De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

EEN NIEUW BEGIN ?
Bekend is het gedicht, waarin ons geteekend wordt een jongeling, die droomt dai hij een grijsaard is. Hij is zijn einde, zijn graf nabij en hij heeft niets vergaard dan dwaze vreugd ; een lichaam, vroeg aan 't doodsverderf gewijd ; éen hart vol gif; een ziel verkleumd van kou; een grijsheid vol van folterend naberouw.
Hij herinnert zich de dagen zijner jeugd, den tijd toen een trouwe vaderhand hem stil deed staan op 's levens tweesprong, waar rechts de godsvrucht haar heldere zonnebaan uitzendt naar een schoon en vreedzaam land ; maar waar ter linkerzijde de weg des kwaads door menigen molshoop heen zijn bochten wringt tot in de wildernis, waar nooit een straal van 't licht des levens schijnt, „vol druppelend gif en syflend slanggesis".
En thans de slangen, ach ! zij kronkelen om zijn hart, 't gif schroeit zijn tong, zoodat hij weet, waar hij is
O vader ! snikt hij, geef mij mijn jeugd mij weer !
Dan ontwaakt hij. Hij heeft gedroomd !
Indien wij nog niet verlaten hebben het pad der zonde en in onbekeerlijkheid des harten voortleven, indien we nog niet ontkleed zijn geworden, maar overkleed met het gewaad der eigengerechtigheid voortleven ; indien we nog geen keuze gedaan hebben waarbij het woord van den Heiland getuigt: „gij hebt het goede deel gekozen, hetwelk van u niet zal weggenomen worden" (Lukas 10 vers 42), laat ons dan in dit nieuwe jaar, nu' de Heere ons een nieuwe kans geeft, tot een beslissende keuze des harten mogen komen ! Want het is beter om den Heere te vreezen en Hem te dienen, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. (Hebr. 11 vers 25b).
Brenge dit nieuwe jaar ons een nieuw hart — waartoe des Heeren genade en liefde ons bewege !
En worde de goede keuze des harten bij allen, die den Heere bij aanvang of voortgang mogen liefhebben, bevestigd tot vrede en vreugd voor leven en sterven.

JEZUS EN HET SOCIALE LEVEN.
Jezus Christus heeft voor alle levensterreinen, voor alle levens-sferen Zijn Woord te zeggen. De schaduw van 't beeld van onzen Heere Jezus Christus valt wel waarlijk over alle levensgebied.
Dat is niet altijd in praktijk gebracht. Natuurlijk heeft Jezus Zijn wetten voor het gemeenschapsleven : voor dat van het gezin allereerst, als kernpunt aller andere levensgemeenschappen.
Natuurlijk óók voor dat van Zijn gemeente. Zijn Kerk.
Maar niet minder voor het menschelijk gemeenschapsleven in maatschappij en Staat.
Alleen maar, bij deze eenvoudige constateering kunnen en mogen wij het niet laten, de moeilijkheden ontstaan eerst, als wij ons, concreet en practisch, gaan afvragen : wat heeft Jezus nu gewild ten opzichte van dat leven der menschen onderling ? De geweldig-gecompliceerde ontwikkeling, door den loop der eeuwen heen, maakte het steeds moeilijker, juist hier, om vast te stellen wat Jezus' wil genoemd mag worden voor die terreinen. Hij trad dan ook op in een zoo geheel anderen tijd en onder zoo geheel-andersoortige omstandigheden.
Voor de eerste Christenen hebben ook de vragen, samenhangend met het sociale leven, niet die enorme beteekenis gehad, als voor ons nu. Want zij leefden veel meer dan wij in de verwachting van de spoedige wederkomst van Christus.
Toch gaan die een eenzijdig-eschatologisch Jezus-beeld geven.
Het standpunt van hen, die beweren, dat Jezus geen woord over gehad heeft voor de vragen van het sociale leven, maar Zijn wederkomst Hem het. één en het al was — is het onze niet. Maar langen tijd hebben de Christenen hun taak hier niet gezien. En zoo is de ontwikkeling van het maatschappelijk en staatkundig leven, praktisch, veelszins omgegaan buiten den lichtkring van den persoon van Jezus Christus.
