MEDITATIE
Niet dat ik het alreede gekregen heb of alreede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Philip. 3 vers 12.
HET JAGEN NAAR DE VOLMAAKTHEID.
In den brief aan de Hebreen lezen wij : Jaagt den vrede na met allen en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.
Inderdaad, waar geen heiligmaking gevonden wordt, kan 't getuigenis over voorafgaande rechtvaardigmaking niets anders wezen dan slechts lippenwerk. Immers de Heere rechtvaardigt niet alleen den armen zondaar, maar komt hem ook te heiligen.
Aan de vruchten zullen ze worden gekend. Niet een iegelijk, die maar Heere, Heere tot Hem zegt, zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar alleen degenen die daar doen den wil Zijns Vaders, die in de hemelen is, zoo sprak eens de Heiland.
Welk een gewichtig stuk, hetwelk op den weg des heils moet worden gekend, is toch het leerstuk van de heiligmaking. Geen wonder, dat de vorst der duisternis al het mogelijke heeft beproefd om ook op dat terrein den mensch op een dwaalspoor te brengen. Zoo veel, wat zich aandient als heiligmaking, is slechts een uitvloeisel van het verbroken werkverbond, waarmede de mensch zich bedriegt voor de groote eeuwigheid.
Maar ook de Heere heeft het in Zijne ondoorgrondelijke wijsheid en barmhartigheid niet laten ontbreken aan onderwijzingen op den smallen weg naar de hemelsche Godsstad voor al Zijne kinderen. We sloegen voor u op een tekstwoord uit den brief van den apostel Paulus aan de Philippenzen, waarin hij den hartader van het leerstuk heeft getroffen.
In de verzen, die aan onzen tekst voorafgaan, heeft hij in gloedvolle taal uiteengezet hoe hij alle dingen schade heeft geacht, om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, zijnen Heere. De gerechtigheid, die uit de wet is, was voor hem een wegwerpelijk kleed geworden. De rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof, had hem echter als een rein kleed bedekt. Alleen ziende op de gerechtigheid van Christus, had de rechtvaardige Vader ook hem gerechtvaardigd, om niet, uit enkel ontferming.
Maar hiermede is de werkzaamheid van het geloof niet uitgeput; . Neen, hij wil nog meer van dien gezegenden Borg en Middelaar leeren kennen en van de kracht Zijner opstanding. Zijnen dood gelijkvormig wordende of hij eenigszins mocht komen tot de wederopstanding der dooden.
Hij is van déze groote begeerte vervuld, dat Christus zijn leven moge vervullen van dag tot dag.
De gemeente te Philippi, aan wie Paulus zijn schrijven richtte, bestond voor een groot deel uit gechristianiseerde Joden. O, wat waren velen van hen nog vol ijver om de zaligheid te verdienen. Hoe meende menigeen de volmaaktheid reeds te hebben bereikt. O, wat moet het hun verwonderd hebben, toen ze hem, dien ze zoo hoog achtten, hoorden getuigen : Niet, dat ik het alreede verkregen heb, of aireede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik ook van Christus Jezus gegrepen ben.
Dit getuigenis van Paulus in het worstelstrijdperk van de heiligmaking, willen we wat nader met elkander overdenken. Onze stof valt uiteen in drieën.
We spreken u over :
zijne ootmoedige schuldbelijdenis ; zijn heilig jagen naar volmaaktheid ; en ever de rijke genade, hem daartoe geschonken.
Vindt gij dat geen ootmoedige belijdenis, lezers : „Niet, dat ik het alreede verkregen heb of alreede volmaakt ben".
Misschien vindt ge er niets ootmoedigs in opgesloten. Ge ontmoet zoo vaak menschen in uw leven, die gaarne volmondig bekennen dat ze niet volmaakt zijn. Maar zulk een bekentenis is dan eigenlijk meer een vergoelijking van meerdere of grootere tekortkomingen. Het wordt veeleer genomen in den zin, dat men het maar niet zoo nauw moet nemen. Volmaakt is immers niemand.
