GEESTELIJKE OPBOUW
Het spiritisme
HET SPIRITISME. (5)
Het Spiritisme of de „georganiseerde dienst der dooden-geesten" (het gemeenschap zoeken met de geesten der afgestorvenen) is een teeken des tijds ! De menschen hebben niet genoeg aan het aardsche, aan het stoffelijke, aan het zinnelijke leven. De menschen willen zich bezig houden met het z.g.n. geestelijke. En dan staat men tegenwoordig voor allerlei wonderlijke dingen ! Het duistere, het geheimzinnige, het occulte, het verbodene trekt aan.
De mensch voelt zich niet gelukkig. De mensch draagt een gebroken leven mee. Hij schreeuwt van armoede, gebrek, kommer, ellend. En in plaats dat de mensch nu luisteren wil naar de stem van zijn Schepper en Maker, die in Jezus Christus zegt: „Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven" — maakt de mensch zichzelf wegen, waarbij dan soms de ernstigste en hoogste dingen gezocht worden, maar tot een vloek in plaats van tot zegen.
Want dat de mensch peinst over den dood en zich interesseert voor de dingen aan de overzijde van het graf en vraagt.: wat zal er met den mensch gebeuren, als hij gestorven is ? — dat is niet verkeerd of verboden. Dat is geenszins af te keuren. Integendeel. De Heere waarschuwt ons genoeg, dat we toch niet luchtig en vluchtig over de dingen zullen heen leven, maar dat we ons ernstig zullen afvragen : van waar zijn we — en waar gaan we heen ?
Maar ziet, nu gaat de eigenzinnige, zondige mensch, die aan de eeuwigheid verwant is, het juist heelemaal anders doen dan God het ons in Zijn Woord leert. En dat is zonde.
Zóó komt de mensch nooit tot kennis der waarheid, maar zal hij zich voeden met leugenen. Zoo komt het schepsel Gods nooit tot vrede, maar zal in onvrede leven en sterven. En inplaats dat de Heere ons dan ook Zijn zegen belooft in deze wegen, verkondigt Hij luide : vervloekt is een iegelijk, die in deze wegen wandelt.
Overal in Zijn Woord lezen we van des Heeren vloek, v/anneer de mensch deze zonde-wegen gaat bewandelen. Want de Heere wil niet, dat men den weg van Zijn Zelf-openbaring veracht en dat men allerlei eigengemaakte, wondere, grillige wegen kiest, die in den grond der zaak de goddelijke waarheid bespotten, om geloof te hechten aan allerlei menschelijke, leugenachtige verzinselen. Als de Heere Zich Zelf „onthult", „openbaart", „laat hooren" en „spreekt", loopt men Hem voorbij. Zijn Woord veracht men. En aan toovenaars, duivelskunstenaars, waarzegsters, sterrenwichelaars enz. leent men het oor en geeft men z'n vertrouwen. Dat is den Heere een gruwel!
Wanneer we Gods Woord nagaan bemerken we, dat heel de Oostersche wereld vol is van die ijdele pogingen, om zelf de waarheid uit te vinden en zich daartoe op te dringen aan de goden, aan de geesten, aan de sterren, aan de vogels enz. enz. om daar „de waarheid" te vernemen, om daar aan de geheimen van de toekomst ontdekt te worden. Men ging dan den loop der sterren na. En die sterren waren immers de woonplaatsen der groote, voornaamste goden, waarom de toekomst uit de planeten was af te lezen, als uit een boek ! Zoo deden de heidenen, maar zoo deed helaas ! Israël ook. Niet Hem, die den hemel uitbreidt en de zon en de maan en de sterren geformeerd heeft, vraagden zij. Maar zij lazen de planeten en vroegen de sterren. Waarover de Heere Zich vertoornt, zeggende : „Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de teekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten". Jer. 10 vers 2. En het is alsof de Heere spot met die sterrenkijkers, als Hij zegt: „Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen : laat nu opstaan, die den hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van de dingen, die over u komen zullen, zie zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden — alzoo zullen ze u. zijn met welke gij gewerkt hebt" Jes. 47 vérs 13—15.
