De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

28 minuten leestijd

MEVROUW FLIEHE IN CHRISTUS ONTSLAPEN.
Nog onverwacht is zij, die onzen onvergetelijken vriend Fliehe tot trouwe hulp geweest is bij al zijn arbeid voor onzen Gereformeerden Bond, heengegaan uit het leven naar de eeuwigheid, waar haar door Christus een plaatsje bereid is, een woning in het huis des Vaders.
Hij, die in armoede op aarde nederdaalde, heeft haar uit haar armoede van zonde en vloek en oordeel gered en nu mag zij, die wist een groot zondares te zijn, maar óok mocht weten dat Christus voor haar den vloek gedragen heeft, in de vreugde des Heeren deelen.
Nu zonder zonde.
Nu volmaakt in haar Heiland.
Woensdagmiddag hebben wij haar uitgedragen naar de laatste rustplaats op Moscowa te Arnhem.
Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven.

DE OUDEJAARSAVOND-COLLECTE.
Het kost ons altijd moeite om over deze collecte iets te schrijven. Want het is zoo groote schande voor onze gemeenten, ook voor onze Gereformeerde gemeenten, dat men niets, niets doet voor onze oude, rustende predikanten ; noch ook voor weduwen en weezen van predikanten.
Er zijn oude emeriti, die nog niet eens de begrafeniskosten kunnen betalen ! En dat weet men — en men doet niets.
O ja, — men houdt op Oudejaarsavond een collecte.
En dan is 't weer uit.
Hoe men er vrede mee hebben kan, is ons een raadsel Men weet nu hoe'n vreeselijke collecte die Oudejaarsavond-collecte voor emeriti, voor predikantsweduwen en - weezen is.
Wat zal men nu doen op 31 December ?
Wat zal men verder doen ?
De Heere leide ons nog eens met de Kerk der Vaderen in rechte wegen ! Hij brenge ons nog eens samen in de schuld. En Hij herstelle Zijn heiligdom in het midden van ons volk, dat anders, van leiding en leering ontbloot, verloren gaat.
(Hosea 4 vers 6a).
De kansen der Kerk zijn vele nu — de Heere geve ons oogen om te zien en een hart om op te merken ! Of moet het huis des Heeren woest blijven, terwijl ieder loopt voor z'n eigen huis ?
Dat 's Heeren gunste over ons mag wezen en dat Zijn mond spreke : „Te dien dage zal Ik de vervallen hut Davids weder oprichten en Ik zal hare reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken weder oprichten, en zal ze bouwen als in de dagen van ouds" (Amos 9 vers 11).
Kerstfeest, het Christusfeest, heeft ons weer hoop en moed gegeven ! Laat ons nu ook doen wat onze heilige, dure roeping is !

ÏMMANUEL.
In Jesaja's dagen is de naam Imman u ë 1: God met ons, het eerst genoemd.
En wel in de dagen van Juda's koning Achaz.
Deze koning Achaz voelt zijn troon wankelen. Twee koningen zijn tegen hem opgetrokken. Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de koning van Israël, die samen tegen Juda een verbond hebben gesloten.
En wat doet Juda's goddelooze vorst ? Hij roept de hulp in van Assyrië. Hij steunt op het machtige wereldrijk. Hij neemt vleesch, zondig vleesch, tot zijn sterkte.
Hij vertrouwt op menschen.
Hier tegen moet Jesaja in den Naam des Heeren protest aanteekenen.
Neen ! Juda mag niet leunen op aardsche macht. Juda heeft geen heil te verwachten van heidensche vorsten. Achaz voere geen zondige, ongeloovige. Assyrische politiek ! Weet gij — zoo zegt de profeet — weet gij, o koning van het volk der belofte, waarin uw steun en sterkte gelegen is en waarop uw hope en verwachting moet zijn gebouwd ?
„Ziet, een maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en men zal Zijn Naam heeten : Immanuël. God met ons.
Zóó wordt door den profeet de tegenstelling gemaakt: eenerzijds is Assyrië, is de mensch, is het vleesch, de wereld de steun en de sterkte ; anderzijds moet het wezen : God met ons.
En indien men van de wereld en het vleesch aflaat en in den Heere z'n sterkte mag zoeken en vinden, dan zal, ook in de meest benarde tijden, de dageraad, het licht van een nieuwen tijd, opgaan ! En zóó staat het nóg.
Nóg is het eenerzijds : de mensch met ons, de wereld met ons, de macht met ons, het geld met ons.
En het gaat van ellende tot ellende, van donkerheid tot stikdonkeren nacht.