Het merkwaardige is nu, dat in de vorige eeuw, bij de groote plaats, die de sociale vragen toen gekregen hebben in het geheel der dingen, het allereerst en vooral de radicalen van allerlei slag zijn geweest, die — natuurlijk op hun manier — gewezen hebben op de beteekenis van den persoon van Jezus voor heel het sociale leven. Iets, waarop ook dr. A. Kuyper wijst in zijn rede : „Het sociale vraagstuk en de Christelijke religie", woord ter opening van het Sociaal Congres in 1891 gesproken. Hij zegt daar o.a. : „We zijn dus in mora gesteld (d.i. dat we nalatig zijn geweest). En dat niet alleen door de ons van God gegeven leidslieden maar even luid door de Socialisten zelven, die niet aflieten, zich voor hun utopiën steeds op den Christus te beroepen ; ons gedurig ernstige spreuken uit de Heilige Schrift voorhielden ; ja, zóó sterk den band tusschen den Socialen nood en de Christelijke religie gevoelden, dat ze niet aarzelden den Christus zelven als den Grootprofeet van het Socialisme voor te stellen."
Wat de moderne litteratuur geeft over het Jezusbeeld en het sociale leven is zéér veel. Veel pogingen zijn gedaan, om het beeld van Jezus sociaal te waardeeren.
Vooral in de tweede helft van de vorige eeuw ontstond de neiging, om alles en alles te beschouwen vanuit sociaal gezichtspunt. Alles werkte daartoe mee.
En de eenzijdigheid is men niet ontgaan.
Wat ontzaglijk veel vraagstukken betreffende het gemeenschapsleven deden zich toen voor. Bracht — om maar iets te noemen — het machine-wezen en de opeenhooping der arbeiders-in de reusachtige fabrieken in de groote steden en industriecentra niet allerlei moeilijke vragen ? En bij deze algemeene constellatie kan en mag het niet verwonderen, dat men er toen ook toe kwam Jezus bovenal te stellen in datzelfde licht en na te gaan Zijn verhouding tot de „sociale kwestie."
Waarbij ook openbaar werden talrijke pogingen, om het onhistorische van het Christendom te betoogen en het aannemelijk te maken, dat Jezus nooit bestaan heeft! Negaties waartoe men gebracht was door de critiek der moderne theologie, die de Evangeliën stuk gebroken had en de gestalte van Jezus Christus als totaal onhistorisch deed zien, zijnde slechts het beeld van dwaze fantasie van overspannen menschen. (Bruno Bauer 1809—-'82).
En waar men de historiciteit van den persoon van Jezus Christus erkent, daar heeft men zich niet ontzien zijn godsdienstig en zedelijk karakter verdacht te maken en zijn leer voor te stellen, als niet voor de praktijk geschikt en zeker voor onzen tijd niet na te volgen.
Hoe radicaal sommigen over Jezus oordeelden, bewijzen mannen als Ernest Renan in zijn „Leven van Jezus". Hij wordt daar een anarchist genoemd. En F. Domela Nieuwenhuis (1846— 1918), de man voor wien Amsterdam in de nabijheid van de Haarlemmerpoort een standbeeld heeft opgericht, wilde het socialisme enten op het Christendom, maar dan op het Christendom van zijn makelij. („De Geschiedenis van 't Socialisme", deel I, hoofdstuk 6, „Socialisme in het oorspronkelijk Christendom"). Het revolutionair karakter van het moderne socialisme vindt dan een pleitbezorger in Jezus, die niet terugdeinsde voor geweld ! Waarbij ook een beroep gedaan wordt op het communisme der eerste Christenen, wat wel in overeenstemming met Jezus' eigen gedachten geweest moet zijn.
Jezus wordt dan voorgesteld als socialist, anarchist en communist.
