JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
24) „Je bedoelt toch niet, dat er oorlog komt ? " — „Ja, dat meen ik". — „'k Dacht, dat de menschen in onzen tijd daartoe veel te verstandig waren". — „Om ruzie te maken ? " — „Nee, maar oorlog ; dat is toch niet hetzelfde ? " — „'t Verschil is niet zoo vreeselijk groot, alleen bij een oorlog gaat het op groote schaal en is dus de verwoesting ook grooter". — „Ik kan 't mij niet voorstellen ; krijgen wij er dan ook mee te doen ? " — „'t Kan er naar wezen ; we zitten er leelijk tusschen, precies als het ijzer tusschen den moker en het aanbeeld". — „Dan zou zeker onze Doeke, en Klaas Lolkes, en Jouke Slager, en Louw, en al die jongens ook soldaat moeten worden". — „Vanzelf, en wie weet hoeveel meer". — „Jou toch niet ? " — „Nee, ik ben te oud" — „Gelukkig ; wordt het voor onze koningin dan ook gevaarlijk ? " — „Nou, ik denk. dat er dan wel bizonder voor haar leven gewaakt zou worden als het zoo ver kwam". — „Hè, wat heeft zoo'n mensch 'toch ook al een zorgen en wat hebben wij het .dan toch een stuk gemakkelijker en beter in het leven".
Bij deze woorden kijkt Douwe zijn vrouw andermaal aan. Hoe is het mogelijk ! Altijd in de zorgen te zitten, van den morgen tot den avond in het getouw, vaak niet te weten hoe te moeten rondkomen van de eene week in de andere, inzonderheid gedurende die lange wintermaanden, als de verdiensten zoo schraal zijn, en toch zich gelukkiger voelen dan een koningin, die op allerlei wijze gediend wordt en krijgen kan wat haar hart begeert. Dat is hij altijd niet, vooral niet in den laatsten tijd. Wanneer hij ziet hoevelen zich in weelde en rijkdom baden, die toch lang het werk niet verrichten hetwelk hij van kindsbeen af gedaan heeft, kan hij wel eens oogenblikken hebben waarin de vraag bij hem boven komt, waarom dit nu zoo moet. Niet, dat hij socialist is — in Kleiterp kent men tot op heden die beweging niet, waarbij getracht wordt de arbeiders tegen het wettig gezag op te ruien — maar zonder zich zelf nu in de eerste plaats op het oog te hebben, vindt hij dat de paarden die de haver verdienen, deze niet altijd krijgen.
Voor zich zelf heeft hij hier nog niet zooveel mee te doen, maar als hij naar zijn vrouw en kinderen ziet, bekruipt hem wel eens een angstig gevoel. Jap dient al jaren op „de Eendenkooi" en dat gaat tot hiertoe best; de beide grootste jongens gaan al mee naar het land ; het daarop volgend meisje verdient wekelijks een paar centen met boodschappen loopen of 't rijden met den kinderwagen voor een ander, maar wat toekomst zit hier voor de kinderen in ? Hij zal met zijn vrouw het einde wel krijgen, al moet hij er niet aan denken wat over eenige jaren gebeuren zal, als hij zóó oud is dat hij voor het zware werk niet meer geschikt zal zijn en jongere krachten hem van zijn plaats zullen dringen. Doch hij zou zoo gaarne zien, dat zijn kinderen later een onbezorgder leven kregen dan hij en zijn vrouw altijd gehad hebben.
Wat deze laatste betreft, hij weet wel, dat zij er weinig anders over denkt dan hij, omdat zij vaster in het geloof staat; omdat zij meer vertrouwend is ; omdat zij alles wat er komt aanneemt als rechtstreeks uit de hand des Heeren haar geschonken.
„'t Zal wel goed komen", is haar gezegde, als hij de dingen soms zoo donker inziet; „de Heere heeft ons al zoo vaak geholpen, Hij zal het verder ook wèl maken. We hebben toch ook de beloften voor onze kinderen ? De groote zaak is maar, dat zij wandelen in de vreeze des Heeren. De psalmist zegt: „ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar ik heb nog nooit den rechtvaardige zien verlaten, noch zijn zaad zoekende brood". Daartoe komt hij echter altijd miet, omdat hij zijn verantwoordelijkheid jegens de zijnen zoo voelt, en omdat deze verantwoordelijkheid hem zoo drukken kan.
Douwe vervalt in mijmering ; de courant is ter zijde gelegd. Hij bekijkt zijn grove werkmanshanden, gebarsten van den arbeid, vereelt in harden dienst. Een gevoel van wrevel maakt zich van hem meester. Toevallig was hij vandaag eenige oogenblikken in de nabijheid van Jonker van Sterrenburgh, maar dat oogenblik heeft hem kwaad gedaan. Dat kwam zóó : juist was hij aan het eind van den akker bezig met de aardappels te schoffelen, toen de heer van „Grovestins" in een lichte brik kwam aanrijden. Opeens schrok 't paard voor een eend, die uit het water opvloog ; 't maakte een zijwaartsche beweging, steigerde en liep toen achteruit, niettegenstaande een zweepslag van den menner.
In een oogwenk zag Douwe het gevaar, wierp den schoffel neer, sprong over de sloot, wat hem nog een paar natte beenen bezorgde, en greep daarop het al woester wordende beest hardhandig in den teugel, waardoor hij nog juist bijtijds voorkwam dat de heele zaak in de diepe bermsloot terecht kwam. Toen had hij het onrustige dier zacht op den hals geklopt, zoodat het kalm werd en de Jonker gelegenheid kreeg uit te springen.
In minder dan geen tijd was dit alles afgeloopen, maar toen had het hem getroffen welk een onderscheid er bestond tusschen dien adellijken heer en hem ; in lichaamsbouw, in kleeding, in manieren, in alles !
„Dank je wel, Mollema", had de Jonker gezegd, „je hebt me daar 'n groeten dienst bewezen ; ik dacht, 't paard gaat er vandoor".
„Niet te danken. Jonker", had hij, even zijn pet afnemende, geantwoord, en was daarna met zijn gewone bescheidenheid achteruit gegaan. Wel bad hij gezien dat de Jonker hem aankeek, alsof hij nog iets wilde zeggen, maar hij had gedaan alsof hij het niet merkte. Daarop was het rijtuig, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller, weggerold.
Eerst toen had hij zijn oogen opgeslagen om de deftige equipage na te zien. Verbazend, wat was dat een fijne boel. Die teugel en ringen en sleutels van het gareel leken wel zilver, en dan die prachtige bruin lederen riemen en leidsels ! Alleen dat zaakje was méér waard dan het heele huishouden van Douwe, nog afgezien van het rijtuig en dat volbloed paard van het echte ras. En toen, terwijl de schoffel langzaam tusschen de aardappelplanten werd doorgehaald om het onkruid los te maken, was dat over hem gekomen, dat ongekende, dat onbestemde, dat drukkende, dat ellendige gevoel van zich-niet-meer-thuis-gevoelenop-zijn-plaats, waardoor de arbeidskracht werd verlamd.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's