Maar anderzijds is het: God met ons, Jezus Christus onze Helper, de Heilige Geest onze Trooster, en uit de duisternis zal het licht opgaan.
God met ons.
En de Heere zal onze toevlucht zijn.
Immanuël: God.met ons.
Dan zal de Heere onze sterkte wezen.
Hij is krachtig bevonden een hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde haar plaats en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën. Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden ; laat de bergen daveren door haar verheffing.
De HEERE der heirscharen is met ons : de God Jacobs is ons een hoog vertrek.

NIEUWJAAR.
Het oude jaar kwijnt weg in donkerheid en somberheid. Niet alleen dat de dagen zoo kort zijn en het licht zoo schaarsch, niet alleen dat de nachten zoo lang zijn en de duisternis zoo traag wijkt, maar waarheen we ook het oog richten, alles herinnert ons aan het bekende woord van den Profeet: De morgenstond is gekomen, en 't is nog nacht.
Het is nog nacht in het leven der volken.
Allen zuchten nog altoos onder de naweeën van den wreeden wereldkrijg, waarin geen enkel mooi moment is geweest; onder de lasten van den vrede, die den naam van vrede niet waardig is.
De rust en de vrede en het welvaren zijn nog steeds niet teruggekeerd. En de eenvoudigste regelen van de algemeene menschelijkheid : „wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet", zijn vergeten en willen in de internationale zangen nog niet herleven, ook nationaal niet. Het is nog nacht op het terrein van het volkerenleven. Steeds hooger worden de scheidsmuren opgetrokken en de moeilijkheden werden nationaal en internationaal steeds grooter. De wereldcrisis doet angstig beven. Wie, wie zal ons het goede doen zien ?
Het is nog nacht ook op onze kerkelijke erve. Wel komt er ontwaking nationaal en internationaal, omdat iets van de liefde van Christus ons aangrijpt en vasthoudt.
Maar de breuken en scheuren in Sions muren werken onverminderd voort en er zijn weinigen, die bedroefd zijn over het gruis van Sion, weinigen die bidden om den vrede van Jeruzalem, om den opbouw van 's Heeren huis in het midden van 't volk. Velen zoeken het hunne, maar er ontbreekt zooveel aan ons zoeken van Christus en aan het werken aan den opbouw van des Heeren huis.
De verdeeldheid neemt toe. En zoo gemakkelijk scheiden de wegen. Men draagt er roem op, indien weer een zijpad is gevonden om makkelijker alleen te wandelen.
De wereldgelijkvormigheid neemt toe. De onkunde, de liefdeloosheid woont bij velen, jongen en ouden. En de botte hardheid bij anderen, niet ziende den nood der tijden, niet verstaande de roeping om uit Gods Woord oude en nieuwe schatten voort te brengen.
Het is nog nacht.
Zal dit ons verhinderen om met nieuwen moed en versche hope den nieuwen jaar kring in te treden ?
Dat zij verre ! Is strijd en moeite niet altijd het deel des menschen, ook der kinderen Gods, geweest ? En belijden wij niet, dat - de Heere met wijsheid regeert, dat Hij alle dingen doet medewerken ten goede — waarbij wij onzen plicht hebben te doen en in geloove blijmoedig hebben voort te gaan, acht gevende op 's Heeren Woord.
De Heere regeert, over de gansche aarde, van de zee tot aan de zee. Hij heerscht ook over de verbolgenheid der zee en over de grimmigheid der menschen.
't Gebruis der zee doet Gij bedaren, Daar Gij haar golven stilt. 't Rumoer der volken als der baren.
Betoomt Gij waar Gij wilt. In de verwarring der volkeren kan de Heere alleen uitkomst geven. Hij, de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die met Kerstfeest weer heeft doen verkondigen, dat Hij een welbehagen in menschen heeft, kan redding werken. Een bevredigende oplossing te midden van de grootste moeilijkheden is voor Zijn wijsheid niet te wonderlijk. En wat Zijn liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet. Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er. En wat Christus' Kerk aangaat, we weten en gelooven, dat zij in 's Heeren hand­ palmen gegraveerd is, dat hare muren steeds voor Hem zijn. Houdt Christus Zijne Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden ; gezeten aan Gods rechterhand, zal Hij haar wel behoeden. Immanuël: God met ons is tot de Zijnen gekomen en heeft beloofd: Ik ben met ulieden alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld.
Heerlijke gedachte, dat de Heere regeert en dat Christus gezegd heeft: Ik zal u geen weezen laten.
