GEESTELIJKE OPBOUW
Het spiritisme
HET SPIRITISME (4)
Dwars door het grof-stoffelijke, materialistische leven der menschen is nu gekomen een meer „geestelijk" leven. Men zegt niet meer zoo plomp en ruw, zooals vijftig jaar terug : „dood is dood" !
En — wie z'n Bijbel kent verwondert zich daarover niet. Want de mensch is van Gods geslacht en de Heere heeft den mensch de eeuwigheid in het hart gelegd. Er is, krachtens het scheppingswerk Gods, in elk mensch verwantschap met het eeuwige, met de eeuwige dingen. En men kan nóg zoo grof-stoffelijk leven, maar telkens dringt zich bij den mensch toch op den voorgrond, dat hij uit twee bestanddeelen bestaat, en wel uit lichaam èn ziel.
De ziel laat zich niet geheel wegcijferen. De eeuwige dingen laten zich niet geheel negeeren. Het zienlijke, het tijdelijke kan op den duur des menschen hart niet bevredigen. Hij heeft aan de stoffelijke wereld niet genoeg en in elk mensch leeft het besef, dat er een onzichtbare wereld moet zijn en dat de dood het laatste niet is.
Het geloof aan de onsterfelijkheid is allerminst onnatuurlijk. Veelmeer onnatuurlijk — en oppervlakkig — is het, wanneer een mensch zegt: „dood is dood !"
En onder degenen, die in den Bijbel als het onfeilbaar Woord Gods niet gelooven, zijn er nu velen, die met alle beslistheid een leven na dit leven leeren ; die gelooven in een voortbestaan van den geest en een leven der geesten aan de overzijde van het graf. En zij missen, door het verwerpen van Gods Woord en door hun ongeloof, zeer zeker de rechte kennis en de goede voorstelling van het eeuwige leven, maar zij zijn er toch niet los van en gaan nu — in hun ongeloof en ongehoorzaamheid — tot het Spiritisme om daar niet zelden te spreken (o, zoo religieus !) van hun ..nieuwen godsdienst".
Wij willen over dat Spiritisme hier een en ander zeggen — om er zeer ernstig tegen te waarschuwen.
Maar dan moeten we trachten ons goed op de hoogte te stellen van dit zondig bijgeloof. Want om voor het Spiritisme te waarschuwen en er ons voor in acht te nemen — is het noodig, dat we weten wat het is. Dan kunnen we pas beoordeelen, of het goed of slecht is, of het geoorloofd of verboden is.
Het Spiritisme is het geloof in de veelvuldige mededeelingen van de geesten der gestorvenen en het rapport tusschen levenden en dooden ; gewoonlijk door bemiddeling van iemand, die daartoe geschiktheid bezit (een medium, die als tusschenschakel dient, vooral in opzettelijk daarvoor belegde bijeenkomsten of seances. Waar het medium dan in een soort ver trekking van zinnen moet komen, in trance moet verkeeren).
De geesten van ontslapen menschen verkeeren aan de overzijde van het graf — zegt men — in een verfijnd-stoffelijk omhulsel ; 't zijn een soort geestelijk-stoffelijke wezens ; en van uit de overzijde van het graf oefenen die geestelijk-stoffelijke wezens gemeenschap uit op de levende menschen op aarde en staan met deze in rapport. Het verfijnd-stoffelijk omhulsel der geesten baant daarbij den weg om met de levenden hier op aarde te spreken en aan hen te verschijnen, waarbij dan een medium, dat een eigenaardig ingesteld persoon moet zijn, die niet zelden overspannen en overgevoelig is en veelszins lijkt op een zenuwpatiënt.
Zoo zoeken de geesten der afgestorvenen gemeenschap met de verwante menschen op aarde — want men moet er „aanleg" en een „natuur" voor hebben — en zoo zoeken de menschen wederkeerig gemeenschap met de geesten. En op die manier komen hier op aarde nooit gekende „waarheden" uit „de Hoogere Wereld".
Zoo wordt het Spiritisme ook voor velen een religie of godsdienst, waarbij de Kerk overbodig is en de Bijbel wordt verwaarloosd.
Het doel van het Spiritisme is bij velen bevrediging van ongezonde menschelijke nieuwsgierigheid. Men aast op bizondere berichten, die passen bij de wondere wereld der geesten aan de overzijde en waarbij fantaseeren zoo gemakkelijk en zoo verleidelijk is. Vooral ook omdat de spiritistische samenkomsten (séances) gewoonlijk plaats hebben in donkere of half-duistere kamers met een kring van overspannen, zenuwachtige menschen of — geslepen bedriegers.
Of men dit nu heel vroom als een „godsdienst", — als „de nieuwe godsdienst der waarheid" nog wel — aandient of niet, voor den christen is het niet onduidelijk en niet onzeker, dat hier sprake is van een gruwelijke zonde, als overtreding van Gods gebod en als verwerping van Zijn Waarheid. Hebben wij niet Gods Woord ? Wil de Heere ons door Zijn Geest niet leiden in alle waarheid, die noodig is tot Gods eer en des menschen zaligheid ?
Hebben wij, als christen, niet het voorrecht, dat wij van den Heere mogen vragen, indien ons wijsheid ontbreekt, met de belofte, dat Hij ze ons wil schenken ?
Beteekent „christen" niet „gezalfde", om, door Gods Geest geleerd, te mogen zoeken de dingen die Boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand des Vaders ?
Dan zoeken we niet de heiligen, dan roepen we niet de maagd Maria aan, dan stellen we geen dienst van duivelen noch van engelen in, maar dan hebben we óók niet noodig gemeenschap te zoeken met de geesten der afgestorvenen.
Dan zullen we juist dat alles als antichristelijk op zij zetten, om den Heere te vertrouwen op Zijn Woord; om Hem te dienen door den Geest, die uit Christus neemt en in alle waarheid leidt.
Neen, een christen wil van een „georganiseerden dienst der dooden-geesten" niet weten !
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's