De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

11 minuten leestijd

Vraag: Weten we iets van Petrus einde ? Is het bekend, hoe Petrus is gestorven ?
Antwoord: In Joh. 21 wordt door den Heiland tot Petrus gezegd, met hem wandelend aan het strand van de zee van Tiberias, dat Petrus gebonden zal worden, naar de gevangenis geleid en daarna naar de gerichtsplaats, om daar te worden gedood. Hij zal gegord, d.i. gebonden worden door een ander ; en die ander zal hem brengen, waar hij niet wilde zijn. Petrus en zijn medediscipelen hebben toen moeten doorzien, wat dat beteekende ; vooral nadat zij zoo pas alles gezien hadden van hun Heiland, die óók gebonden was en óók gebracht naar de gerichtsplaats, die gehangen was aan het vloekhout, om tusschen misdadigers te sterven. Men zal ook Petrus eens brengen, waar hij niet wil, dus een vijandige handeling met hem verrichten. Hij zal maar niet als een oud man, hulpbehoevend geworden, door een ander geleid worden langs de straat. Neen, er zit veel meer in ; er zit bepaaldelijk in, dat hij als martelaar zal sterven. En als Johannes zijn Evangelie schrijft, dan zet hij het ook neer in zijn boek : „dat zeide Jezus tot Petrus, aanduidend met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou".
Wat weten we nu van het einde van Petrus ? Toen Petrus in Rome gevangen werd gezet en daar omstreeks denzelfden tijd als Paulus onder Keizer Nero (54—68) ter dood werd gebracht, is, naar de overlevering van de oude Kerk, Paulus, als Romeinsch burger, met het zwaard onthoofd, maar Petrus , die geen Romeinsch burger was, is gekruisigd, en wel — zoo gaat de overlevering verder — op eigen verzoek met het hoofd naar beneden. Want het zou hem een al te groote eer en verheerlijking zijn geweest, op precies dezelfde wijs te sterven als zijn Meester !
Weten we dit laatste niet zeker— hoewel het een oude overlevering der Kerk Is — dat Petrus onder Keizer Nero den marteldood gestorven is, staat vast Petrus is zijn Heiland gevolgd óók in den dood, om met den verheerlijkten Heiland verheerlijkt te worden. Door den dood tot 't leven, door kruisdragen tot de kroon Dat had Petrus langs diepe wegen moeten leeren. Maar hij heeft het geleerd en de vrucht is geweest tot zaligheid en heerlijkheid.
Vraag: We lezen in 1 Tim. 6 vers 16 van God „die alleen onsterfelijkheid heeft"; maar de mensch is toch ook onsterfelijk ? Hoe zit dat nu ?
Antwoord: God heeft in Zich Zelf en van Zich Zelf onsterfelijkheid. God heeft geen begin en geen einde. Hij leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid. De mensch is niet van eeuwigheid, heeft een begin, en is in den tijd door God geschapen en heeft toen van God onsterfelijkheid ontvangen. Daarom, omdat het hem van God gegeven is, zal de mensch nooit ophouden te bestaan. Wat God dus uit Zich Zelf heeft, heeft de mensch van God ontvangen. God is op goddelijke wijze eeuwig en onsterfelijk ; de mensch is op menschelijke wijze onsterfelijk.

Vraag: Wat beteekent het, dat de Wet door het vleesch krachteloos is geworden ?
Antwoord: De Wet is er. Maar het vleesch kan de Wet niet volbrengen. De Wet ligt er nu zóó, dat zij niet vervuld kan worden. Er is niemand van de menschèn (die in het vleesch zijn) toe in staat. De Wet blijft overal onvervuld liggen. Overal probeert men wel , er wat van te maken, maar overal is het tevergeefs. De Wet blijft overal slap, krachteloos, onvervuld liggen. Nergens komt er iets van terecht. Dat moeten we leeren bekennen. We moeten ons niet verbeelden, dat het tusschen ons en de Wet goed staat; dat de Wet wel te vree mag zijn over ons ; dat wij het er met de Wet zoo flink en zoo kloek afbrengen. Want het is allemaal en overal „niets-gedaan" ! Als we dan ook aan de Wet ontdekt worden en aan onszelf worden bekend gemaakt, zullen we niet roemen, maar leeren spreken van zonde en oordeel. „Door de Wet is de kennis der zonde". Maar het herstellingsmiddel wijst de Wet niet. De Wet laat den mensch in z'n hulpeloosheid staan. Het moet naar Christus, Die de Wet vervuld heeft, alle gehoorzaamheid volbracht heeft, alle schuld geboet heeft, alle straf gedragen heeft. Hij is de Vervuiler der Wet. En Sion zegt: Hij is onze Vrede.