En Max Stirner, de vader van het moderne anarchisme, spreekt aldus over Jezus (zijnde een citaat van de schrijfster Sèvèrine) :
„Een jongen uit Bethlehem, zwak naar lichaam en geest, verzamelt rondom zich eenige proletariërs, tot wie hij teeder en eenvoudig spreekt over hun groote ellende. Deze vatten een woeste vriendschap voor hem op en verlaten alles om hem te volgen, als hij door Palestina gaat trekken. Zij hebben geen beroep evenals onze vagebonden ; zij slapen in de groeven evenals onze dakloozen ; zij maken manifestaties op de graven evenals wij zulks doen; zij houden meetings evenals de werkloozen ten onzent. Zij waren twaalf in getal, zij zijn honderd — morgen zullen zij duizend zijn. Evenals de sneeuwbal die naar beneden wentelt, wordt de troep gaandeweg grooter. Al wat het land telt aan stroopers, gevallen meisjes, landloopers en roovers, volgt dien jongen man, die de gelijkheid predikt. Daar men moet leven, stroopt men ; ja, men neemt, waar men het vinden kan ; en de bourgeois sluiten hun deuren vol schrik voor dit „leger van misdaad", samengesteld uit de verworpelingen der maatschappij. De provincie is in beroering, de regeering komt in opstand. Jezus wordt gearresteerd wegens ophitsing tot plundering en aansporing tot haat der burgers tegen elkander. Men vonnist hem tegelijkertijd met een dief ; de dief krijgt gratie. Toen keerde Barabbas zich om met zijn mede-beschuldigde en zei: „voer gauw dien misdadiger weg"
Jezus wordt terechtgesteld te midden van het gelach, het geschreeuw en gespuug; zijn doodsstrijd bezorgt een vroolijk oogenblik aan dronken soldaten en hij geeft de laatste zucht tusschen twee dieven aan een vernederend kruis, aan den voet waarvan een oude handwerksvrouw, die zijn nicht is, en een arm meisje van plezier, die hem beminde, weenen. Deze „misdadiger" staat op en sinds 19 eeuwen heerscht hij over de wereld". (Uitgave S. L. van Looy, Amsterdam, 1901, blz. 97—98).
Mannen als David Friedrich Strausz, Ernest Renan, maar vooral Bruno Bauer, hebben tot dergelijk radicalisme meegewerkt.
Het is interessant over deze dingen, betrekking hebbende op Jezus en Zijn beteekenis voor het sociale leven, te lezen wat ds. W. M. Le Cointre in zijn mooie boek : „Het sociale Jezus-beeld", Deel I, ons meedeelt en beschrijft. (Uitgave : Uitg.-Mij. „Holland", Amsterdam, 1931). Daar hooren we hoe b.v. Karl Kautsky (geb. 1854 te Praag), Max Maurenbrecher (geb. 1874), Albert Kalthoff (1850—1906) e.a. over het Jezus-beeld en het sociale leven hebben geschreven. Om dan vervolgens te hooren van „De socialistische arbeider en zijn Jezus-beeld" ; van „het Jezus-beeld bij eenige socialistische en geestverwante litteratoren" (Peter Roseger, Leo Tolstoï e.a.) ; over „het Jezus-beeld in de oorlogslitteratuur"; over „het pacifistische, anti-militairistische, revolutionaire Jezus-beeld" ; over ,, het sociale Jezus-beeld en de taak der zending". Men moet dit boek van ds. Le Cointre, zoo keurig uitgegeven door Mij. „Holland" te Amsterdam, bepaald lezen !

STAAT EN KERK.
Nog niet lang geleden gaf de gebeurtenis van Engeland's Kerk bewijs, dat het zoo moeilijk en geheel verkeerd is, wanneer de Staat — de Overheid en de Volksvertegenwoordigers — beslissing moeten nemen in kerkelijke aangelegenheden. De Kerk heeft een eigen terrein en moet zelf in geestelijke zaken en kerkelijke kwesties een oordeel vaststellen. Daarin moet de Kerk, onder de regeering van haar eigen Koning, Jezus Christus, en bij de autoriteit van des Konings Woord, vrij zijn en blijven.
