De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever  J. H. Kok te Kampen
J. H. Kok te Kampen
Met dat laatste woord heeft hij vooral een gevoelige snaar getroffen. Och, dat zij zelf het zwaar heeft, is vrouw Mollema wel gewoon. Zij heeft van der jeugd af aan nooit anders geweten, dan dat de mensch voor werken geboren is, daarom draagt en duldt zij alles zonder ooit te klagen, veel minder te morren, maar dat haar kinderen nu straks datzelfde paadje langs moeten, niettegenstaande hun aanleg om iets te worden, waardoor zij voor de toekomst beter gewaarborgd zouden zijn, dat doet haar o zoo'n pijn. Is het niet zooals zij straks zong, dat een moeder voor haar kind door vuur en water vliegt ? Juist daarom zoekt zij voor hen allen het goede.
Daar ligt dat kleine schaap, haar laatste naar zij hoopt, nog onbewust van 's levens zorg in de wieg te sluimeren, zoo rustig alsof het een koningskind ware, en die kinderen zijn eveneens zonder zich om den dag van morgen te bekommeren, de rust ingegaan of spelen daarbuiten nog hun onschuldig spel. Doch zullen nu al die kinderen moeten worden groot gebracht voor een even harden kamp om het bestaan, als zij met haar man nu reeds sinds jaren getreden heeft ?
Doch op hetzelfde oogenblik komt haar ook nog iets anders in de gedachten. Is dan het getal der zegeningen, welke haar in haar huis ten deel vielen, nog niet oneindig grooter dan de ontberingen die zij zich hadden te getroosten ? Zit het geluk in de vrede dan in den overvloed ? Heeft zij tot hiertoe ook niet elken morgen weer nieuwe kracht voor de nieuwe dagtaak gekregen ? Bovenal, staat zij niet op het punt om de ongerijmde dingen toe te schrijven en, als een die het beter weet, Hem de teugels uit handen te nemen ? En dat, waar zij zoo menigmaal houvast heeft gehad aan de rijke beloften, welke de hemelsche Vader Zijn kinderen gegeven heeft ook ten opzichte van het tegenwoordige leven, die immers ook voor haar in Christus alle ja en amen zijn!
Zij kijkt haar man eens aan, die nog altijd als iemand die alle veerkracht mist, ; bij wien het leven schier ondragelijk werd, ! daar neerzit. Hoe zal zij hem van zijn kwaal genezen ?
„Hoe kwam het, dat de Jonker een ongeluk had ? " vraagt zij. — „Het paard schrok en liep toen achteruit, regelrecht 't water in". — „Had hij het niet goed in den teugel ? " — „Jawel, maar als een paard het verkeerd begrepen heeft, is er een mensch die het houdt". — „Een Jonker toch wel ? " — „'t Mocht wat, denk je dat een paard als het wild wordt er wat om geeft in wiens hand de leidsel rust ? Nee hoor, of dit dan een boerenarbeider is of en adellijk heer, is dat precies eender". — Hé, aardig", zegt zij, terwijl zij hem met en ondeugend lachje aankijkt.
Nu wordt hij opmerkzaam. Waar wil zijn vrouw heen ? Even ziet hij haar aan, de tranen zijn al weer weg ; iets als een blijde zonneschijn ligt over haar gelaat.
„'k Dacht, dat zulke menschen als de jonker nooit iets in het leven hadden, dat hun onaangenaam was". — „Nou ja, vanzelf, zulke dingen kunnen elk overkomen". „Welke dingen ? " — „Ongelukken bijvoorbeeld". — „Wat zal je blij geweest zijn, dat je erger konden voorkomen". — „Hoe zoo ? " — „'t Is toch heerlijk een ander te kunnen helpen". — „Als 't maar gewaardeerd wordt". — „Deden je het daarom ? " „Dat zeg ik niet". — „In elk geval waren jou op dat oogenblik de meerdere". — „Hoe bedoel je ? " — „Als jou er eens niet geweest waren, wat dan ? " — „Dan was de heele zaak in het water geraakt". — „Nou, dan waren jou er toch beter aan toe". — O, eventjes, maar dadelijk daarna was 't weer anders". — „Toen was de Jonker weer de gelukkige man, die wegreed, wil je zeg­gen, en jou de ongelukkige arbeider, die werken moest". Hier zwijgt Douwe, maar zijn vrouw merkt dat zij vordert en weer begint zij : „Jap is van middag ook even thuis geweest". — „Hé, op Woensdag, hoe kwam dat ? " — „Och, 'n paar boodschappen voor de vrouw". — „Anders niet ? " — „Hoe zoo ? " — „Wel, omdat we het niet gewoon zijn in de week ; 't gaat toch niet om dien nieuw-bakken knecht van den smid ? " —
„Dat heeft zij niet gezegd ; dacht je ? " — „'k Weet het niet, maar liefde zoekt list. Je hebt zelf vroeger zoo vaak een straatje voor mij omgeloopen". — „Dat dacht je maar. Als 't echter zoo eens was met Jap, zou het dan slecht zijn ? " — „'k Sta dien vent niet. Hij spreekt mij te veel van groote dingen en is 's Zondags zoo'n heer". — „Maar als hij nu eens een flink vakman is ? " — „'k Weet het niet; 't moet ook wat bij elkaar passen". — „Kijk nou, en zoo juist wilden je zelf uit onze omgeving weg ? " — „Ikke ? " — „Ja, omdat wij het hier
zoo slecht hebben".
Douwe krabt zich achter 't oor en haalt de pijp weer aan. Hij heeft den eersten slag verloren. Als gewoonlijk is zijn vrouw hem de baas en hij voelt, dat hij er nog niet is ; daar komt vast nog meer.
„Had Jap niks bijzonders ? " vraagt hij, om een wending aan het gesprek te geven. „Zij was ook naar Klaas koopman geweest, om een zaakje met hem te vereffenen". — „Wat dan ? " — „Ze hebben Maandag ruzie gehad en toen heeft Jap in drift iets gedaan waar zij spijt van heeft". — „Hoe zoo ? " — „Klaas had haar iets onaangenaams gezegd en toen heeft zij hem een emmer water nagegooid, waardoor hij meer nat dan droog is thuis gekomen". — „Jonge, jonge, dan hadden Klaas Lolkes en Jouke en die andere kornuiten het daar over. Ik hoorde wel wat toen ik hen gisteravond voorbij ging, ze lachten zoo smakelijk toen zij mij zagen en hadden 't over een koud bad, maar ik wist niet wat het inhield. En wat toen ? " — „Toen heeft de boer met haar gesproken, waarop ze spijt gekregen heeft en geen rust had voor het weer in orde was". — , - , Dat was een zware gang". — „Ja, nog zwaarder dan een steigerend paard in den teugel grijpen, is 't niet ? " —• „'t Was anders aan den rechte besteed", zegt Douwe, die op de laatste vraag liefst geen antwoord geeft, „en hoe is dat afgeloopen ? " — Hij was vreeselijk kwaad en heeft haar voor de toonbank laten staan, maar zij heeft rond en eerlijk gezegd dat het haar zoo speet hem aldus te hebben behandeld en gaarne de schade, die hij mocht hebben beloopen, wilde vergoeden. Toen heeft hij haar evenwel met smaad overladen, zoodat zij stil is heengegaan, zonder iets meer te zeggen".

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's