„De Kerk van Christus" — zegt Erskine — „is als een schip in zee, dat eene groote verscheidenheid van winden ontmoet; maar dat door het wijze beleid van den loods, die met eiken wind zijn voordeel doet om in de gewenschte haven te komen, nochtans behouden aan land raakt.
Onze ervaren Loods, de Heere Jezus, op Wiens Schouder de heerschappij is, weet zéér wel, hoe Hij de winden vergaderen en de zeilen van het schip behandelen zal, om Zijn volk eindelijk door de stormen en tegenwinden van de grimmigheid des menschen en het woeden der duivelen tot de eeuwige haven der heerlijkheid te brengen: „want de grimmigheid des menschen zal Hem loffelijk maken".
In dat geloof eri dat vertrouwen staande, hebben we dus alk reden, ten spijt van de moeilijke tijden, om 't nieuwe jaar goedsmoeds te begroeten.
Dat de Heere ons vergezelle in Zijn gunst en Zijn genade ons deel en onze sterkte mag wezen ! Met het oog op onzen Bond, ons Bondswerk, ons Bondsorgaan „De Waarheidsvriend" hebben we rijke stof tot dank.
Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen en Hij heeft ons ruimte gegeven en veel zegen.
Ook hier kunnen de moeilijke tijden benauwen. Maar de Heere heeft het ons tot hiertoe aan niets doen ontbreken. En het is onze wensch en bede, dat de Heere ons ook in dezen nieuwen jaarkring mag sterken tot onzen arbeid tot verheerlijking van Gods Naam en tot zegen van de Kerk onzer Vaderen, die wij lief hebben om Gods wil.
Zij 1932 voor ons allen een jaar van vertroosting, van genade, van sterkte, van rijken zegen, stoffelijk en geestelijk, naar ziel en lichaam.
Geve de Heere ons genade Hem ter eere te leven, te bidden om den vrede van Jeruzalem en voort te arbeiden in de vreeze Zijns Naams.

LIEFDE EN HAAT.
Alleen die waarlijk liefheeft, kan ook haten.
Die alles maar góéd vindt, weet noch van liefde, noch van Haat. Die z'n vrouw en kinderen liefheeft, weet op te springen vol bewogenheid en haat degenen, die lasteren en liegen, om ons te grieven in hetgeen ons 't meest dierbaar is. Die onderkennen de satanische machten, die twist en tweedracht zaaien.
Zoo zien we ook bij den Heiland den, geesel van touwtjes (Joh. 2). „Pak u weg !" zoo roept Hij. En als ze niet heel vlug hun boeltje opnemen, om met hun koophandel uit den tempel te vertrekken — lezen we „en een geesel van touwkens gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel".
Waarom ?
Omdat de Zoon, des menschen het huis Zijns Vaders zoo liefheeft. Hij duldt niet, dat het Heiligdom Gods besmeurd wordt met allerlei onheilig gedoe.
En ook, omdat de Heiland de menschen zoo lief heeft, die alleen zalig kunnen worden in den weg van de Woorden des eeuwigen levens en die de leidslieden des volks nu gingen omleiden en misleiden met allerlei uitwendig, schandelijk, wereldsch gedoe. Het Huis des Vaders maakten ze tot een kuil van moordenaren.
Omdat de Heiland de menschen zoo lief heeft en hen niet wil laten bedriegen en misleiden ; omdat Jezus het Heiligdom des Heeren zoo lief heeft, daarom drijft Hij met een geesel de kooplieden uit.
De weg des Heeren tot Zijn volk en de weg van zondaren tot God moet een vlakke weg zijn.
Daarom slaat Hij weg wat God verhinderen kan om tot de menschen en wat zondaren verhinderen kan om tot God te komen. Liefde, goddelijke liefde doet den Heiland haten alles wat njet overeenkomstig Gods wil en niet naar de reinheid van Gods huis is.
Liefde en haat — vlak naast elkaar.
O ! dat de ware, reine, goddelijke liefde ook bij ons gevonden mocht worden om te haten, ook in het kerkelijk leven, alles wat den Heiland in den weg gaat staan, om als Redder en Zaligmaker bekend te worden aan de menschen, aan arme zondaren.
Liefde tot Christus — doet haten alles wat Christus tegenstaat, wat niet naar Gods wil is, wat niet is overeenkomstig de reinheid van Gods Heiligdom.
De haat van den Heiland — de geesel met touwkens ook — werd Hem ingegeven en nam Hij ter hand, omdat de Zoon des menschen niet is gekomen om de zielen der menschen te verderven (dat zal Hij niet toelaten, alles wat tot het verderf der zielen leiden en medewerken kan), maar om te behouden. (Lukas 9 vers 56).
