STAAT EN MAATSCHAPPIJ
REVOLUTIONAIR GEWELD,.
De geweldige wereldcrisis, die in hare gevolgen het economisch leven ontwricht, de werkloosheid op onrustbarende wijze doet toenemen en de volken naar den financiëelen afgrond voert, biedt bovendien aan communisten en socialisten gunstige voorwaarden voor de - ontwikkeling van hunne revolutionaire actie.
De relletjes, die eenige weken geleden te Amsterdam en te Rotterdam plaats hadden en de moeilijkheden, die zich nog de vorige week bij de werkverschaffingen in Friesland en Groningen voordeden, wijzen ei op, dat de revolutionairen probeeren om hun slag te slaan.
In woord en geschrift wordt het luide verkondigd, dat in dezen tijd, waarin het revolutionaire sentiment bij het volk groeiende is, het houden van redevoeringen in vergaderlokalen en zelfs in het parlement geen zin meer hoeft en ook geen voldoend effect meer sorteert, het proletariaat moet opgewekt worden den strijd met andere meer doelmatige middelen voort te zetten. Er moet gestuurd worden in de richting van het houden van demonstraties, agitaties, massa-werkstakingen en dergelijke revolutionaire machtsvertooningen meer.
Het volk moet de straat op.
Zoo willen het de communisten en in die richting werden ook stemmen vernomen op het demonstratieve congres der Sociaal-Democraten, dat in November van het vorige jaar te Rotterdam gehouden werd.
In de Staten-Generaal moet niet meer worden gedebatteerd maar obstructie worden gevoerd.
De klassenstrijd moet met de scherpste wapenen worden gestreden.
Nu verdient intusschen alle aandacht het feit, dat in den laatsten tijd de inzichten van de voormannen der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij ten opzichte van de houding, welke hunnee geestverwanten tegenover wet en gezag hebben aan te nemen, schijnt te zijn gewijzigd.
Wij schrijven met opzet „schijnt", omdat het bedoelen van de voormannen der Sociaal-Democraten niet altijd even duidelijk is en in hun optreden vaak tegenstrijdigheden zijn te constateeren.
Wat valt nu op te merken ten aanzien van de houding van de leiders der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij ? Het is dit, dat mannen als b.v. de h.h. Albarda, Vliegen, Oudegeest en anderen, die gewoon zijn bij hunne geestverwanten 't vuurtje der revolutie aan te blazen, het volk tot verzet tegen de gestelde machten te prikkelen, de geesten door 't uitstrooien van haat en nijd te vergiftigen, thans nu op den gezaaiden Vind, de storm gaat tomen, huiveren en terugschrikken voor hetgeen staat te gebeuren. Zij manen op dit oogenblik de partij genooten tot voorzichtigheid, tot groote voorzichtigheid aan. Er behooren, zoo zeggen zij, geen onberaden stappen te worden gedaan. Men heeft zich rekenschap te geven van hetgeen de gevolgen kunnen zijn van het organiseeren van voor het beoogde doel nuttelooze straatbetoogingen, die alleen maar communisten en syndicalisten gelegenheid geven tot het verwekken van relletjes en opstootjes en die het schuim in de groote steden in staat stellen om op hunne wijze op te treden.
Vanwaar deze ommezwaai van de Sociaal-Democratische leiders ?
Het antwoord op deze vraag geeft het Socialistisch Eerste Kamerlid de heer Henri Polak in de „Volkskrant".
In dit weekblad staat te lezen :
„Tegen onrustige betoogingen en revolutionaire acties beschikt de Regeering over de noodige machtsmiddelen, politie, rijksveldwacht, militaire politie, marechaussee, burgerwacht en bijzondere vrijwillige landstorm."
Zou bij het grijpen naar de macht door de Sociaal-Democraten, de regeering nu van de haar ten dienste staande machtsmiddelen gebruik maken, dan vreezen de leiders der Sociaal-Democraten, dat in dat geval ook de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij het onderspit zou delven, met het si tie belangryk zou zien verzwakken. Daarom dient voorzichtigheid, groote voorzichtigheid in acht te worden genomen.