IJdelheid ! En alsof de Heere Zich verheft in Zijn goddelijke grootheid en heerlijkheid, zegt Hij triumfanteli k: „Ik, de HEERE, uw Verlosser, die u geformeerd heb. Ik ben de HEERE, die alles doet, die den hemel uitbreidt. Ik alleen, die de aarde uitspant door Zichzelven ; die de teekenen der teugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; die de wijzen achterwaarts doet keeren en die hunne wetenschap verdwaast". Jes. 44 vers 24, 25.
Altijd zocht men in de wonderlijkste, grilligste wegen heil. Zoo gaf men acht op allerlei verschijnselen in het leven der natuur : den vorm der wolken, het rollen van den donder, het vallen van den regen, het krijschen der vogels. Of men ging uit van de gedachte, dat de ingewanden der offerdieren, vooral van hun lever, aanwijzingen konden geven voor wat de godheid van den mensch wilde. Of men goot olie op water of water op olie en trachtte uit de daarbij optredende vormingen af te leiden wat gedaan moest worden. Of men legde zich neer onder een „heiligen" boom, dien men achtte op de een of andere wijze met de godheid in nauw contact te staan, teneinde dan in den droom zich de toekomst te zien ontsluiten. Of personen werden opgewekt door muziek, dans of zang, ook wel door bedwelmende middelen als slaapkruid, opium enz., om bizondere vertrekking van zinnen te krijgen en in visioenen de toekomst te zien. Of men zocht gemeenschap met de afgestorvenen, aan wie men, wijl zij waren ingegaan in de geheimzinnige doodenwereld, buitengewone kennis toeschreef.
Altijd was het weer de mensch, die zelf, in eigen gekozen wegen, de uitspraak der godheid zocht te weten te komen ; die de waarheid zocht te verstaan ; die in de toekomst zocht te lezen. En de geschriften der oudheid leeren ons, dat opeenvolgende priestergeslachten, met tal van middelen, steeds bezig waren om de menschen in die wegen voor te gaan. Het was een bepaalde „wetenschap", die zich met deze dingen bezig hield.
Dat Israël van deze dingen niet vrij bleef, weten we helaas ! maar al te goed. Zoo lezen we Deut. 18 vers 9—14, dat de Heere waarschuwend en dreigend zegt: „Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE uw God u geeft, dan zult gij u niet gewennen aan de afschuwelijkheden van die volkeren. Dat onder u niemand gevonden worde, die zijn zoon of zijne dochter door het vuur doet gaan, geen waarzegger of wichelaar of verklaarder van voorteekenen, of toovenaar, geen bezweerder of iemand, die doodengeesten raadpleegt, of die met de dooden gemeenschap zoekt. Want de HEERE, uw God, heeft een afschuw van al wie zulks doet".
En dat het volk Israël naar deze waarschuwende stem niet geluisterd heeft, blijkt uit hetgeen we lezen Jes. 2 vers 6 : „De HEERE heeft zijn volk, het huis Jacobs verstoeten; want het is vol waarzeggers uit het Oosten, en toovenaars als de Filistijnen ; hun land is vol afgoden, voor het werk hunner handen buigen zij zich neder" (vers 8).
Van Saul lezen wed Sam. 28 vers 9), dat hij de „ondervragers van doodengeesten" (waarzeggers, zooals de Statenvertaling ze noemt) en hen, die geacht werden door waarzeggende geesten te worden beheerscht (Statenvertaling : duivelskunstenaars) uit het land moet verwijderen. Maar Jesaja's tijdgenooten houden hen voor betrouwbare gidsen (Jes. 8 vers 19) en Manasse neemt hen onder zijn bescherming (2 Kon. 21 vers 6; 2 Kron. 33 vers 6). Josia echter heeft tegen hen te strijden (2 Kon. 23 vers 24).
Vol ongeloof en bijgeloof zat Israël helaas ! En het is de ondergang van 't volk geworden, daar zij des Heeren wegen hebben veracht en de zondewegen hebben bewandeld.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's