In gansch anderen zin belijdt hier de apostel Paulus zijne onvolmaaktheid. Hij was waarlijk niet de eerste de beste. Reeds vóór zijne bekeering, toen God hem riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, leefde hij onberispelijk naar de wet, wat zijn uitwendigen levenswandel aangaat. Hij leefde naar de strengste wetten van de Farizeen. Misschien heeft hij in die dagen in Farizeesche hoovaardij wel eens gemeend den berg der volmaaktheid bijna te hebben beklommen.
Stond ook de Farizeër uit de gelijkenis niet op dat hooge standpunt, waarop men het durft uit te spreken : O God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen.
Op den weg naar Damascus is het anders met hem geworden. Het licht van den hemel, hetwelk zijn natuurlijk oog verblindde, heeft in anderen zin zijn zielsoog geopend. Saul van Tarsen, de rijke en verrijkte Farizeer, die aan geen ding gebrek had, begint nu in te zien dat hij jammerlijk, naakt en ellendig is.
Wie zal beschrijven, wat er in zijn ziel is omgegaan, toen hij in innerlijke zielsworstelingen nederlag in dat opperkamertje in de Rechte straat te Damascus. Van den berg der volmaaktheid was hij neergevallen in het diepe dal van den ootmoed. Van volmaaktheid is geen sprake meer. Hij leert zich kennen als een arm zondaar, die in zijn blindheid met al zijn eigen vroomheid Jezus had vervolgd. Het was hem hard geweest de verzenen tegen de prikkels te slaan. Zich zelf te redden bleek onmogelijk. Geen vollerszeep van eigengerechtigheid bleek in staat om de smetten en de vlekken der ziel uit te kunnen wisschen. Hij heeft dag noch nacht rust. Hij kan niet eten of drinken. De eeuwigheid opent zich voor zijn geestesoog als een gapende afgrond. Hij kan niet anders denken of elk oogenblik zal de rechtvaardige God zijn levenslot voor eeuwig beslissen. En hoe kan het anders of de hel is zijn plaats !
Maar ziet, eeuwig wonder van genade ! de Heere ontfermt zich over hem. Niet om eenige verdienste! Het was de eeuwige liefde Gods in Christus Jezus, die ook hem in de beide handpalmen Gods had gegraveerd.
Zijn geloofsoog werd ontsloten voor een betere gerechtigheid dan die van Schriftgeleerden en Farizeen.
Het was de gerechtigheid van den dierbaren Borg en Middelaar Christus Jezus. Toen Ananias hem de handen op had gelegd, vielen als schellen van zijne oogen. Hij mocht weer het liefelijk zonlicht aanschouwen, maar zijn geloofsoog werd geopend voor dat nog veel heerlijker licht van de Zonne der Gerechtigheid. Nu kon hij door geloof zijne zonden op dat volmaakte offerlam leggen, maar nu ook met de Kerk jubelen : De Heere, onze gerechtigheid !
De smalle weg wordt thans door hem ingeslagen. Weer maakt zich van hem meester dat heilig verlangen om onberispelijk te wandelen voor het aangezicht des Heeren. Weer begint een jacht naar volmaaktheid. Maar thans uit veel heerlijker motief. Het is zijn lust, dat die God, die hem trok uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, nu ook door zijn handel en wandel mag worden verheerlijkt. Dit volk heb Ik mij geformeerd, spreekt de Heere, opdat het mijnen lof zou vertellen.
Het was nu niet meer een dienen Gods om daarmee den hemel te winnen, maar veeleer om voort te brengen de vruchten der dankbaarheid. Niet alsof daarbij nu opeens alle werkheUigheid zou zijn verdreven. De mensch is door de zonde zóó diep gevallen, dat hij, indien Gods genade hem ook maar een wijle loslaat, weer Antinomiaan of Remonstrant wordt.
In tijden van vertraging en verachtering maakt hij zich een kussen van zorgeloosheid om zich daarop rustig neder te vleien. En als dan de Heilige Geest weer wakker komt te schudden, grijpt men opnieuw weer naar de werken der wet om voor God te kunnen verschijnen.