Om te behouden Daarom moet weg alles wat niet recht is.
Om te behouden — arme zondaren.
Om te behouden — de Kerk zelve.
Om te behouden — land en volk.
Daarom moet wég — alles wat Christus Zelf haat en tegenstaat en met een geesel van touwkens wil uitdrijven uit liefde tot God en de zaligheid des menschen.

WELKE KONING HERODES?
In het Nieuwe Testament worden vier verschillende vorsten Herodes vermeld, die allen Palestina geheel of gedeeltelijk bestuurden onder de opperheerschappij van de Romeinen : 1. Herodes de Groote ; 2.Herodes Antipas, zijn zoon; 3. Herodes Agrippa I, de kleinzoon van Herodes den Groote ; 4. Herodes Agrippa II.
1. Herodes de Groote, een man met groote gaven, maar met een slecht karakter. Als een tyran heeft hij geheerscht, veel bloed vergoten, vooral uit vrees voor mededingers naar den troon.
Kindermoord te Bethlehem. (Matth. 2).
2. Zijn zoon Herodes Antipas, die zijn vader opvolgde, echter alleen als „viervorst" van Galilea en Perea (het Over-Jordaansche). Hij was het, die Johannes den Dooper liet onthoofden (Matth. 14) en Jezus bespotte (Lukas 23 vers 7—12). Later werd hij afgezet en stierf in verbanning in Galilea.
3. Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes den Groote, die weer koning was over het geheele Joodsche land. (Handelingen 12).
4. Herodes Agrippa II, zoon van den vorige, die „viervorst" is geweest over de Noordelijke provinciën. (Hand. 25 : 13).

VERACHTERING EN VERVAL IN DE KERK.
Wanneer we het hebben over het verval der Gereformeerde Kerk van Nederland, dan moeten we al beginnen in de dagen kort na de Dordtsche Synode van 1618-'19.
Die met de oude schrijvers een weinig op de hoogte is, weet, dat het met leer en leven spoedig mis liep. De Drie Formulieren van Eenigheid werden niet afgeschaft, maar allerlei dwaalleer werd tegelijk gevonden en het leven was niet zelden allertreurigst. Weinig of niets kwam uit van de vreeze Gods en van de kracht der godzaligheid. Door verschillende omstandigheden — veelal van burgerlijken en maatschappelijken aard, ook door politieke verhoudingen — werden de dwalingen in leer en leven niet genoegzaam bestreden. Ieder werd zoo ongeveer vrij gelaten te leeren en te leven, zooals hij wilde — behoudens bizondere omstandigheden. Het Rationalisme — waarbij de menschelijke rede tot afgod werd verheven — deed z'n intree en kwam tot macht; wat den bodem toebereidde voor de beginselen van de Fransche Revolutie. Zoo is weer de 19e eeuw voorbereid, waarin, na de bevrijding van de Fransche overheersching, hier wel van godsdienst en Kerk gesproken werd, maar men had alles „gezuiverd" van het ouderwetsche en als „verlichte" menschen wenschte men verder te gaan langs „nieuwe banen". Verdraagzaamheid was het mode-woord ; alleen men moest niet vergen, dat men zou verdragen wat de oude Gereformeerde leer bracht. Dat was van verdraagzame menschen te veel gevraagd ! Er moest rust en vrede zijn. Naar het geestige woord van Gerard Brom liep in die dagen „iedereen op sokken, om zijn buren niet te storen".
De zuivere prediking van Gods Woord werd schaars gevonden. Aan de Universiteiten werd geen onderwijs gegeven naar de Gereformeerde belijdenis, maar werd algemeen de menschelijke rede gesteld boven de Heilige Schrift. Overal gold het „brave-Hendrik" en „brave-Maria" (twee bekende schoolleesboekjes) systeem. En de prediking droeg er de sporen van. Wie nog wilde vasthouden aan de leer der zaligheid werd achterlijk genoemd. Spreken over zonde en genade, verlorenheid en verzoening, was uit den tijd. Alles was even oppervlakkig ! De Heere Jezus werd nog wel gepredikt, maar dan niet als de Zaligmaker van zondaren, maar als een verheven, een „goddelijk" voorbeeld, dat we moesten navolgen. Als martelaar teekende men Hem, als Middelaar kende men Hem niet. De „bloedtheologie" des kruises werd veracht.