Nu geeft de Kerk van Zuid-Afrika weer een voorbeeld, hoe de verhouding van Staat en Kerk verkeerd is, als de Hooge Raad in leergeschillen een beslissing moet nemen. In Handelingen 15 wordt ons een anderen weg gewezen. Daar moeten de Kerken, in hare vertegenwoordigers, in kerkelijke samenkomst, onder leiding des Heiligen Geestes beslissen en niet de koning of keizer of Hooge Raad. In de Kerk regeert Christus en Hij alleen, door middel van de ambtsdragers, de dienaren des Woords en de Ouderlingen of Opzieners der gemeente.
Wat is in Zuid-Afrika nu het geval ?
Prof. Du Plessis, hoogleeraar aan de Theologische School te Stellenbosch, is door de Synode van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk (Zuid-Afrika) ontslagen, omdat hij leeringen aangaande de Heilige Schrift en Christus verkondigde, die in strijd waren met de belijdenis der Kerk.
Maar daarmee is het nu niet uit.
De door de Kerk ontslagen Hoogleeraar der Theologische School is nu voor den Hoogen Raad in Zuid-Afrika verschenen, die te beslissen zal hebben of deze afzetting al dan niet terecht geschied is. „De Heraut" weet te vertellen van een kruisverhoor dat voor den Hoogen Raad heeft plaats gehad, waarvan een uitvoerig verslag heeft gestaan in Die Burger, van 26 en 27 November. Het is nog niet bekend, wat na dat kruisverhoor de uitspraak van den burgerlijken Rechter over de leerlingen van prof. Du Plessis en daarmee in verband over het ontslag door de Kerk gegeven, is geweest of zijn zal. Maar vroeger is het ook al geschied in Zuid-Afrika, dat enkele predikanten, door de Synode wegens dwaling afgezet, door het Gerechtshof in hoogster instantie zijn vrijgesproken en — de Kerk, de Synode, heeft zich daarbij toen neergelegd.
Zoo zouden ook nu weer de grootste moeilijkheden kunnen geboren worden.
Want het is natuurlijk ook nu weer mogelijk dat de Hooge Raad prof. Du Plessis de hand boven 't hoofd houdt en vrijspreekt van leerstellige dwalingen — en dan zal de Kerk, de Synode, den hoogleeraar öf weer in zijn ambt aan de Theologische School te Stellenbosch moeten herstellen en hem weer den invloed op de studenten moeten teruggeven, öf er zal een conflict tusschen Staat en Kerk ontstaan.
Wen voelt, dat hier iets — en wel een zeer belangrijk ding — niet in orde is, waarvan de gevolgen noodlottig kunnen worden.
Heel het proces voor de rechtbank bewijst, dat men op een verkeerd spoor is, door den burgerlijken rechter te laten beslissen over leergeschillen. Want het gaat hier over een der moeilijkste vraagstukken en wel over het Schrift-vraagstuk. En als over de vijf boeken van Mozes en de Pentateuch-kwestie wordt gehandeld, vraagt de rechter verwonderd (zoo zegt het verslag in Die Burger, volgens „De Hera u t") wat die letters J. E. D. en P., welke letters in de stukken telkens genoemd worden, toch beteekenen. Dan weet hij niet, dat de Schriftcritiek daarmee bedoelt te spreken van verschillende bronnen, waaruit de eerste vijf boeken van den Bijbel zouden zijn saamgesteld, n.l. de Jahvist, de Elohist, de Deuteronomist en de Priestercodex. Zelfs weten de rechters niet of Calvijn een tijdgenoot was van Zwingli en moeten daaromtrent nog nader worden ingelicht. Advocaten van beide partijen — de Synode en prof. Du Plessis — moeten daarbij voorlichting geven. Zij komen over en weer met getuigenissen van oudere en nieuwere theologen aandragen en de tafel voor de rechters ligt vol van theologische handboeken ! Het citatenspel is in vollen gang en ook hierbij blijkt weer, hoe een handig advocaat zijn auteur, waarop hij zich beroept, kan laten zeggen wat hij wil. De Hooge Raad, aldus voorgelicht, zal nu uitspraak moeten doen over de vraag, of de wettige Synode der Kerk terecht geoordeeld heeft of niet, dat prof. Du Plessis van de Schrift en de Belijdenis der Kerk afweek.
