MEDITATIE
SION'S BEDE,IN BANGE TIJDEN. Velen zeggen : „Wie zal ons het goede doen zien ? " Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere ! Psalm 4 vers 7.
„Wie zal ons het goede doen zien ? " Dat was veler vraag in de droeve dagen, waarin David dezen 4den Psalm heeft gedicht. Uit alles blijkt duidelijk, dat dit Psalmlied betrekking heeft op een bange episode uit éen der vele oorlogen, welke David gevoerd heeft.
Naar alle waarschijnlijkheid doelt deze Psalm op de revolutie-dagen, waarin Absalom greep naar de koninklijke macht en waarin een felle burger-oorlog was ontbrand.
In elk geval zag de toekomst er voor David donker uit. De vijand had overvloed van koren en most, terwijl David en zijn mannen aan het allernoodigste voor hun levensonderhoud gebrek hadden.
Geen wonder, dat er een moedelooze stemming heerschte in Davids legerkamp, en dat velen in dat leger de bange vraag stelden : „Wie zal ons 't goede doen zien ? "
David heeft die bange vraag beluisterd en hij kan haar zoo goed begrijpen.
Ook in zijn ziel is het heden anders dan in die ure, waarin hij gewapend met slinger en steen een Goliath tegentrad. Maar hoe het ook in zijn ziel mag zijn — toch blijft hij niet hulpeloos en radeloos met die vraag rondloopen.
Het is aan den avond van den dag, want duidelijk blijkt dat deze Psalm een avondlied is, in tegenstelling met den voorafgaande, die tot de morgenzangen behoort.
En wat doet nu David aan den avond van dien bangen dag ?
Hij is met die angstige vraag in de eenzaamheid gegaan. In het donker van den avond buigt hij zich neer voor den Heere, zijn God, om al zijn nood uit te klagen voor het altijd luisterend oor van dien getrouwen God.
Hij weet, wat Hij heeft aan dien God. Hoor hem maar getuigen in het begin van dezen Psalm : „In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig en hoor mijn gebed".
Hoeveel goeds heeft hij van dien God mogen smaken ! Het gebrek moge rondsluipen in zijn leger en zijn vijand mag overvloed hebben van koren en most, toch is hij te midden van gebrek en gevaar nog rijk en blijde in God en in dat Godsbetrouwen smaakt zijn ziel een hooger vreugde dan ooit de wereld en haar schatten geven kan.
Daarom eindigt hij dit avondgebed met een lofzang op de goedheid Gods en in het vaste vertrouwen, dat God hem in den nacht zal beschutten.
Door den stillen avond klinkt zijn lied op de snaren van het speeltuig : „Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen ; want Gij, o Heere ! alleen zult mij doen zeker wonen".
Lezer, wat dunkt u van dit Gods-betrouwen in den aanvang van dit nieuwe jaar?
„Wie zal ons het goede doen zien ? " Dat was de vraag van velen in David's legerkamp.
Is dat ook niet schier aller vraag in onzen donkeren tijd ?
Is dat ook niet de vraag op dezen bangen Nieuwjaarsmorgen van 1932 ?
Is er niet veel overeenkomst tusschen Davids nood en dien van onzen dag ?
Voor David was er strijd, waarschijnlijk revolutie — voor ons dreigt de revolutie.
Ge moet maar eens beluisteren de opgewonden klanken uit het roode kamp van het Socialisme !
Steeds meer wordt er in dat roode kamp aangedrongen op gewelddadig verzet.
God geve, dat toch degenen, die nog bukken voor het Woord van God, dit gevaar niet onderschatten.
De kanker der ontevredenheid vreet voort in steeds breeder kringen van ons volk.
Steeds driester kunt ge hooren het opstandig roepen tegen God en Zijn Gezalfde : „Laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen".
Wat daar in de laatste dagen van 1931 in onze groote steden is openbaar geworden aan verzet tegen de van God gestelde machten, dat is als de doffe rommeling van het onweer, dat land en volk bedreigt, zoo God het niet verhoedt.
En als ge dan let op het rondsluipend gebrek !
David miste het allernoodigste tot levensonderhoud voor zichzelf en zijn mannen.
Door Gods genade missen wij dat allernoodigste nog niet, maar velen zien hun inkomsten dalen en weer anderen gaan gebukt onder den geesel der werkloosheid.
Zeker, daar zijn onder die werkloozen ook lijntrekkers en arbeids-schuwen, die liever de hand uitstrekken om ondersteuning dan met die sterke hand te grijpen naar het arbeidstuig. Maar er zijn óók onder die werkloozen, mannen, die met heel hun ziel hijgen naar eerlijken arbeid.
Ze zijn zoo moede van dat altijd maar zoeken naar nieuwen arbeid.
Ze vragen met groote bangheid in de ziel : „Wie zal ons het goede doen zien?"
Op het terrein van handel en industrie rijst al eveneens dezelfde vraag. Een vraag, die al banger wordt, naarmate de wereldgrooten geen oplossing kunnen vinden voor den geweldigen wereld-nood.
„Wie zal ons het goede doen zien ? " Die vraag mag ook wel gesteld worden in verband met de decadentie van het zedelijk leven. Als we zien op de toename der misdadigheid, op de snel voortwoekerende verwildering der zeden, op de ontwrichting van het huwelijksleven, op de ontheiliging van den Zondag, op het steeds luider roepen om brood en om spelen, dan gaat er een zuchten door Gods Kerk op aarde en verstaat zij al de bangheid van het woord van den wachter op Seïrs bergen : „De morgenstond is gekomen en nog is het nacht !"