In 1837 schreef Groen van Prinsterer : „Geen waarheid, die onaangerand bleef. Christus, God geopenbaard in 't vleesch, wordt een Goddelijk, een hooger dan de overige geschapen wezens genoemd ; de Heilige Geest, dien de Christenheid naast den Vader en den Zoon, op grond van den Bijbel, aanbidt, is slechts een goddelijke kracht; de erfzonde is zedelijke verdorvenheid, zwakheid, onvolkomenheid, volmaaktbaarheid geworden. In het lijden en sterven van den Middelaar wordt geene verzoening, geene voldoening, geen lijden in onze plaats, geen dragen van de straf onzer ongerechtigheden, niets dan een blijk van Gods algemeene menschenliefde, erkend. Van wedergeboorte, bekeering en heiligmaking heeft men zedelijke verbetering, begin en voortgang der deugdbetrachting gemaakt en de hemel is voor elk, die geen grove uiterlijke zonden begaat, met een onbekrompenheid, die gedurig ruimer wordt, opengesteld". De voorstanders der Gereformeerde waarheid werden veracht en achtergesteld. Maar een man als prof. J. H. Regenbogen, hoogleeraar te Franeker, mocht ongehinderd alle stukken der Gereformeerde leer aantasten in zijn boek : „Christelijke godgeleerdheid naar de behoefte van dezen tijd". En zonder protest kon in 1816 te Groningen door W. Hoving worden uitgegeven een werk onder den titel: „Christendom en Hervorming, vergeleken met den Protestantschen Kerkstaat, bijzonder in de Nederlanden". In dat boek werd o.a. beweerd : „blijf weg met uw leer van de Drieëenheid". De Catechismus werd in dit boek veracht, de liturgische geschriften werden „allerellendigste formulieren" genoemd en er wordt in gesmeekt om „verbreking van de Dordtsche kluisters".
Mr. Groen van Prinsterer kon dan ook terecht schrijven : „Zoo was ook Nederland, door terzijdestelling van het eenvoudige en krachtig werkende Woord Gods, vatbaar geworden om het overal indringend gif der ongeloofstheorieën te worden bedwelmd ; om, voor doode orthodoxie, eene wijsbegeerte te omhelzen, welke, in Godverloochening gegrond, onder een vernis van gemoedelijkheid, streelend voor hoogmoed en begeerlijkheid was ; om elken band van Openbaring of gezag, als een onwaardige boei, aan flarden te rijten; om aan menschvergoding op het gebied des geloofs in het oppergezag der rede, en op het gebied van den Staat in de Volkssouvereiniteit, hulde te brengen".
Donkere dagen waren het. Waarbij het opleggen van de Synodale Besturen-organisatie van 1816 de ellende vergroot had.
Gelukkig heeft de Heere echter het werk Zijner handen niet laten varen, wat we ook ten opzicht van de Herv. Kerk mogen getuigen. Want wat men zeer zeker niet had gedroomd is toch geschied : de Gereformeerde Waarheid leeft nog in het midden der aloude Hervormde (Gereformeerde) Kerk. En inplaats dat ze uitgeroeid is, is zij verdedigd en verbreid tot op den huldigen dag. Wat de Heere ons doet genieten, opdat we zullen voortvaren in geloof en met kracht, pleitende op Gods beloften, die nooit falen. Was het óns werk, dan was het hopeloos. Maar nu het Gods werk is, staat het anders. En dat roept ons, om moedig voort te gaan.
„Wij gelooven, Heere — kom ons ongeloof te hulp".

DE PREDIKING VAN DE PROFETEN ISRAELS.
Naar het evolutionistische schema der moderne theologie zijn de profeten de brengers van een nieuw Godsbegrip ; zij laten een ander licht schijnen dan er vroeger gekend werd en bij dat andere licht komt er een ander Godsbegrip, een andere Godsvoorstelling, en wel het ethisch monotheïsme ; oftewel er komt nu het begrip dat er één God is (vroeger dacht het oude Joodse volk , — zegt de moderne theologie — dat er veel goden waren (poly theïsme), maar nu leerden zij, dat er maar één God is) en de godsdienst wordt meer ethisch, meer diep gevoeld en met meer zedelijke waarde (wat vroeger heel anders was, toen alles zoo grof, uitwendig en vormelijk was).
Maar de moderne theologie leert hier iets, waarvan de profeten niets weten en ook niet willen weten. Het is volstrekt niet de bedoeling van de profeten om een nieuw Godsbegrip, een anderen God en een anderen godsdienst te brengen en te prediken. Integendeel. De Godsmannen bedoelen nooit anders, dan te prediken den „God van Abraham, Izaak en Jacob", den God, Die Zich van ouds aan de Vaderen geopenbaard had als Jehova, maar Dien het volk van Israël helaas ! door allerlei zonden en afdwalingen had verlaten en veracht ; waarbij de Godsoordeelen niet waren uitgebleven.
