De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HET JAGEN NAAR DE VOLMAAKTHEID. —

16 minuten leestijd

Niet dat ik het alreede gekregen heb of alreede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Philipp. 3 vers 12.

HET JAGEN NAAR DE VOLMAAKTHEID. —
(Vervolg en slot).
Zoo blijft het een jagen en een strijden tot den doodssnik toe. Hoe verschillend is het einde van de menschenkinderen. Ik heb gestaan aan sterfbedden, waar de kranke hoopte op het naderend einde, alleen maar, omdat dan de lichaamspijnen een einde zouden nemen. Alsof niet de zielepijn in de eeuwige rampzaligheid veel verschrikkelijker en ontzettender zou zijn !
Maar ik heb ook eens een kind van God zien sterven. Ook daar was een verlangen naar het einde, maar op de vraag waarom, klonk het antwoord van den stervende, terwijl het gelaat verhelderde : „O, straks zal ik den Heere ongestoord en op volmaakte wijze eeuwig kunnen dienen. O, daar te wezen, waar geen zonde meer zal kunnen scheiding maken. In het aardsche paradijs kon de slang naar binnen sluipen, maar voor eeuwig zal Satan uit den hemel worden uitgesloten".
Dan is de volmaaktheid bereikt, 't doelwit met de hand gegrepen.
Lezers, vindt gij dat geen edele jacht ? Hebt ook gij dat heerlijk doelwit voor oogen ? Vergeet ook gij wat achter is, u strekkende naar hetgeen voor u is, jagend naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.
O, weet dit, dat de wereld voorbij gaat met al hare begeerlijkheid. Wat een jagen, en toch hoe schamel is het bezit! Wat dan, als straks het leven zou uitloopen op een eeuwige mislukking. Al het jagen naar wereld en zingenot laat toch tenslotte het harte ledig. Ontzettend, te gelijken op den rijken dwaas, die bij zichzelven sprak : Ik bouwen. Ach, arme, hij vergat de mogelijkheid dat God tot zijne ziel zoude zeggen : Gij dwaas, dezen nacht zal Ik uwe ziel van u afeischen.
O, kind van God, hoe gevaarlijk om het heilig doelwit uit het oog te verliezen. Ik V/eet het, ook de wereld spant overal hare doelwitten. Wat spant Satan zich in om uwe aandacht toch maar af te wenden van de eeuwige dingen. Wat al gevaren van wereldgelijkvormigheid. 't Kan zelfs wel zóó erg wezen, dat we haast niet meer spreken kunnen van een heilig jagen naar het doelv/it, maar veeleer van een gejaagd worden door de machten van Satan, wereld en eigen vleesch. Dat we moeten spreken van een nederliggen op het kussen der zorgeloosheid.
Dan wordt het wel eens met smart beleden : Ik zal een der dagen nog door Sauls hand omkomen, of met andere woorden : Ik kom nooit bij het doelwit; de prijs zal mij voor eeuwig ontgaan.
Maar lees nu eens het slot van den tekst: waartoe ik ook van Christus gegrepen ben.
Neen, Paulus eischt geen oogenblik voor zichzelf de eer op, dat hij het zou zijn geweest die den Heere Jezus het eerst heeft aangegrepen. Neen, toen hij op den weg naar Damascus zich voortspoedde, van plan om al de Christenen die hij vond, gevangen te nemen en te dooden, had God de Heere zelf gesproken dat goddelijke : tot hiertoe en niet verder. Ach, hij kende Jezus niet. Hij moest zelfs vragen: Wie zijt Gij, Heere ? Indien één, dan zal ook Paulus het hebben moeten belijden, dat hij nooit naar den Heere zou hebben omgezien. O, wat wordt het waar gemaakt wat de Heere zegt door den mond van Jesaja : Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten, en van degenen, die naar Mij niet hebben gevraagd.
Ik ontmoette eens in mijn leven een ouden Christen. Het was een ontmoeting voor het eerst. Toen hij mij van zijn levensweg vertelde, zei hij zoo ineens : „Toen de Heere mij redde, heeft Hij wat gedaan en ik heb ook wat gedaan".