En op kerkelijk terrein ? In onze eigen Kerk ?
Al meer een afglijden van de Belijdenis onzer Kerk, een afwijken van het Woord Gods, en daarmede een afbreken dier Kerk zelve.
Onder degenen, die God vreezen, hopelooze verdeeldheid ! Een elkander verbijten en veroordeelen, een versplintering in groepen en groepjes ! Een verdacht maken van elkander, omdat men in de dingen van het politieke leven verschillend denkt.
De politiek als een splijtzwam ingedragen binnen de erve onzer Kerk ! En dat in een tijd, waarin het ongeloof zich opmaakt tot den beslissenden strijd tegen degenen, die Gods Woord nog erkennen als richtsnoer op allerlei terrein van het leven.
„O Heere" — zoo mogen wij wel roepen in neergebogenheid der ziel — : „Wie zal ons het goede doen zien ? "
Misschien vraagt wel een lezer of lezeres : „Is dat nu niet te somber gezien ? "
Dan is ons antwoord : „neen, driewerf neen !"
God, de Heere, alleen kan nog bewaren en redden.
Maar als wij dat ook uit genade gelooven in het diepst onzer ziel, dan is er ook voor ons maar één antwoord op de vraag: „Wie zal ons het goede doen zien?"
Dan is het eenige antwoord ook op dezen eersten dag van dit donkere jaar de bede van David : „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere".
Gods volk wint het in levensverwachting ook in dezen stikdonkeren tijd op de kinderen der wereld.
Gods kind toch, ook al deelt het in den nood der tijden, mag zich vastklemmen aan de belofte des Heeren, dat zijn brood zeker is en zijn water gewis.
Al zou alles hem ontzinken en de welvaart wijken van zijn huis, dan heeft hij nog den Heere tot Zijn eeuwig deel.
Het mag Sions troost zijn, ook op dezen Nieuwjaarsdag: „De Heere regeert!"
Hij regeert over alles, wat in den hemel is en over alles, wat op de aarde is, en over alles, wat in de wateren onder de aarde is.
De Heere regeert; dat de volkeren beven ; Hij zit tusschen de Cherubs; de aarde bewege zich.
Hij regeert ook over Satan en al zijn legioenen.
Op Zijn bevel moest Satan het leven van een Job verschoonen en tegen Zijn wil kan ook in onzen dag Satan zich noch roeren noch bewegen.
Naarmate ook in den rampspoed onzer tijden Gods Kerk op aarde al de volle diepte mag verstaan van dit vaste regiment des Heeren, is op de bange vraag van onzen tekst voor dat Sion des Heeren het eenige antwoord : „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere !"
's Heeren aanschijn, dat is Zijn ontdekt. Zijn onthuld Wezen. Het licht van dat aanschijn is het uitstralen Zijner volmaakt heden, het glanzen Zijner deugden in en door Jezus Christus.
Dat is het uitschitteren voor het oog van Zijn volk van Zijn almacht, van Zijn liefde, van Zijn genade.
Als Hij dat licht van Zijn aanschijn over Zijn volk verheft en zij in dat licht mogen wandelen, dan gaat het hun als weleer de kinderen Israels in Egypte.
Het was drie dagen lang een dikke duisternis over gansch Egypteland. Doch temidden dier duisternis was het licht in de huizen van de kinderen Israels.
Zoo kan het ook nu nog licht zijn in de ziel van Gods kind en zijn hart worden verwijd als het ook op dezen bangen dag mag kennen de bede: „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere !"
Hebt ge wel gemerkt, lezer, dat David niet enkel denkt aan eigen nood, maar ook aan den nood van zijn volk ?
Hij bidt, of het moge uitstralen ook over dat volk.
In den nood onzer tijden kan dan ook zeker Gods kind niet volstaan met enkel te bidden om dat licht voor zichzelven, maar ligt er een roeping om den nood van de wereld te maken tot zijn nood. Heeft ook de Heere Jezus Christus Zijne discipelen niet geleerd te bidden: „Geef ons heden ons dagelijksch brood ? "
Wie dat in waarheid bidt, gaat ook niet werkeloos nederzitten, maar verstaat zijn roeping om in de groote sociale nooden van onzen dag te doen wat zijn hand vindt om te doen. Die gaat niet rustig nederzitten, als zijn eigen disch wel is voorzien, maar in gehoorzaamheid aan het woord des Heeren: „Draagt elkanders lasten", waakt zijn liefde op tot het ellendige en hongerige en naakte.
Hij maakt den nood van land en volk, van Kerk en Staat tot eigen nood en legt dien biddend neer voor 't aangezicht Gods.
Hij zal niet voortgaan de broederen te verbijten, maar gedrongen door de liefde van Christus stijgt zijn gebed omhoog tot den troon der genade om leniging van nood en smart.
Hij bidt, dat steeds meerderen mogen kennen die verheffing van het licht van het aanschijn des Heeren.
En zelf bestraald door dat licht, zingt hij in tegen nood en dood :
Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven Dan and'ren smaken, in een tijd Als zij door aardsch geluk verheven. Bij koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd. Ik zal gerust in vrede slapen. En liggen ongestoord terneer ; Want Gij alleen, mijn schild en wapen. Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen. Heer !
Renkum.
B. N. B. BOUTHOORN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1931
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's