De profeten denken er geen oogenbllk aan een nieuwe religie te brengen. Maar zij willen het volk, dat den HEERE verlaten had en andere goden was nagewandeld, weer tot den waren godsdienst terug brengen, om den God van Abraham, Izaak en Jacob weer van harte lief te hebben en Zijne geboden te onderhouden in geest en waarheid.
Zij verlangen, dat Jehova weer bekend worde als de God van Israël. (1 Kon. 18 vers 36).
Het volk van Israël, dat over het algemeen weinig naar de prediking der profeten luisterde, verweet den Godsmannen dan ook nooit, dat zij een nieuwe religie brachten en een anderen God predikten.
Zij wisten wel, dat zulks de bedoeling van de profeten niet was. Maar zij weigerden de nieuwere — heidensche — denkbeelden en gewoonten los te laten, om zich te verharden in de zonde van geestelijk af hoereeren.
Het is niet een nieuwe God, die vraagt om den dienst van het volk in den tempel, bij offer en gebed, maar het is de van ouds onder het volk bekende God, die klaagt over de ongehoorzaamheid van een wederhoorig en afvallig volk. Want de afval op godsdienstig en op zedelijk gebied was groot, waarover de God van Abraham, Izaak en Jacob, Israels Bonds-God, Zich vertoornt, smarte daarover dragend in Zijn hart.
Hebben Elia en Elisa — de woordprofeten, waarvan we geen geschriften overig hebben — een nieuwen, een anderen God gepredikt, dan Mozes en Jozua ? Hebben zij een anderen godsdienst willen brengen onder Israël ? Immers neen ! Hebben Amos en Hosea, Jesaja en Micha een anderen God gepredikt en een andere religie willen invoeren ?
Immers neen ! Maar Elia heeft de goddeloosheden van Achab en Izebel bestraft en het volk gesproken van de gruwelijke zonden om Baal, den zonne-god, en Astarte, de maangodin, te dienen en te eeren, terwijl men van achter Jehova afhoereerde met veel schandelijk gruwelbedrijf.
En Amos en Hosea, Jesaja en Micha hebben het oog op de politieke gebeurtenissen in verband met het opkomen van het Nieuw-Assyrische rijk onder Tiglath-Pileser, waarbij Israël, dat God, - verlaten heeft, onder den voet zal worden geloopen, om schandelijk te worden weggevoerd naar een vreemd land.
Dan klinkt de oude prediking van den éénen, waarachtigen God en de profeten dringen er op aan, dat de godsdienst en de eeredienst zal worden verdiept en zal worden vernieuwd, omdat God er geen genoegen mee neemt dat men Zijn Naam nog noemt met de lippen en vormelijk nog offers brengt, terwyl het harte verre van God leeft en willig zich geeft aan der heidenen goden en aan den gruwelijken zondedienst. God laat Zich niet bedriegen dan rnet stierenvleesch en bokkenbloed. „Geef Mij uw hart" — zoo vraagt Hij, en de profeten binden dezen goddelijken eisch ernstig aan bij heel het volk, ouden en jongen saam.
Wijzen zijn er genoeg, en raadgevers te over, valsche profeten telkens weer — maar de Heere zal wonderlijk en wonderbaar handelen en de wijsheid der wijzen zal te loor gaan, het verstand der verstandigen zal beschamen. Ze hebben Gods Woord verlaten, wat wijsheid zoude er dan nog overig zijn ? Tot de Wet en de Getuigenis, want anders zullen ze geen dageraad zien, de nieuwe dag der verlossing en des heils zal niet aanbreken ! De hooge lieden zullen vernederd worden en de trots der mannen zal worden gebroken. (Jesaja).
De God der Vaderen moet weer opnieuw gediend worden. En de profeet Jesaja zegt: „de Heere zal iets nieuws werken en het zal uitspruiten" — daarmee volstrekt niet bedoelend, dat er een nieuwe God zal komen en een nieuwe godsdienst, maar dat het harte des volks zal vernieuwd worden.
Het steenen hart zal worden weggenomen en een vleeschen hart zal de Heere geven.
(Ezechiël).
De kennis is weg bij het volk. (Jesaja 1 ; Hosea 4, 5, 6).
Maar zij weten van ouds, dat niet de zon, noch de maan, noch de sterren goden zijn — zooals de heidenen vele goden eeren, die afgoden of niet-goden zijn — en als Israël dan toch vele goden eert en dient, roepen de profeten terug tot den dienst Niet bij het polytheïsme, maar bij het monotheïsme is heil. En dat leeren de profeten niet als iets nieuws, maar dat is de oude beproefde waarheid.
