JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
25) Wat nooit gebeurde — daar sneed hij een bloeiende plant bij den grond af, zoodat het loof slap neerviel, 't Zelfde oogenblik wierp hij ook den schoffel in de voren en ging zitten, de hand onder het hoofd, waarop de zweetdroppels parelden.
Hij hoopte niet, dat hij er kwaad aan deed, maar waarom stond hij daar aan den schoffel voor een karig dagloon, terwijl de Jonker in een kostbaar rijtuig reed ?
En toen hij daar eenmaal was gingen zijn gedachten van zelf verder. Hij overzag dien akker, die zulk een rijken oogst beloofde, waarvan de opbrengst natuurlijk kwam in de beurs van zijn boer ; waarom ontving hij zulk een gering deel daarvan voor al den arbeid dien hij verrichtte en de eigenaar, die anders niet deed dan besturen en toezien, verder alles ? Hij had toch dien akker geploegd en geëgd ; hij had gepoot en gezaaid ; hij was nu bezig met wieden, straks zou hij moeten rooien met het andere dienstpersoneel en hij had dat alles gedaan, ijverig en getrouw, onder regen en zonneschijn, bij koude en hitte ; wat was nu voor dat alles zijn loon ? Waarom moet zijn vrouw woekeren met eiken cent; terwijl de rijke menschen met de guldens en rijksdaalders omspringen of het speelgoed is?
Het volgende oogenblik evenwel schrok hij van zichzelven. Alsof hij een misdaad begaan had zoo was hij opgesprongen, om met verdubbelden ijver te gaan werken en al die onstuimige gedachten uit zijn hoofd te krijgen. Zei de Schrift niet, dat men zich heeft te vergenoegen met het tegenwoordige en niet naar hooge dingen mag staan ? Was hij niet op weg om God aan te klagen, dat Hij het niet goed deed in strijd met wat ook hij laatst in de kerk gezongen heeft:
Laat Hem besturen, waken! 't Is wijsheid, wat Hij doet. Zóó zal Hij alles maken, Dat g' u verwond'ren moet. Als Hij, die alle macht heeft, Met wonderbaar beleid. Geheel het werk volbracht heeft. Waarom gij thans nog schreit.
Nu evenwel zijn vrouw in haar armoedig bestaan toont zoo tevreden te zijn, ja, zich zelfs nog gelukkiger gevoelt dan een vorstin in haar paleis, omdat die zoo vaak omringd is van allerlei gevaren, en zij zich hier in haar huisje zoo veilig weet, komen opnieuw die gedachten boven. Weer ziet hij dat steigerend paard en dat kostbaar gareel ; dien fijnen Jonker met die blanke handen, welke zulk een tegenstelling maken met de zijnen, en weer komt hem dat vervelende, dat verontrustende, dat ongelukkige „waarom ? " voor den geest.
„Waar zit je over te piekeren, man ? " vraagt zijn vrouw, die wel merkt dat er iets hapert.
„Och, niks", is het korte antwoord. „Mag ik het niet weten ? "
„'k Dacht aan een geval van dezen middag ; de Jonker zou met zijn rijtuig een ongeluk krijgen, en toen heb ik het paard in de teugels gegrepen".
„Och kom, en toen ? " „Toen ben ik natuurlijk weer aan mijn werk gegaan".
„Zei de Jonker dan niets ? "
„Ja, ik geloof het wel, maar ik heb er niet naar geluisterd ; wat had ik er aan". Vrouw Mollema ziet haar man met een verwonderden blik aan ; zij begrijpt hem niet. Hij is nooit zoo achterhoudend en dat er dus iets anders moet zijn, waarover hij zit te mijmeren, is voor haar duidelijk; daarvoor kent zij hem te goed.
„Zal ik nog 'n kopje thee klaar maken ? " „Nee, 't kost maar geld ; wij, arme stakkers, moeten toch alles ontberen".
Bij het hooren van deze woorden springen vrouw Mollema de tranen in de oogen. Welk een geest bezielt toch haar man ? Zij is niet gewoon zulk een taal van hem te hooren. Zeker, zij zijn arm, maar hij doet toch altijd met lust zijn werk, evenals zij, en samen dragen zij tot hiertoe den last, dien het leven hun oplegt. Hoe komt hij er toe om nu op eenmaal zoo moedeloos te worden en daar te zitten als iemand, die beroofd is van alle veerkracht en lust ?
Voorzichtig haalt zij het saaien kleed over de wieg, nu zij ziet dat de kleine slaapt, en ruimt in alle stilte de tafel op. De gemoedsrust is echter verstoord. Daar is iets niet in orde. Zoolang zij samen het kruis dragen, kan zij het hoofd boven water houden, al is zij 's morgens bij het ontwaken nog meer vermoeid dan 's avonds, wanneer de eenvoudige legerstede wordt opgezocht. Zij vindt haar genot in haar huis, bovenal in haar kinderen, die de lust harer oogen zijn, maar nu zij haar man daar zoo hopeloos ziet zitten, wordt 't haar ook te machtig. Zij kan het niet helpen dat een zware snik aan haar keel ontwringt, die klinkt als een rauwe kreet, waarin zij al haar leed uitkrijt.
Dit maakt den toestand evenwel niet beter. Integendeel, 't is immers mede het gezicht op het harde leven zijner vrouw, wat Mollema in opstand brengt. Hij weet, hoe zij van den morgen tot den avond te I tobben heeft, om zooveel monden open houden en daarbij alles zindelijk en ki te doen zijn. Hoe gaarne zou hij haar verlichten door meer geld in te brengen, t wat hulp voor den huisarbeid of voor naaiwerk te geven, maar meer verdienen kan hij niet, en Jap, die zulk een steun voor moeder kon zijn, moest er ; omdat hij haar den kost niet geven kon omdat zij te duur werd in huis ! Waar moeten zijn kinderen in dienst van anderen, terwijl zij thuis zoo onmisbaar zijn. Een donkere wolk hangt over zijn voorhoofd. Onverschillig schuift hij de pijp op de tafel en zegt dan :
„'t Is hier werken en nog eens werken van den morgen tot den avond, tot je er bij neervalt, en dan word je eenvoudig aan kant gezet om zelf maar te zien hoe je aan je eind komt. Anderen laten zich dienen ; wij kunnen den last dragen tot onzen dood toe en onzen kinderen wacht straks hetzelfde lot".
(Wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's