In dat licht bezien, is dan ook te begrijpen het initiatief-voorstel der Sociaal-Democratische Kamerfractie, dat gepasseerden Zaterdag bij de Tweede Kamer werd ingediend, welk voorstel van wet bedoelt om de regeering de bevoegdheid te ontnemen om den Bijzonderen Vrijwilligen Landstorm, het instituut, dat thans 70.000 vrijwilligers sterk is, op te roepen en de oproeping te binden aan een besluit van de Staten-Generaal.
Mocht het daartoe komen, dan zou de baan voor de revolutionairen vrij komen.
De Tweede Kamer zal zich wel tweemaal bedenken alvorens zij aan de Sociaal Democraten hand-en spandiensten verleent.
Het is intusschen geruststellend, dat de leiders der Sociaal Democratische Arbeiders Partij onder de gegeven omstandigheden hun partij genooten tot groote voorzichtigheid aanmanen.
Of deze aanmaning de algemeene instemming zal hebben, valt echter te betwijfelen, omdat het juist tengevolge van het advies van de voormannen der partij tegenwoordig bij de Socialisten rommelt en kraakt.
De scheuring in de partij is er al reeds. Onder toejuiching van duizenden, hebben drie vooraanstaande Sociaal Democraten zich reeds van de tegenleiding verzekerd.
Van welke mentaliteit deze links-Socialisten zijn, blijkt uit de redevoering, welke een hunner met Kerstmis te Leiden hield, en waarin het onomwonden werd uitgesproken, „dat Sovjet-Rusland een der machtigste bondgenooten is van de arbeidersklasse".
Zoo groeit het revolutionair sentiment in ons volk.
Er is opstand tegen het wettig gezag.
Men zoekt naar omverwerping van de maatschappelijke orde.
Elk oogenblik kan het land in de grootste moeilijkheden worden gewikkeld.
De revolutionairen, die op deze dingen prat gaan, deinzen voor den burgerkrijg niet terug.
Doch in deze donkere en duistere dagen weten wij ook, dat God regeert en dat Zijn raad zal bestaan.
Dat wij daarin den vrede en de rust voor onze ziel mochten leeren vinden.
Hij is getrouw, Die het ook doen zal.
DE NOOD DER TIJDEN.
Wat ons te wachten staat in de toekomst is niet te zeggen; maar dat er zich donkere wolken samenpakken over het cultuurleven der volkeren, staat vast. We zien ontzaglijk veel wegzinken, wat hecht en sterk scheen. Het is alsof God blaast in al de plannen der menschen. We bouwden aan den toren van Babel, en ziet, de Heere komt de spraak te verwarren. Vanaf 1918 zit men bij elkaar te confereeren te Geneve en Lausanne ; honderden protocollen zijn volgeschreven en met dat al is er geen enkel besluit genomen wat ook maar eenigszins daadwerkelijk heeft geholpen.
Zoo droevig als het er economisch thans uitziet, was het nog nimmer. De oordeelen Gods gaan als 'n geesel ook over ons land. Velen, ook van onze menschen, werden door de crisis getroffen. Wie zou er ook aan kunnen ontkomen ? Er waren menschen, die ons schrijven moesten dat ze vanwege de malaise niet langer het abonnementsgeld van de Waarheidsvriend konden opbrengen. Het trof ons ten zeerste.
Het is nu maar de groote vraag, hoe we ons onder dat alles gedragen zullen. Zullen we eenswillens zijn met den weg Gods ? Misschien is het nooit zoo goed gevoeld als thans, wat het zeggen wil, dat Job, den naam des Heeren zijns Gods heeft geloofd ondanks alle verliezen. Het was enkel genade dit te kunnen doen.
O, welk een rijke genade, die Habakuk deed getuigen, dat hij nochtans van vreugde zou opspringen in den God zijns heils, al zou er geen rund meer op den stal wezen.
Er ligt gevaar ook voor onze menschen, om zich te scharen in de rij der ontevredenen en mee te zingen in het koor van hen, die aan een bepaalde klasse de schuld willen geven
van al deze wereldellende.
Zal het dien weg opgaan ?
Verhoede dat de Heere !
Schrikkelijke tijden staan te wachten in de toekomst, als we „Gods Woord gelooven. De oorlogen, geruchten van oorlogen, hongersnooden en pestilentiën zouden immers nog maar een beginsel der smarten wezen. O, wat moet er van de volkeren worden, als de Heere hen zou loslaten en hen zou overgeven aan de zelfverdwazing.