De God van Israël, de God van Abraham, Izaak en Jacob, is de ééne ware God ; en deze God is de God van de gansche aarde.
Die alle dingen gemaakt heeft en alle dingen regeert en bestuurt met almachtige kracht, naar Zijn raad en welbehagen.
(Deut. 4 vers 19 ; 1 Kon. 18 ; Jesaja 40 vs.23 enz).
De oude prediking is : Weet gij het niet ? hoort gij het niet ? is het u niet van den aanvang af bekend gemaakt ? Hij is gezeten boven het rond der aarde, en hare inwoners zijn als sprinkhanen; Hij breidt de hemelen uit als een doek en spant ze als eene woontent. Heft naar omhoog uwe oogen, en ziet: wie heeft deze geschapen ? enz.
Dien God moet Israël liefhebben, eeren, dienen, vreezen. En indien men niet gelooft, voorwaar ! dan zal men niet bevestigd noch bewaard worden. (Jes. 7:9).
En neen ! dan wil de Heere niet vormelijk, uitwendig geëerd worden met allerlei ceremoniën, offers, geschenken, enz., terwijl het harte verre van Hem dwaalt in zondedienst. God is niet met schijn en vorm tevreê.
„Waarmede zal ik voor den HEERE treden, mij buigen voor den hoogen God ? ", zoo vraagt het volk in de dagen van den profeet Micha. „Zal ik voor Hem treden met brandoffers, met eenjarige stierkalveren ? Zal de HEERE welgevallen hebben in duizenden rammen, in tienduizenden stroomen van olie?  Zal ik mijn eerstgeborene offeren voor mijn overtreding, de vrucht mijner lendenen voor de zonde mijner ziel ? " Maar dan is het antwoord van den Godsman Micha, dat de ware dienst des HEEREN is : „U is bekend gemaakt, o mensch ! wat goed is en wat de HEERE van u vraagt: recht doen, liefde betrachten, en ootmoedig wandelen met uw God" (Micha 6).
Dat is de welgemeende godsdienst des harten en des levens, welke de Heere vraagt van Zijn volk en waarvan de profeten getuigenis geven.
Dat is het ethisch-monisme van de profeten. Het ootmoedig wandelen met God den HEERE.
Dan wil de HEERE, Israels Bonds-God, door der profeten mond getuigen (Hosea 2) : En Ik zal u Mij tot bruid nemen voor eeuwig ; en Ik zal u Mij tot bruid nemen in gerechtigheid en gericht, en in goedertierenheid en ontferming ; en Ik zal u Mij tot bruid nemen in trouw ; en gij zult den HEERE kennen.
Dan wil de Heere bij Zijn volk wonen en in het midden van Sion Zich openbaren in genade en liefde.
In de hoogte en het heilige woon Ik, en bij den verbrijzelde en den nedergebogene van geest; om te doen opleven den geest der nedergebogenen, en te doen opleven het hart der verbrijzelden. (Jes. 57).

JEUGD EN LEVENSVERWACHTING.
„Jeugd is lente, de tijd, waarin alle knoppen openspringen en alle vogelen hun lied zingen. Dan is er glans in het oog en veerkracht in den tred. Toekomstbeelden wenken. De baan ligt open. Het gaat een aan­vang nemen" Zoo begint dr. M. M. den Hertog z'n jeugdpreek in den adventstijd. (Het leven van Jezus. Jeugdpreeken. Uitgave : Bosch & Keuning, Baarn).
Hij spreekt dan van Israël, het volk van den hartstocht der religie, dat wist te wachten met hart en ziel op den Heere. Dat verlangen was niet onbestemd, niet vaag. Het heeft vaste omtrekken. Het gaat in Israël niet allereerst om iets onpersoonlijks, een gouden eeuw, een nieuwe orde der dingen. Israels' verwachting is persoonsverwachting. Zijn lied van verlangen is niet „het" komt, maar „Hy" komt. Silo zal komen en Hem zullen de volkeren gehoorzaam zijn. (Gen. 49 vers 13). „Ik toch heb Mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid" (Psalm 2 vers 6). „Verheug u zeer, gij dochter Sions ! Juich, gij dochter Jeruzalems ! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig en Hij is een Heiland" (Zach. 9 vers 9). Daarom heeft Israël gezongen :
„Hoe groot en schitt'rend is Zijn eer. Door 't heil aan Hem bewezen ! Hoe is Zijn roem gerezen, O, alvermogend Opperheer ! Wat glans, wat majesteit. Hebt Gij dien Vorst bereid !" (Psalm 21).