Vraag. Wat is de leer van het vuur?
Antwoord. Volgens de leer van het vagevuur zijn er drie groepen van menschèn (zielen). De zielen der ongeloovigen gaan aanstonds en rechtstreeks naar de hel; die der geloovigen, die voor hun zonden hier genoegzaam gebiecht en geboet hebben, gaan aanstonds en rechtstreeks naar den hemel (de Kerk heeft van alle straf vrijgesproken) ; terwijl dan naar het vagevuur (louterings—zuiveringsvuur, waar de zonden weggeveegd, weggedaan worden) gaan de zielen der geloovigen (die dus tot de Kerk behooren), maar die hier op aarde in gebreke gebleven zijn om volledige boete te doen en straf te lijden voor hun vergeeflijke zonden. (Deze boetedoening bestaat in het lijden van tijdelijke straffen. Want de Roomsche Kerk denkt het zich zóó: Christus heeft, de eeuwige straffen ondergaan voor allen die tot de Kerk behooren en gedoopt zijn, maar de geloovigen, die zondigen in hun leven, moeten zelf de tijdelijke straffen lijden, hier op aarde of — in het vagevuur, als niet in getrouwheid aan alles hier is voldaan. Die straffen kunnen dan door voorbeden, misoffers, goede werken der nabestaanden, en aflaten verkort worden. Daarin heeft de Roomsche Kerk een belangrijke bron van financieel inkomen. Deze leer leidde in den vóór-Reformatietijd tot dèn schandelijken aflaathandel.
Het knoeien en scharrelen met de verdienste van Jezus Christus, als Borg en Middelaar van een arm zondaarsvolk, is hier natuurlijk de oorzaak.

Vraag : Wat is het onderscheid tusschen Zending en Evangelisatie?
Antwoord: Onder Zending (missie) verstaan we de uitvoering van het bevel des Heeren, om onder niet-Christenen het Evangelie te prediken ; aan hen, die belijdenis des geloofs afleggen, den Heiligen Doop te bedienen ; dezen te brengen tot een zelfstandig kerkelijk leven ; en onder Gods zegen mede te arbeiden tot de doorwerking van het Christendom in heel het leven.
Wanneer het Evangelie gepredikt wordt aan hen, die afgedwaald zijn, die nog wel Christenen zich noemen, maar van het geloof vervreemd zijn, spreken we van Evangelisatie, welk werk geschiedt door Evangelisten enz. Dit werk wordt ook wel genoemd Inwendige Zending, in onderscheiding van Uitwendige Zending (onder Heidenen, Mohammedanen, enz.).

Vraag : Waartoe dient het lezen van de Wet der 10 geboden in onze godsdienstoefeningen ?
Antwoord: In onze morgengodsdienstoefeningen wordt van ouds de Wet des Heeren gelezen. Deze Wet der 10 geboden is voor de gemeente van Jezus Christus de regel der dankbaarheid, het richtsnoer des nieuwen levens (3de stuk van den Heidelb. Catechismus). Maar tegelijk is zij steeds kenbron van onze ellende, spiegel onzer zonden ; en het doel is dan, dat de gemeente staande voor dien spiegel „hoe langer hoe meer haar zondigen aard leere kennen en des te begeeriger zij naar de vergeving der zonden en de gerechtigheid van Christus" (Heid. Catech. Zondag 44)
Willen we meer nadruk leggen op den regel der dankbaarheid, dan kan de gemeente na de lezing van de Wet zingen het laatste vers van de berijmde Tien Geboden ; zien we de voorlezing der Wet meer als opwekking tot schuldbelijdenis, dan past beter te laten zingen Psalm 130 vers 2 of het 6de vers uit het Gebed des Heeren. Ook kan zeer goed gezongen worden Ps. 25 vers 6 : „Wie heeft lust den Heer te vreezen".

Vraag : Waarom eten de menschèn weinig of geen paardenvleesch ; is dat verboden of niet ?
Antwoord : Over 't algemeen houden de menschèn niet van paardenvleesch, hoewel er beweerd wordt, dat het zeer gezond en versterkend is. Men vindt het over 't algemeen niet lekker en velen zijn er griezelig van. Waarom men van een paard vies is en b.v. van een varken niet, weten we niet. Wel wordt er dikwijls beweerd dat het van ouds aan de Christenen voorgehouden is om geen paardenvleesch te eten, omdat vroeger het paard het offerdier was bij de Germanen. Het schijnt dan een heidensch overblijfsel te zijn bij de Christenen, dat het paard een „verboden" dier is, wat het eten van het vleesch aangaat; en men zegt, dat het daarom onder het volk voortleeft: geen paardenvleesch eten ! Dat zulks overigens verboden is, zien we niet in. Doch het zal wel zijn en blijven : „ieder z'n smaak". Overigens geldt 't hier-: „vrijheid blijheid".

Vraag: Is de noodleugen geoorloofd ?
Antwoord : Een oude, bekende vraag. Velen hebben zich er reeds mee bezig gehouden en de antwoorden waren niet dikwijls 't zelfde, ook bij overigens zeer ernstige menschèn. Maar over 't algemeen bespeuren we toch wel (b.v. ook bij de Luthersche en Gereformeerde theologen) dat men de noodleugen als krenking van de waarheid en gebrek aan Godsvertrouwen afkeurt. De noodleugen wordt doorgaans gebezigd om zichzelf of anderen uit moeilijkheden te helpen. „Leugen om bestwil" wordt het dan wel genoemd. B.v. ook tegenover zieken, kinderen enz. Maar het doel heiligt de middelen niet. En als men staat tusschen de keuze wat moet ik nu zeggen en wat moet ik nu doen — dan moet waarheidsliefde en. Godsvertrouwen den doorslag geven, 't Is dan niet het kiezen tusschen het eene dat goed is, en 't andere dat goed is — maar de - keuze valt tusschen wat waar is en wat leugen is. En dan mag men niet kiezen voor 't geen niet-waar is.
Natuurlijk kunnen de omstandigheden des levens soms heel moeilijk zijn (en de ernstigste gevallen zijn het moeilijkst) maar waarheidsliefde en Godsvertrouwen moeten den doorslag geven.