Denkend met een verkapt Remonstrant te doen te hebben, vroeg ik met groote bevreemding : „Wel, vriend, wat hebt gij dan wel gedaan voor uwe zaligheid ? En wat was toen het heerlijk antwoord ? Met de tranen in de oogen kwam toen de ootmoedige belijdenis : „Ik heb mij tegen alle roepstemmen in tegen den Heere verzet. Ik heb tegen Hem gestreden zoolang ik maar kon, maar de Heere is mij te sterk geworden en Hij heeft mij overmocht, zoodat mij niets anders overbleef dan mij als een arm en ellendig zondaar aan Hem gewonnen te geven om gezaligd te worden om niet, uit enkel ontferming".
Ge begrijpt, lezers, hoe ik daar onmiddellijk bij moest vallen.
Wat dunkt u, zal dat niet de ervaring wezen van al Gods kinderen van alle eeuwen ? De Heere zag neder op alle menschenkinderen vanaf Zijnen hoogen hemel om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht, maar ziet er was er niet één. Het is de Heere, die in den nacht van zonde nog heeft laten opgaan het licht Zijner genade. Hij is het, die met eeuwige ontfermingen bewogen is geweest om arme zondaren nog te redden en te zaligen. Hij zoekt uit ongehouden goedheid nog uit de klauwen van Satan te redden. Zoo schoon is het uitgesproken door Jeremia : Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, en daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid.
Neen, in de redding van den zondaar komt Hem alleen de eere toe.
Paulus voelt zich door God gegrepen. Maar die God, die het begin is, is ook het midden en het einde. De Heere laat nooit varen het werk Zijner handen. Wat de Heere grijpt, laat Hij nooit los. De poorten der hel zullen Zijne gemeente niet overweldigen. Hij vergadert zich niet alleen een Kerk, maar Hij beschut en behoedt ze eveneens. O, als de Heere den mensch eens a an, zichzelf overliet, nadat Hij hem zijn schuld en zijn zonden zou hebben kwijtgescholden, wat zou er van hem worden ?
Den avond, volgende op den dag der schuldvergiffenis, zouden bergen van zonde en schuld, met gedachten, woorden en werken, zich weer al tusschen God en de ziel verheffen. Al was slechts aan den zondaar overgelaten het toebrengen van den sluitsteen van het gebouw zijner zaligheid, zoo was het nog voor eeuwig verloren. Maar neen, nog eens, de Heere grijpt, maar zoo, dat Hij nooit loslaat. Maar ook dat maakt juist, dat de arme zondaar naar Christus grijpt en de gebedskoorden vasthoudt om te roepen om Zijne genade en te smeeken om Zijn hulp en bijstand.
En dan zal bij vernieuwing worden ervaren, dat de Heere Zijn kracht in zwakheid volbrengen wil.
Maar nu begrijpt ge ook, waarom het streven van Paulus naar de volmaaktheid maar niet het najagen van een hersenschim is, het zoeken van iets, wat nu toch eenmaal onbereikbaar is.
Neen, ziende op Christus' kracht durft hij blijmoedig voortgaan met het jagen naar het heerlijk doelwit van de heiligmaking. Met de kracht der genade van Christus moet de strijd worden aangebonden tegen alle vijandige machten. Satan, wereld en eigen vleesch moeten ten bloede toe worden bestreden. In Christus worden ze meer dan overwinnaars door Hem, die hen heeft liefgehad.
Zonder door Christus gegrepen te zijn zal de jacht uitloopen op eeuwige mislukking. Wat niet door Hem werd gegrepen, mag voor een tijd lang meeloopen in den kamp voor de eere Gods, het komt toch weer tot een loslaten. Orpa keerde tenslotte onder een vloed van tranen naar het heidensche Moab terug, en beschaamde de verwachtingen, die Naomi ook van haar zoo langen tijd gekoesterd had. Ook Bunyan heeft ze in zijne Christenreize naar de eeuwigheid zoo aangrijpend geteekend, als hij ons laat zien het rampzalig einde van degenen, die niet door de enge poort waren binnen gegaan, maar van elders waren binnen geklommen. Het waren dieven en moordenaars.