Oordeelt de Hooge Raad, dat prof. Du Plessis niet van de Belijdenis is afgeweken, dan moet deze in zijn ambt worden hersteld. Of — er zal een pijnlijk conflict ontstaan tusschen Staat en Kerk, dat zeker van zeer ernstige gevolgen zou kunnen zijn.
Neen — dien weg moeten we niet op ! De Staat, de Overheid, moet niet over de Kerk heerschen ; ook inzake de opleiding van de dienaren der Kerk niet.
Ook ten onzent — waar andere verhoudingen heerschen — zullen we ten opzichte van de opleiding van de aanstaande predikanten zeer, zéér moeten toezien, zullen we niet in het moeras komen of dieper in het moeras wegzinken.
Nu beslissen, ten onzent, eigenlijk politieke verhoudingen en politieke machten over de opleiding van onze predikanten zelfs zonder advies van de Kerk !
En dat is oorspronkelijk zoo geworden zooals het nu — in den na-revolutietijd — geregeld is, omdat (zooals het Liberalisme verklaarde) de Kerk niet bevoegd is en niet te vertrouwen is.
Daarom moet de Regeering het doen !....

DE GODLOOZEN-BEWEGING.
In Berlijn is het middelpunt van de Godloozen-beweging, die in Rusland en in Amerika haar hoogtepunt schijnt te hebben, maar door alle landen hare vertakkingen bezit. De leider der Amerikaansche verbonden van Godloozen, Louis geheeten, is uitgenoodigd om naar Moskou over te komen, om daar te beraadslagen over verdere plannen voor een wereld-actie. Een internationale bond is nu opgericht.
Er is te Moskou een atheïstische Universiteit gesticht. Na een cursus van 6 maanden te hebben gevolgd, zyn een honderdtal personen gepromoveerd — aan één werd de doctorstitel verleend. Doctor in de Godloozen-wetenschap !
Allen die afgestudeerd zijn, hebben zich verbonden aan het „antireligieuse front" te strijden.
Men heeft een museum tot „verlossing der vrouw uit de slavernij" in een vroeger nonnen-klooster bij Moskou opgericht. Het doel is, de vrouw uit de banden van de Kerk en van het huisgezin te bevrijden, om des te beter hare diensten te kunnen bewijzen bij den klassenstrijd.
Kerken, beroemde kathedralen, worden verwoest. Er zijn Christenen verbannen naar een eenzaam eiland in de IJszee, waar zij een langzaam naderenden dood in handen moeten vallen.
In Moskou wordt de troon van Satan opgericht.
Gelukkig, dat de Heere ook daar God is en dat Christus, de verhoogde Heiland, Die tusschen de zeven gouden kandelaren wandelt, óok in Rusland zijn Kerk behoedt. Want „de vijand rukt vast aan, met opgestoken vaan", maar Christus is de sterke Held.
De Bolsjewisten hebben altijd gezegd, dat de Kerk een uitvinding van het kapitalisme is. Maar het kapitalisme heeft men gebroken en de Kerk heeft men vervolgd — en toch is de Kerk gelukkig nog gebleven ; al is zij „martelaars-Kerk" geworden.
De Kerk van Christus heeft een anderen wortel en een andere kracht dan het kapitalisme.
Zal de weg, welken de Russische Christenheid, te bewandelen heeft, weldra die zijn van de geheele Christenheid ?
Wij weten het niet. De Heere regeert. Hij regeert over alles. Hij regeert bizonder over Zijn kinderen, over Zijn Kerk. Dat is onze troost.
Maar de donkere wolken pakken zich dreigend samen.
De Heere leere ons waken, bidden, werken, strijden. En Hij geve ons ook — als het moet — genade om te kunnen lijden.
Intusschen ga het gebed op aan al de plaatsen Zijner heerschappij : Uw Koninkrijk kome — verstoor de werken des Satans — en regeer ons door Uw Geest en Woord breng ons saam in eenigheid des waren geloofs !

