor ons persoonlijk en voor ons gemeenschapsleven. En we moeten niet denken, dat we ons zóó kunnen cultiveeren, dat wij boven al de rampen en ellenden uitkomen. We moeten ons niet verbeelden, dat we de menschheid zóó kunnen veredelen en vervolmaken, dat we van al de rampen en smarten afgeholpen worden.
Mogen we maar eens, aan de hand van hetgeen Paulus schrijft, enkele dingen noemen ?
Daar zijn : verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, het zwaard.
Of willen we andere dingen nog noemen, ontleend aan het laatste bijbelboek : het roode paard of de oorlog ; het zwarte paard of de hongersnood ; het vale paard of de dood.
Nog andere dingen: armoede, kindersterfte, krankzinnigheid.
Allemaal „doornen en distelen des levens".
Alles om der zonde wil.
Die wrange vruchten van de zonde zullen nooit geheel verdwijnen, vóór, met Christus' wederkomst, de giftige plant der zonde zelve met wortel en tak wordt uitgeroeid. Want dat kan geen mensch of menschenvereenigihg. Dat kan niemand of niets. Dat kan alleen God.
Door Christus en in Christus, zal in het eind der tijden de nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden geopenbaard. Dan is alle werk Gods af en de werking der zonde uit.
Dan zal de wolf met het lam verkeren de luipaard bij den geitenbok nederliggen, en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee te zamen en een klein jongsken zal ze drijven. Men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg van Gods heiligheid. Want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. (Jes. 11).
Dat is nu nog niet! Maar kunnen en mogen we nu ook, zoolang deze bedeeling duurt, de zonde zelve en al haar gevolgen bestrijden, temperen en tot een minimum terugbrengen ?
Immers ja ! God geeft er ons de bekwaamheid toe.
En — wat meer nog zegt — God heeft het ons tot plicht gesteld.
Het is onze roeping, welke wij niet mogen verwaarloozen.
Ieder kwaad, in welken vorm dan ook, is onze vijand, dien wij afbreuk mogen en moeten doen, al weten wij het, dat de volkomen eind-overwinning alleen in 'sHeeren hand ligt. Ziekte, kindersterfte, krankzinnigheid, hongersnood, armoede, brand, waterschade — ook het zwaard of de oorlog — ja, ook de dood zijn vruchtgevolgen van de zonde, maar mogen, moeten door ons bestreden worden. Alle mogelijke middelen om kindersterfte, hongersnood, watervloed, brand, werkloosheid, armoede te bestrijden moeten worden aangewend. Ook dat het zwaard, dat de oorlog niet over ons kome.
Ook dat de dood niet over ons en over onze kinderen heersche.
En daarom zullen we ook voortgaan met te strijden tegen dien gruwel der verwoesting, die oorlog heet — al weten we heel goed, dat ook die vreeselijke vijand van het menschelijk geslacht eerst door Christus' wederkomst kan en zal te niet gedaan worden.
„Nooit meer oorlog" is een valsche leuze.
Hier op aarde zal oorlog zijn, zoo goed als ziekte, watervloed, armoede, dood.
Maar de Christen zal alles, alles moeten doen om den gruwel der verwoesting, die oorlog heet, te bestrijden en tegen te gaan.
Vooral de Christen.

EEN ERGER VIJAND NOG.
Er is een erger vijand nog dan de oorlog.
De verwoesting, die aangebracht wordt onder jongen en ouden, door den menschenmoorder van den beginne, door den duivel, is allervreeselijkst.
Hoeveel slechte boeken verspreidt de vader der leugen niet onder de kinderen, de rijpere jeugd, maar ook onder ouderen ?
De oorlog heeft zijn duizenden verslagen, maar de afval en de zedeloosheid hun tienduizenden.
't Is erg, wanneer kerken stuk geschoten worden en kathedralen worden verwoest.
Maar érger is, wanneer valsche leeringen rondsluipen en duizenden en duizenden worden verleid tot den grooten afval van Jezus Christus ep. van Gods Woord.
Het is erg, wanneer de bloem der natie wordt gedood en gezinnen wordene verwoest door sabel en bajonet, door kanon en machinegeweer. Maar érger is het, wanneer op duizend manieren onze gezinnen, onze zonen en dochteren, worden verwoest en geschaad door boek, bioscoop, tooneel, onzedelijke middelen en ongoddelijke leeringen.
„Wij hebben" — zegt Paulus — „den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de geestelijke boosheden in de lucht" (Efeze 6 vers 12).
Dat is de eigenlijke strijd voor al Gods kinderen, voor de Kerk, voor de Christenheid.
Hebben we in gezin, Kerk, maatschappij, den geestelijken strijd niet veel te veel vergeten ?
Hebben de oordeelen Gods in deze ons niets te zeggen ?
„Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
Staat dan, uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid, en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes ; bovenal aangedaan hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, 't welk is Gods Woord; met alle bidding en smeeking biddende te allen tijde in den geest".
Op dan tot den strijd ! De wapenrok aangetrokken ! Het zwaard des Geestes gehanteerd ! Met bidding en smeeking. Met geest en met kracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's