MEDITATIE
EEN RAD IN HET MIDDEN VAN EEN RAD.
daartoe was hunne gedaante en hun maaksel, alsof het ware een rad in 't midden van een rad.
EN RAD IN HET MIDDEN VAN EEN RAD.
Ezechiël 1 vers 16b. In het wondere visioen van Ezechiël, waaruit deze tekst is, zijn de raderen het benedenste deel. Daarmede raakt de „troonwagen" van Gods heerlijkheid de aarde. En nu zal dit wel de eenvoudigste verklaring zijn, dat in die wentelende raderen ons geteekend is de drijving en stuwing Gods in de dingen van ons eigen leven en van het wereldleven. Wij hebben nog altijd de beeldspraak van „het raderwerk" des levens, „het raderwerk" van de wereldhistorie.
Dat is geen mechanisch verloopend geheel. God werkt het. Hij heeft het geschapen. Hij heeft het gesteld, en Hij ook is degene Die het van oogenblik tot oogenblik werking houdt. Zijn Geest is de innerlijk - werkende kracht, die de wenteling en de wisseling werkt en onderhoudt en heengluurt naar het van eeuwigheid door Hem gestelde doel.
De wenteling van ons lot en leven, de ontwikkeling van onze geschiedenis en die der menschheid, gaat naar een regelmaat van wondere wijsheid en heerlijkheid. De raderen van den „troonwagen" zijn gesteld aan de voeten der Cherubim. In onze Statenvertaling lezen we niet het woord Cherubim. Daar vinden we 't woord „dieren". Maar met die „wezens" — zoo kunnen we beter en letterlijk vertalen — worden engelen. Cherubim, bedoeld. Tusschen het raderwerk dezer wereld en Gods troon zijn die engelen gesteld. Zij bemiddelen de Geestesdrijving Gods. Gods wil en levenskracht openbaart zich in het wereldleven door de hand der engelen. Zoo leert de Schrift het ons meermalen. Hij maakt Zijn Engelen geesten. Zijn dienaars tot een vlammend vuur. En Gods kinderen kennen die waarheid nog verder. Engelen zijn immers gedienstige geesten, tot dienst uitgezonden dergenen, die de zaligheid beërven zullen.
In wat in ons leven plaats grijpt, in heel onze levensontplooiing is niet het mechanisch proces. Alles gaat naar den wijzen en heiligen wil Gods, die wordt verwerkelijkt door de drijving des Geestes, die bemiddeld wordt door de Engelenwereld, welke vervult de ruimte tusschen hemel en aarde.
Daarvan doen Gods kinderen belijdenis, als ze het mogen verkondigen, dat in alles wat hun overkomt, ja, in alle omstandigheden, de Vaderlijke wil Gods alles schikt tot hun bestwil.
Daar is in de regeering Gods een wondere orde en harmonie. Ja, zoo spreekt Gods kind als hij de dingen mag zien in eeuwig licht, als hij Gods inwerking op ons leven mag schouwen, zooals ze verschijnt in dit visioen, van boven af. Maar als wij de dingen zien van beneden uit, dan verschijnen ze ons anders. Dan zien wij de wielende, jagende, rusteloos wentelende raderen. En dat wentelen is zoo schijnbaar vol verwarring. Want er staat: alsof het ware een rad in het midden van een rad. Dit ziet Ezechiël : er is een wentelen der raderen van achteren naar voren; en dwars door die van achteren naar voren draaiende raderen ziet de profeet raderen, die van links naar rechts wentelen. Van beneden gezien, is dat enkel gecompliceerdheid. Er is geen oog op te houden, 't Loopt alles door elkaar heen. Enkel verwarring. Daar is geen weg meer. Het loopt bliksemsnel, maar vast, hopeloos vast. Hier is geen uitkomst; het loopt alles in elkaar en muurvast.
Een rad in het midden van een rad Zoo is het niet alleen in het visioen. Zoo is het telkens in het leven van den enkeling, van Gods kinderen, van Gods gemeente, van heel de menschheid.
Het loopt vast, hopeloos vast. Abraham heeft 't ondervonden, toen hij Izaak moest offeren en God hem verscheen als een God Die Zijn eigen werk werpen zou in den dood.
Mozes heeft het doorleefd, toen God hem liet vastloopen op het moment, waarin hij meende, dat de daad moest gewaagd worden om als bevrijder van Israël op te treden. Israël heeft het doorleefd, toen het op zijn uittocht uit Egypte als vastliep in de klem tusschen Pharao's leger en de golven van de Roode Zee.
En zie nu eens in onzen tijd. Is er ooit heviger wenteling geweest van het raderwerk der wereldhistorie ? Maar het is vastgeloopen. Het is ja wel waarlijk : een rad in het midden van een rad.
De wijzen en grooten op staatkundig, op economisch terrein, ze zien geen weg meer. Het is alsof alles tegen elkaar in werkt. En de nood wordt zoo nijpend. Er is geen weg. De zorg legert zich om ons allen.
Zullen wij een dageraad hebben ? Zullen wij er doorkomen ? Of toekent zich hierin af, dat we staan aan den aanvang van die crisis, waarin alles ten volle zal vastloopen, omdat het einde aller dingen is gekomen ?
God, Die het alles bewerkte, Hij weet het.
Hij alleen kan geven wat ons noodig is, juist in deze tijden.
Een rad in het midden van een rad In dat beeld rijst het leven onzer dagen voor ons op. Het is door onze zonde. Zie, God laat den mensch, die Hem niet meer als God erkennen wilde, vastloopen als gevolg van zijn eigen zonde. Men zegt wel eens : „'t is alsof de vloek erop ligt".
Ja, zoó is het. Zoo was het alle tijden dezer zondebedeeling. Maar in tijden als de onze doet God het klaar zien en erkennen, zelfs door den wereldling. Zien en erkennen wij het ? In waarachtigen zin ? Zie, het ontzaglijkst verscheen de geschiedenis als een rad in het midden van een rad, toen de Zone Gods als de gevloekte, de Rechtvaardige als de onrechtvaardige, de Onschuldige als de schuldige werd genageld aan Golgotha's kruis. Het was een Satanische wieling daar. Maar, Gods Geest was in de raderen. En zie, in het kruis openbaart God de redding der wereld, de zaliging van Zijn volk. Dat leeren wij eerst recht, als wij vastgeloopen zijn in onze zonde voor God en de bede rijst uit het verslagen hart: Wees mij genadig, o God.
Zijt ge zoo vastgeloopen en mocht ge speuren : de Geest is in de raderen ? Dan wordt het een klagen van onze Godvergeten zondaar, die geen uitkomst ziet, die niet weet waarheen het moet, opnieuw vastgeloopen kind Gods, de Geest des Heeren leide u naar Hem, Wiens Naam is : Raad, Vredevorst.
Door Hem komen we er door. En door Hem leeren wij God kennen als onzen Vader, Die dan, ook als alles zegt: een rad in het midden van een rad, ons Zijn Vaderlijke gunst doet kennen, zóó, dat wij mogen genieten : Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
Zeist
Bartlema
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's