O, wat staat de mensch toch dwars tegen die ruime aanbieding van genade en zaligheid, om gezaligd te worden om niet, uit enkel ontferming, door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Maar Paulus had het smalle pad betreden. Ook van hem zal gelden, wat de dichter had gezongen :
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort. Elk hunner zal in 't zalig oord
Van Sion haast voor God verschijnen.
Met de woorden van den dichter voor oogen bevreemdt het nu misschien weer, dat Paulus moet getuigen : „Niet, dat ik aireede volmaakt ben, niet dat ik het alreede verkregen heb". Want in zijn mond wil dat zeggen : O, het is bij mij nog zoo ver van die volmaaktheid. Of nog liever : Ik ben nog zoo onvolmaakt. Lees maar eens het 18de vers van het 7de hoofdstuk van den brief van den apostel aan de Romeinen : Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet, want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zoo komt hij in vers 24 van dat zelfde hoofdstuk tot die smartvolle conclusie : Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods.
Er zijn vele menschen, ontbloot van zelfkennis, die daar maar niet aan willen en het willen doen voorkomen alsof hier de apostel nog over den tijd vóór zijn bekeering sprak. Tegen zulk een verklaring verzet zich echter alles. Neen, Paulus moet na ontvangene genade belijden, dat er in zijn vleesch geen goed woont.
O, wat was dat hem tot een smart! Dat was voor hem maar geen los gezegde, zooals ook de natuurlijke mensch het zoo gaarne bezigt. Neen, het is veel meer de smartkreet van een, die ten bloede toe heeft gestreden tegen de macht der inwonende zonde.
Heeft de apostel dan zoo weinig vorderingen gemaakt op den weg der heiligmaking ? hoor ik iemand vol teleurstelling vragen.
Ge hadt het u anders voorgesteld. Ge hadt gedacht, dat deze man althans aan den avond van zijn leven zou hebben getuigd, dat hij alle zonde te boven was en dat hij zich zoó heilig zou hebben geacht, dat deze aarde niet heilig genoeg meer was om hem. te dragen.
Het is maar de vraag, lezers, wat ge onder vorderingen verstaan wilt. Onze ouden plachten wel eens te zeggen : Minder zonden doen en toch grooter zondaar worden in eigen oog voor God. Als ge die uitdrukking verstaat, zal uw oordeel ongetwijfeld anders wezen. En denk eens aan den belijder uit den Heidelberger Catechismus : Moest hij niet belijden, dat er slechts sprake was van een klein beginsel van gehoorzaamheid. Moest hij niet met schaamte belijden, dat hij na ontvangene genade nog steeds tot alle boosheid geneigd was ? Zeker, ik weet het wel, dat alle quasimoralisten zich hieraan stoeten zullen. Maar allen, die ingewikkeld zijn in den bitteren strijd tegen de kracht der inwonende zonde, allen die bezig zijn om den scherpen doorn uit hun vleesch te rukken, zullen verblijd zijn als ze Paulus en den belijder hooren getuigen van hunne bange worstelingen tegen de zonden des vleesches.
O, kind des Heeren, die dit leest, moet ge niet met weemoed met Paulus instemmen, dat ge het nog niet verkregen hebt, dat ge nog niet volmaakt zijt. Aan den avond van eiken dag uws levens hebt ge u voor den Heere te schamen over de zonden van den dag, die achter u ligt. Al is het, dat ge niet zijt gevallen in uitbrekende zonden, het was omdat Hij u bewaarde en voor struikelen behoedde op 't smalle pad.
Als ge u ook met woorden niet bezondigd hebt, weet, dat dit alleen mogelijk was omdat Hij een wacht voor uv/en mond heeft gezet en de deur uwer lippen heeft behoed. Maar o, sta eens stil bij die wereld uwer gedachten. En nu moge de wereld durven beweren dat de gedachten des menschen tolvrij zijn, met andere woorden, dat men denken mag wat men wil, maar Gods Woord weet beter. Indien het wèl ware, zou men immers altijd met den dichter moeten kunnen zingen :
Is hetgeen ik denk niet tot Uw eer ? Beproef me en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt. En doe mij toch met vaste schreden Den weg der zaligheid betreden.