Of ook : „Verhoogt, o poorten ! nu den boog ; Rijst, eeuw'ge deuren ! rijst omhoog ; Opdat de Koning in moog' rijden". (Psalm 24).
Israël was het volk der verwachting. „De bergen zullen vrede dragen, de heuvels heilig recht; Hij zal hun vroolijk op doen dagen het heil, hun toegezegd". „Ja ! elk der vorsten zal zich buigen en vallen voor Hem neer ; al 't heidendom Zijn lof getuigen, dienstvaardig tot Zijn eer" (Psalm 72).
Israël hoopte op den Heere, op Zijn Woord. En „is Israël in nood, er zal verlossing komen ; Zijn "goedheid is zeer groot". (Ps. 130) Israël is jong en levend gehouden door zijn verwachting „Maar dié den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden" (Jesaja 40).
Zóó blijft de grijze Simeon jong, verwachtende den Heere en hopende op Zijn Woord. Hij sterft niet, maar wordt in krachten vernieuwd en wordt vervuld met heil, als hij het Kindeke ziet, dat de vervulling is van al Gods beloften. Hij heeft kunnen leven met het hoofd omhoog, hij kan nu ook sterven met blijde hope. „Ziet dit nieuw geboren Kind. Ziet, die 't Woord is zonder spreken; Ziet, die Vorst is zonder pracht; Ziet, die 't al is in gebreken. Ziet, die 't licht is in den nacht. Ziet, die 't goed is, dat zoo zoet is".
Jezus is de vervulling van de verwachting der vromen. „We hebben gesproken tot de stilte, die niet hoorde. Jezus is de stem, die geantwoord heeft. We hebben ons uitgestrekt in de duisternis. Jezus is de greep van God, die onze hand grijpt en opheft.
Jezus neemt de begeerte weg, niet los van haar bevrediging, zooals Boeddha poogde, maar juist door haar te bevredigen. Als iemand drinkt van het water, dat Hij biedt, dan weet hij in zijn hart, dat dit het water des levens is". (Stanley Jones).
Nu zegt dr. M. M. den Hertog in zijn jeugdpreek „Advent" : „Overal waar Hij verwacht wordt, is het lente. Lente in de ziel. Ook in uw hart leeft verwachting. Maar wat verwacht gij ?
Er zijn zooveel jonge menschen, die, als het geestelijke waarden geldt, niets meer verwachten. Dof en mat gaan ze door het leven met een leege ziel. Als kind hebben ze met verlangende oogen de wereld ingetuurd en er was spanning in hun hart.
Maar al spoedig hebben ze kennis gemaakt met de bittere kanten van het leven. Ze zijn bedrogen uitgekomen met menschen, die zich naar Christus noemen. Ze hebben zich geërgerd aan het feit, dat na zóó veel eeuwen het Christendom niet méér invloed heeft in ons werelddeel.
Idealen zijn meedoogenloos stuk geslagen en ze hebben geen moed meer om de scherven aan elkaar te lijmen. Ze zijn gedisillusioneerd. Het eenige wat ze nog verwachten is het materieele. Maar de profetie is in hen gestorven. Jonge menschen met winter in de ziel. Eertijds „hemelbestormers", nu „angstvallige beschermers van de aardsche stad".
Je moet van 't leven geen geluk verwachten En niet de blijdschap noch de stille vree : Het leven brengt, door dagen en door nachten. Niets anders dan een vreemde leegte mee. In gouden glanzen glijden alle dagen
Zacht naar den lichten einder heen. Het leven laat op al je vragen je eenzaam staan, moe en alleen.
Diep in ons wordt dan leegte gevonden. Maar er moet dan honger komen en dorst , naar den levenden God; met een roepen uit de diepte van nood en dood. Inkeeren tot onszelf is noodig en uit het hart moet I worden uitgestooten : „Vader — niet: ik heb het zoo ellendig gehad — maar : ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u".
En waar zóó het hart verlangt, daar komt de vervulling.
En die vervulling is Hij, in Wien de genade en de liefde Gods openbaar wordt, dwars door Zijn heiligheid en gerechtigheid heen, om arme zondaren met God te verzoenen en te maken tot Gods kinderen.
Wel blyft er ook dan nog te klagen, te verwachten, te vervullen.
Maar in Christus is de hoogste levensverwachting met vreugd en vrede vervuld, vragend om eeuwige vreugd en eeuwigen vrede, aan Sion toegezegd.
Jammer, dat ook onder jonge menschen geldt: Ziet, die 't goed is, dat zoo zoet is, Wordt verstooten, wordt veracht".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's