Maar ook Gods getuigenis spreekt er van, dat er velen zullen meenen in te gaan, doch niet zullen kunnen. Het komt dus in de eerste plaats aan op het antwoord op de vraag of het begin wel goed was. Zijt gij wel van Christus gegrepen ? Of hebt ge het zelf maar gegrepen, zoodat ge eigenlijk een gestolen Christus in uw ziel omdraagt.
Hoe zal ik dat weten? hoor ik u vragen. Wat te doen, om mij zelf niet te bedriegen voor die ontzaglijke eeuwigheid ? Ik zou zeggen, dat dan het begin moet wezen als bij Paulus. Niet in dien zin, dat ook de uitwendige omstandigheden ook maar in één enkel opzicht dezelfde behoeven te zijn. Neen, ge behoeft ook niet den datum te kennen, noch veel minder de ure (gelijk Johannes) waarin Hij u greep met Zijne almachtige hand. Maar toch zeker wél den tijd of de tijden, waarin God u de schellen van de oogen deed vallen en u ontdekte aan uwe zonden. Werden ze u al ooit tot een last, zoodat uwe ziel werd gedrukt en werd nedergebogen en ge nergens geen rust meer kondet vinden voor het hol van uwen voet ?
Ge zegt er misschien onmiddellijk uw ernstig amen op, in de hoop, om op grond van uwe tranen over uwe zonde en schuld, de liefde tot Gods Naam en Gods dag en Gods volk, het vlieden van de zonde, en wat al niet meer, te worden zalig gesproken met een : Gij zijt er een, die waarlijk door Christus gegrepen is; gij kunt gerust wezen !
Indien ik dat deed, zou ik u op een dwaalspoor brengen door u aan te moedigen om van uwe bevindingen een grond te maken voor de eeuwigheid. Neen, als Christus grijpt, trekt Hij ze naar zichzelf toe, opdat ze in Hem alleen alles mogen vinden, wat ze voor hunne zaligheid noodig hebben voor tijd en eeuwigheid. Daar wordt de kreet der ouden verstaan : Geef mij Jezus of ik sterf.
Die door hem gegrepen is moet leeren de zaligheid niet meer bij de heiligen of bij zichzelf te zoeken, maar bij den Heere Jezus alleen. De zoodanigen moeten leeren sterven aan zichzelf, om in Hem het leven te vinden. Gegrepen door Hem, om nu te leeren loopen in de goddelijke renbaan der heiligmaking, jagen naar 't heerlijke doelwit der volmaaktheid.
Dezulken leven niet naar de geboden Gods om daarin nog eenigen grond te vinden voor de eeuwigheid, maar kon het zijn, door hun handel en wandel, hoe gebrekkig dan ook, te pogen God te verheerlijken. Zonder heiligmaking zal niemand het Koninkrijk Gods zien, zeiden we boven. Is het ook uw lust om alzoo te streven naar heiligmaking ?
O, zondaar, gij, die de zonde blijft dienen, wat zal het einde verschrikkelijk wezen. Straks, misschien onverwacht, zal de dood u stuiten in uw vaart op uw ijdel levenspad. Er is maar ééne schrede tusschen ons en tusschen den dood. Gij zijt nog in het heden van genade, hetwelk elk oogenblik kan worden afgesneden. Thans breidt de Christus Zijne armen van eeuwige ontferming nog uit om ellendigen te redden. Ja, we mogen getuigen dat er bij Hem raad te vinden is voor den ellendigste onder de ellendigen.
Maar ik weet het, ook Satan maakt zijne bedenkingen. Hij tracht u allerlei bezwaren in te fluisteren tegen dit woord van Paulus. Gij zegt wellicht: Ik geloof dat het waar is, dat men van Christus moet worden gegrepen. Die niet door Hem wordt gegrepen, late eenvoudig af om te jagen naar het einddoel van de geestelijke renbaan. Of mag ik het nog eens anders zeggen : „Als ik niet uitverkoren ben, dan baat het mij toch niets. Het is immers niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods".