O, eigengerechtige mensch, vindt ge dat geen gevaarlijk standpunt, hetwelk ge inneemt ? Het te durven wagen, u zoo ver boven Paulus te verheffen ? Zou er wel één geweest zijn, zoo diep ingeleid in den weg der genade en der verlossing en in den weg der heiligmaking als de apostel Paulus.
O, bedenk dat Christus heeft gezegd : Zoo uwe gerechtigheden niet overvloediger zijn dan die van Schriftgeleerden en Parizeen, zoo zult ge in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
Geen ongelukkiger zondaar dan hij, in wien de oude Adam vroom geworden is,
Zich te tooien met de vijgeboombladeren der eigengerechtigheid en te meenen, dat daarin de volmaaktheid te vinden is, die voor God bestaan kan.
Daarom zullen de bekeerde hoeren en tollenaars den eigengerechtigen Farizeër vóórgaan in het koninkrijk Gods.
Tegen de laatsten richt Hij het telkens herhaalde : Wee u, wee u. Duizenden denken bij zichzelf, dat men door ieder het zijne te geven en door deugdzaam te leven de eeuwigheid zonder vrees kan tegemoet gaan. Ze zullen zich bedriegen voor de eeuwigheid, want al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.
Alleenlijk, ken uwe ongerechtigheid, o gij huis Israels, want waarom zoudt gij sterven, spreekt de Heere.
Er is slechts één weg tot redding. Alles verliezen om Christus te gewinnen. Te worden ontkleed, om met Christus' gerechtigheid te worden bekleed.
Toen Maria van Magdala troosteloos nederzat bij het graf, met de nu zoo waardelooze specerijen, openbaarde zich aan haar de Heiland met de rijkste vertroostingen. Hoe blijkt uit het gansche Woord des Heeren, dat op den weg der heiligmaking de grondwet van het koninkrijk Gods gehandhaafd blijft: Hij moet wassen, maar ik minder worden.
Dit bracht er echter den apostel geenszins toe om zich neer te vleien op het bed van de zorgelooze rust. Neen, hoor maaj naar de tekstwoorden : Maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht.
Elk mensch op deze wereld heeft iets, wat hij zoekt te bereiken. Wat een gejaag in het strijdperk van dit leven. Of we konden evengoed zeggen : Wat wordt de mensch voortgejaagd op zijn levenspad.
Wat een jagen naar de genoegens dezer wereld, die voorbij gaan. Hoeveel millioenen, die geen hooger idealen kennen dan het jagen naar de dingen dezer wereld, die voorbij gaan. En de Satan zwiept ze voort op den breeden weg, die straks ten verderve leidt.
Elke leeftijd heeft zijn eigen idealen. Reeds het kind jaagt naar de genoegens van de verschillende spelen. De schoolkinderen verlangen naar den dag, waarop ze de school zullen mogen verlaten om zich door verdere studie tot eenig ambt te bekwamen of een ambacht te leeren of zich in de huishouding te bekwamen.
Steeds sneller begint het bloed in de aderen te stroomen. Klagen ouden van dagen, dat de tijd zoo voorbij snelt, het gaat den jongeren nooit te vlug. Het gaat immers om het bereiken van de idealen.
De jongelingen en de jongedochters treden met elkander in het huwelijk. Nu zullen de idealen worden verwezenlijkt. Men zwoegt en slaaft van den vroegen morgen tot den laten avond. Men begin te bemerken dat het huwelijksformulier waarheid heeft bevat, als het zoo somber begint :
„Aangezien den gehuwden gewoonlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde toekomt". Wat al moeite en verdriet bij al de zegeningen. Men hoopt nochtans de kinderen, die de Heere geschonken heeft, groot te zien. We zouden zoo gaarne willen dat ze in het maatschappelijke leven straks een goede bestemming mogen bereiken. We zouden er wel alles voor over hebben.
Als de zon van ons leven ver over de middaghoogte is gegaan, komen er weer andere idealen. Als de kinderen in het huwelijk zijn getreden, hopen de grootouders ook hunne kleinkinderen nog te mogen zien opgroeien. Voorts wordt alles gedaan om zich een gerusten ouden dag te bezorgen.