GEESTELIJKE GEZELSCHAPPEN.
Wij hebben tijdens onze ambtelijke bediening ten opzichte van „gezelschappen" verschillende ervaringen opgedaan. In de eerste gemeente, in de IJsselstreek in Holland, was 't allertreurigst. Met bewegelijk spreken, van wonderlijke bevindingen vol, werd veel bedekt, maar het kon niet verhinderen, dat de vruchten voor het persoonlijk en voor het huiselijk en voor het kerkelijk leven allerdroevigst waren.
In onze tweede gemeente, aan de Lek, lebben we in onze jaren geheel andere ervaringen opgedaan. Onze trouwste vrienden en trouwste kerkgangers kwamen geregeld in „gezelschap" samen en er ging kracht van uit. Uit het geestelijk leven ; roeiden vele, heerlijke vruchten. En het was te ervaren, dat in de onderlinge samenkomsten ook de Kerk werd gedacht.
Niet zelden beroepen menschen, die „gezelschapsmenschen" heeten, zich er op, dat de Heilige Schrift hun vrijheid en aanwijzing geeft, om in „onderlinge samenkomsten" te vergaderen, waarbij men de Kerk, de bediening des Woords en der Sacramenten kan missen — althans zoo goed als missen kan. Zelis de doopsbediening wordt niet gezocht, of heel laat gezocht, of alleen door den vader of alleen door de moeder, terwijl overigens alles wat met de Kerk verband houdt eigenlijk als minderwaardig wordt beschouwd en behandeld.
Dat beroep op Gods Woord, aangaande de onderlinge samenkomsten, dat dan huisgemeenten of gezelschappen moeten geweest zijn, gaat natuurlijk niet op. Want als de Kerk er in haar openbaring van ambt en belijdenis, van dienst des Woords, er gebeden en der Sacramenten er nog niet is, zijn huisgemeenten, onderlinge samenkomsten, gezelschappen een voorecht en een "zegen, zooals nóg wél, kan ervaren worden, als, onder welke omstandigheden ook, de zuivere prediking des woords ergens ontbreekt.
Maar waar de Heere in ons Vaderland van plaats tot plaats Zijn Kerk wil uitplanten, daar mag, indien de dienst des woords en der Sacramenten kerkelijk gezegeld is en de Waarheid Gods verkondigd wordt, niet een „gezelschap" of „onderlinge bijeenkomst" of „huisgemeente" in de plaats van de Kerk geschoven worden.
Want dan gaat men tegen het getuigenis van de Schrift en de Belijdenis der kerk van Christus in. En dat kan nooit tot zegen zijn. Trouwens — er zitten dan gewoonlijk allerlei verkeerde leeringen en verkeerde levensgewoonten achter. Waarbij het zelden om den hoek komt gluren, dat men er gaarne wat bij heeft, buiten en boven het Woord en de Sacramenten. En taande naar dat bizondere — heeft men dan den geordenden dienst des Woords en der Sacramenten geen behoefte en keert men zich af van het kerkelijk leven. Dat is niet goed ; en dat brengt heel dikwijls slechte vruchten voort.

EEN WAAR WOORD.
Op den Oudejaarsdag kwam weer — gelijk het gewoonte, is geworden de laatste acht jaar (1924—'31) — Vota Ecclesistica. Wij lezen die ontboezemingen in verband met de Kerk en het kerkelijk ven, altijd met graagte en met belangstelling. Wie de schrijvers zijn, weten we niet; doet er ook niet toe. Maar dat er dikwyls mooie, ware, ernstige behartigenswaardige dingen gezegd worden, zal men moeten toestemmen.
Nu verscheen no. VIII: Het dubbel heden. Staande in het teeken van de geestelijke crisis en van het komende Koninkrijk Gods. Daarin staan weer mooie dingen! Zoo lazen we een zinsnede, die we er even afschrijven — zonder commentaar:
„Niets is weerzinwekkender dan een mensch of een groep van menschen die, het oordeel aanzeggend aan anderen, het klaar spelen te doen alsof het henzelf niet treffen zou". Om over na te denken. Ook onder ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's