Vraag : Hoe moeten we oordeelen over de noodleugen van de Egyptische vroedvrouwen (Exodus 1) en van Rachab (Jozua 2) ? Keurt de Schrift deze „noodleugens" goed ?
Antwoord: Hier moeten we voorzichtig zijn. In deze vrouwen wordt geprezen de hulpvaardigheid, het geloof, de toegenegenheid voor het volk des verbonds, maar daarom wordt niet geprezen, dat zij liegen en onwaarheid spreken. Het wordt gemengd in de geschiedenis van Israël hun tot een zegen, maar ieder blijft verantwoordelijk voor zijn daden. En liegen is liegen.
Denk aan de geschiedenis van Husaï, die met Achitofel bij Absalom was (2 Sam. 17) en aan Absalom een raad geeft, welke lijnrecht tegen den raad van Achitofel ingaat, wat David ten goede komt. Dat is door 's Heeren goedheid over David. Maar de oneerlijke handeling ; van Husaï (het zenden van mannen naay, David) komt voor zijn rekening.
Wat de vrouw te Bahurim (2 Sam. 17 vs. 19 enz.) dan doet met Jonathan enz., is een krijgslist, maar de leugen is niet goed te keuren. Het komt voort uit gebrek aan Godsvertrouwen.
Wat Elisa (2 Kon. 6 vers 19) doet met de mannen, die hem willen vangen, is een krijgslist onder zeer bizondere omstandigheden, waar de Heere hen met blindheid had geslagen (vers 18).
De noodleugen van Abram ten opzichte van Sara en 't zelfde van Izak ten opzichte van Rebekka, wordt door niemand verdedigd en God bezoekt het kennelijk in Zijn misnoegen over dit gebrek aan Godsvertrouwen. Het doel heiligt de middelen niet.
Niet altijd behoeft alles dadelijk gezegd te worden en kan begonnen worden met 't begin. 1 Sam. 16 vers 2b, waar Samuel in de grootste moeilijkheden kan komen ten opzichte van de zalving van David en de Heere Zelf hem een weg aangeeft om het zóó te doen, dat het 't minst opvalt.
Ook laat God Mozes en Aaron (Exodus 5) eerst met het mindere komen tot Farao, om hem te beproeven of hij die kleine gunst wil bewijzen aan het volk van Israël, waarbij zijn weigerachtigheid des te meer hem zal worden toegerekend.
Wat Petrus b.v. doet ten opzichte van den Heiland als hij tusschen de dienstknechten van den hoogepriester in de grootste moeilijkheden komt, wordt door niemand verdedigd.
De noodleugen wordt dikwijls gebruikt uit vrees voor de wereld en uit gebrek aan Godsvertrouwen. Het is een conflict met het 9de gebod : „Gij zult geen valsche getuigenis spreken".

Vraag: Waarom moeten wij tegen waarzeggerij zijn ?
Antwoord : We mogen bij den duivel, bij „de zwarte kunst", niet zoeken, wat we bij God niet kunnen vinden.
amu­ Vraag : Waarom zijn we tegen amuletten, mascotte's, enz. ?
Antwoord: Ze zijn heidensch en vrucht van modern bijgeloof. „Wentel uwen weg op den Heere, Hij zal 't maken".
Vraag: Waarom zijn we tegen loterij, enz. ?
Antwoord : Het is spelen met Gods voorzienigheid, als kansspel, dat geboren wordt uit geldgierigheid en wellust en waar bij winst gezocht wordt door een anders verlies.

Vraag: Hoe hebben we te denken over vasten?
Antwoord : Vasten wordt in het N. Testament nergens bevolen, wel in sommige gevallen aanbevolen tot verhooging van zedelijke veerkracht in den strijd met de machten des kwaads (Matth. 27 vers 21). In de oud-Christelijke gemeente kwam het voor bij zekere gelegenheden, om aan het gebed meer ernst bij te zetten. (Hand. 13 vers 2, 3 ; 14 vers 23 enz.)). De Hervormers hebben het vasten niet bevolen, soms aanbevolen als middel tot versterking van zedelijk zelf bedwang en tot meerdere spanning der ziel bij het gebed. Het moet van allen ophef en vertoon vrij blijven ; anders veracht de Heere het (Jesaja 58 vers 5). m de Dordtsche Kerkorde werd „vasten en bidden" genoemd voor de gemeente, als er een dominé moest beroepen worden. Bid- en vastendagen werden in ernstige tijden uitgeschreven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's