We beginnen met te erkennen, dat er een schijnbare' tegenspraak in de woorden van onzen tekst voor het grijpen is. Aan de ééne zijde wordt ons hier geteekend een menschenkind, die jaagt om den kampprijs te grijpen. Met andere woorden, „het is een werken van zijne zaligheid met vreeze en beving".
Maar aan de andere zijde wordt 't weer voorgesteld als een gegrepen worden, dus als iets, waarbij men eigenlijk geheel lijdelijk is. „Want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen".
Op de eene plaats heet het: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, maar op een andere plaats lezen we weer : De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel.
Ik erken, dat ge deze beide uitspraken voor uw denken nooit met elkander rijmen kunt. Als God zegt, dat de mensch zich moet bekeeren, is dit een prikkel van Zijnentwege om het zedelijk besef in ons op te wekken. Maar als we lezen, dat de Heere den zondaar bekeert door Zijne heilige wet, laat ons de Schrift de redding van den zondaar zien vanuit het eeuwigheidslicht. Het kenmerk van ons innerlijk leven is het verantwoordelijkheidsgevoel. Dat verantwoordelijkheidsgevoel spreekt in onze consciëntie. Maar bedenk nu toch wel lezers, dat geen onzer het recht heeft om naar den maatstaf van de wetten, die op het terrein des zedelijken levens heerschen, ook het doen en laten van den almachtigen Schepper af te meten. Of wilt ge het eenvoudiger uitgedrukt: de geopenbaarde dingen zijn voor de menschen, maar de verborgene voor den Heere onzen God.
Met den geopenbaarden wil Gods hebt ge te rekenen. En die geopenbaarde wil Gods zegt, dat de zondaar zich tot Hem zal bekeeren. Wie ernst maakt met dezen goddelijken eisch, komt wel tot de droeve ervaring dat de mensch zich evenmin kan bekeeren als een luipaard zijne vlekken en een Moorman zijn huid veranderen kan. Maar het laat hem geen rust, maar brengt hem door de werking des Heiligen Geestes op de knieën om met Efraïm te bidden : Heere, bekeer Gij mij, dan zal ik bekeerd zijn.
Ik hoor iemand weer de tegenwerping maken, dat hij onbekwaam is tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, en dus ook onbekwaam om te bidden.
Ik zou u, die zoo spreekt, wel een wedervraag willen doen: Weet gij dit bij eigen ervaring, of spreekt ge dit na, omdat anderen het u hebben voorgezegd. O, indien gij het slechts van hooren zeggen hebt, o vraag dan toch den Heere, dat Hij de schellen van uwe oogen doe afvallen om u van uwe blindheid te genezen.
Tusschen wieg en graf zal het toch moeten worden gekend en geleerd. Wie God hier aan deze zijde des grafs niet als Rechter leerde ontmoeten, zal Hem straks als verschrikkelijk Rechter ontmoeten en vreezen.
De roepstemmen zijn vele ! Dagelijks daalt de klopper des Geestes neder op de deur van uw hart. O, dat het ten geenen dage tegen u getuige.
De Rechter noodigt zelf u uit om met Hem te richten. Hij zegt, dat Hij uwe zonden witter dan sneeuw en reine wol kan maken, al waren ze rood als scharlaken of karmozijn.
Er is nooit iemand te slecht om door Hem te worden gered en gezaligd.
Wèl u, die het strijdperk zijt binnen getreden. Die het doelwit in de geestelijke renbaan voor oogen gekregen, , en daarom moet de blindgeborene getuigen. Eén ding weet ik, dat ik blind was, maar nu ziende ben.
De Heere weet van uw zitten en van uw opstaan. Hij hoort de klachten van geestelijke wedloopers langs de stege banen ; ach, hoe ver nog.
Hij hoort de klacht over de macht der inwonende zonde. Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods.
O, bekommerde wedloopers in het strijdperk van dit leven, hoe verder ge komt op den levensweg, hoe onmogelijker aan uwe zijde om het doelwit aan het eind van de levensbaan nog te kunnen bereiken. Uw schuld wordt elken dag niet kleiner, maar grooter. Laat er nochtans geen vertragen wezen. Immers Gods Woord zegt ons, dat wie volharden zal tot het einde toe, zalig zal worden.