En nu zoudt ge denken, dat hiermee het einde van de idealen bereikt is. Neen, volstrekt niet. Ik sprak eens een afgeleefden grijsaard. Oppervlakkig beschouwd, moest men zeggen, dat het leven voor hem niets meer was. Toen ik hem sprak over de broos heid en vergankelijkheid van zijn leven en over het naderend einde, wilde hij daarvan volstrekt niet weten. En waarom ? zult ge vragen ! Wel, hij las zoo vaak in de bladen, dat er menschen honderd jaar oud werden. Hij hoopte stellig het ook nog te worden.
Zoo zien we, geachte lezers, dat de mensch niet ophoudt om te jagen naar telkens vernieuwde idealen.
We zouden verder nog kunnen spreken over de jacht naar eer en aanzien en naar rijkdom en over de verzadiging van de booze hartstochten des vleesches.
Maar waartoe nog meer. Laat ons liever den blik wenden naar het jagen van den apostel Paulus.
De apostel denkt aan de Grieksche renbaan. Ongetwijfeld heeft hij vanuit de verte het wel eens gadegeslagen, hoe de deelnemers aan den wedstrijd door de renbaan vlogen. Het zweet gutste hun langs het gelaat. Allen hielden het einddoel van de renbaan voor oogen. Om aller aandacht maar te trekken, had men er een wit doelwit opgehangen. Wie dat doelwit uit het oog verloor, moest zeker den wedstrijd verliezen.
Hij wil er niets meer aan ontleenen dan een beeldspraak. O, als Paulus in onze dagen eens kon zien hoe de sportmannen worden verafgood en hoe Gods dag door de sportwereld wordt ontheiligd, zeker zou hij tegen dit alles zijne ernstige waarschuwingen doen hooren.
Het doelwit, dat Paulus voor oogen heeft, is er een van hemelsche makelij. Hij wenseht heilig te leven voor het aangezicht van dien God, die hem had getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Hij verlangt hier op aarde voor God te leven, als was hij een hemeling.
Helaas ! aan den avond van eiken levensdag, als zijn zielsoog maar door God geopend wordt, moet hij het belijden, nog o zoo ver verwijderd te wezen van dat heilig doelwit der volmaaktheid.
O, welk een worsteling tegen de kracht der inwonende zonde ! Als de Heere maar een oogenblik Zijne bewarende hand in> houdt, wordt het een struikelen of vallen. Als Hij de wacht voor onzen mond komt weg te nemen en de deur onzer lippen niet meer behoedt, vloeien Godonteerende woorden over onze lippen.
En o wee, dan die wereld van onze gedachten !
Wat kan het geloof onder de asch bedolven liggen. Wat al koudheid of lauwheid. Wat een kleven van de ziel aan het stof dezer wereld. Wat al klacht over te weinig ijver en liefde in dien zaligen dienst van Koning Jezus.
Dit brengt den apostel in gedurige zieleworstelingen telkens weer aan den troon der genade. De smart over de kracht der inwonende zonde, die hem als een doorn in zijn vleesch zoo pijnigt, brengt hem weer aan den troon der genade van Hem, die gezegd heeft, dat Zijn kracht in zwakheid v/ordt volbracht.
Hoe meer hij graaft in den wand van zijn verdorven hart, des te meer gruwelen vindt hij, maar des te meer moet ook weer het gebed vermenigvuldigen : O God, wees mij zondaar genadig ! O, het is zulk een pijnlijk werk voor het vleesch, om de zonde met wortel en tak uit te roeien, om te strijden tegen de booze lusten van ons verdorven hart.
En als dan bij tijden en oogenblikken zijne ziel in Christus mag eindigen, dien rijken Borg en Middelaar, die zijne zonden op het vloekhout droeg, dan ziet hij zich door de toegerekende gerechtigheid volmaakt in Hem, dien grooten Borg.
Maar de zonde behoeft maar een weinig scheiding te maken of het uitzicht op den geestelijken Nebo, waar het land Kanaan van verre wordt aanschouwd, wordt weer beneveld.
(Slot volgt).
Ermelo.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's