Maar daartegenover staat bij den profeet Jesaja geschreven, dat de inwoners der aarde gerechtigheid zullen leeren als God de gerichten over hen brengen zal.
Zullen allen nog gerechtigheid leeren!
Met onze cultuurzonden, maar bovenal met onze persoonlijke zonden op de knieën, om ze nog aan den Heere te belijden !
ls Gods gemeente ziet op haar afval en wereldgelijkvormigheid, moet het dan niet worden uitgeroepen, dat God geen onrecht doen zou, indien Hij met zijn oordeelen doortrok ?
O, als we dan zien op datgene wat de Heere ons nog schonk en ons overliet, en op de nog grootere ellende in naburige landen, moet dan niet worden beleden dat God ons nog niet naar onze zonden heeft gestraft, noch heeft vergolden naar onze ongerechtigheden ?
Wederkeer naar het Kruis van Golgotha blijft voor de volkeren, maar ook voor elk menschenkind het eenigst redmiddel.
Die zich in Christus geborgen mag weten kan ook bij tijden gerust zijn :
In de grootste smarten. Blijven onze harten In den Heere gerust. Ik zal Hem nooit vergeten ; Hem mijn Helper heeten, Al mijn hoop en lust.
Wat is die wetenschap vertroostend, dat Hij regeert. Alle dingen moeten medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar zijn voornemen geroepen zijn. Door de branding van dit wereldleven naar het Godsrijk met zijn nieuwen hemel en zijn nieuwe aarde, waarin gerechtigheid wo nen zal.
CALVIJN OF BRUNNER ?
Het is merkwaardig, dat in de gereformeerde kringen Barth en Brunner zulk een opgang maken. Er zijn er, die veel in Barth's en Brunner's werken lezen, doch maar zelden in de Institutie van Calvijn.
Wij achten dit verschijnsel bedenkelijk. Hoe een gereformeerd man zoo met Barth kan dwepen, is mij niet duidelijk. Zeker, bij de bestudeering van Barth's werk over den brief aan de Romeinen en de lezingen van Brunner, wordt men getroffen door schoone dingen, die daar worden uitgesproken.
Maar ik zou zeggen, dat er ons betrekkelijk weinig nieuws wordt gegeven.
Dat hier over openbaring en theologie des Woords dingen worden gezegd, die in ethische kringen met verbazing worden beluisterd, behoeft ons niet te verwonderen. Men is in ethische kringen zoó in subjectieve wateren verzeild geraakt, dat het woord van Barth en Brunner voor sommigen hunner gelijk een donderslag bij helderen hemel is.
Maar een kenner van de leer onzer Vaderen verwondert zich over de uitspraken van deze mannen veel minder. Er moge blijdschap wezen, dat er weer mannen komen die van een theologie des Woords durven spreken in kringen, waar men dat niet gewoon was te hooren, en mogen we al de ontwikkeling van deze dialectische theologie verder met de grootste belangstelling blijven gadeslaan, Barth noch Brunner kunnen onze leidslieden zijn.
We hebben Barth en Brunner niet noodig. Het wordt trouwens door de vereerders dezer theologen uitgesproken, dat men hoopt, dat ze hoe langer hoe meer naar rechts zullen komen.
En daar mankeert nog heel wat aan. Als Brunner in een van zijne lezingen zegt, dat — ik citeer uit de herinnering — dat het hem van weinig beteekenis is of sommige verhalen uit het evangelie van Johannes tot het rijk van de mythen of legenden blijken te behooren, dan voel ik me huiverig als deze geleerde zijn historische critiek op Gods Woord gaat toepassen. Allesbehalve reformatorisch.
En wanneer wij de uitwerking van de beginselen van Calvijn, blijkt er nog heel wat aan te mankeeren om hem gereformeerd te kunnen noemen.
Waarom kiezen we dan maar niet liever den grooten rijk begenadigden denker van Geneve boven het homoeopatisch verdunde wat nieuwdenkers ons bieden ?
En daarom, laat ons dicht blijven bij de bron. Is het voor ethischen nuttig naar Brunner te luisteren, voor ons, gereformeerden, is het misschien gevaarlijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's