De Heere heeft het den wedloopers naar het heilige doelwit der volmaaktheid niet laten ontbreken aan bemoedigingen op den smallen weg. Spreekt de Heere de bedrukten en de door onweder voortgedrevener niet vertroostend toe ? Heeft Hij niet gezegd : die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen ? Nooit werd er iemand door Hem afgewezen.
Ja toch, rijken worden ledig weggezonden, zoo lezen we, maar toch ook, dat armen door Hem met goederen worden vervuld. Nooit klopte een arme bedelaar tevergeefs aan de genadepoort van Koning Jezus.
Slechts één ding is noodig. Men moet alles verliezen. We moeten in figuurlijken zin met Jona over boord, om door Christus te worden gered. Als het aan onze zijde wordt afgesneden, als we geen enkele gerechtigheid meer over houden, die voor God kan bestaan, pas dan is er plaats voor de gerechtigheid van Koning Jezus, die gansch naakten bedekt.
Ik denk nog eens aan de Grieksche renbaan. Wie daar neervalt, heeft het stellig verloren ; anderen streven hem gewis voorbij. De prijs moet hem stellig ontgaan. Maar wie in de geestelijke renbaan op de knieën leert wegzinken-om met den tollenaar te roepen : o God, wees mij zondaar genadig, zal ervaren de waarheid van het woord van den dichter :
Wie Hem nederig valt te voet. Zal van Hem Zijn wegen leeren.
Wie in eigen kracht geen enkele schrede meer verder kan zetten op den weg naar het einddoel, zal ervaren dat er een groote Helper is, die gezegd heeft: Ik zal u dragen, en Ik zal u redden.
Die door het geloof dien Christus leerde omhelzen, kan ook met Paulus getuigen, al was het maar stamelend : „Waartoe ik ook van Christus gegrepen ben".
En Christus laat nooit varen het werk Zijner handen.
In u zelf zwart gelijk de tenten Kedars, maar in Hem liefelijk als de gordijnen van Salomo.
In u zelf zwart van zonde, maar door het geloof volmaakt in Hem.
O, kinderen des Heeren, de Heere is elken dag bezig om uw zielsoogen maar te richten naar dat heerlijk einddoel der volmaaktheid. Hij doet het vaak in wegen, die smartvol zijn voor uw vleesch. Maar als Hij met de nooden en de zorgen komt, weet dit, dat Hij het nooit doet uit lust tot plagen, maar juist daartoe, opdat ge de nooden en de zorgen in Zijne hand zoudt stellen.
Neen, hier beneden is het land der ruste niet. Ge zijt hier slechts een pelgrim, bezocht met moeite en verdriet, opdat ge hier de pinnen uwer levenstent niet te vast zoudt slaan in deze woestijn, maar een heimwee zoudt hebben naar dat eeuwig thuis om daar uw Koning in volmaaktheid te dienen.
Zalig zijn ze die heimwee hebben, want ze zullen thuis komen, sprak eens een Christen. Maar vergeet uw schoone taak en roeping ook hier beneden niet. .Of roept de Heere Zijn kinderen in het strijdperk van dit leven niet gedurig toe, dat ze leesbare brieven zullen zijn van den Heere Jezus Christus, van Hem, die hen trok uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Weest elkander tot een hand en een voet op den weg, als die het elkander toeroept:
Komt, ga met ons en doe als wij, Jeruzalem, dat ik bemin. Wij treden uwe poorten in. Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
O, pelgrims, een heerlijke prijs ligt op u te wachten. Heerlijk is het eind van de reis. Aan de poorte des doods zal het lichaam der zonde voor altoos worden afgelegd. Daar zal de oude mensch voor eeuwig sterven, opdat de nieuwe mensch op volmaakte wijze eeuwig God zal kunnen dienen. De dichter mocht er van zingen :
De lieflijkheên van 't zalig hemelleven. Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.

Ermelo

Timmer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's