MEDITATIE
„DE KETTING TEN HEMEL".
Een zendeling, die jarenlang onder de Betschuanen arbeidde, verhaalt, dat hij de vrouwen van dien stam dikwijls dezen klaagzang heeft hooren aanheffen : „Wee ons, wee onze mannen, wee onze kinderen ! Wie wijst ons den ketting, die uit den hemel hangt en waaraan wij ons kunnen vastklemmen en in de hoogte halen ? "
Inderdaad, een aangrijpende mededeeling, nietwaar ! En toch, ook weer geen onbekende taal.
De mensch, zwerveling als hij is buiten het Paradijs, is niet gelukkig en gevoelt zich niet thuis. Niet thuis, niet alleen wegens het gemis van het Paradijs, waarin hij eens in het ware geluk geschapen leefde met den hemel en met zijn Schepper en Formeerder, méér dan dit, hij mist God en met Hem alle tijdelijk en eeuwig goed. Geen wonder, dat Jesaja het 48ste hoofdstuk zijner profetie besluit met de woorden : „Maar de goddeloozen hebben geen vrede, zegt de HEERE".
„Wie wijst ons den ketting ? " Wie anders dan de Heere zelf. Hij geeft het Zijnen beminden zelfs in den slaap ! De aartsvader Jacob vernachtte onder den blooten hemel en legde zich te slapen op 'n harden steen.
In dezen harden weg, waarin hij vluchtende was voor 'n bloedgierigen broeder naar een goedgierigen oom, geeft de Heere hem een allerzoetsten droom : „ en zie, eene ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte ; en zie, de Engelen Gods klommen daarbij op en neder. En zie, de HEERE stond op dezelve en zeide : Ik ben de HEERE, de God uws vaders Abrahams en de God Izaaks; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uv/en zade. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u en in uwen zade zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden".
Gelukkige Jacob, gelukkig Israël, gelukkig volk van God, nooit was uw hart zoo verblijd als toen uw hoofd, zwervende en peinzensmoe, het allerhardst immers nederlag ! Gezegend zaad in het Zaad der vrouwe, den waren ladder Jacobs, waarbij de engelen Gods vreugdevol zingen : „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen"
„Wie wijst ons den ketting ? " Immanuël, God met ons, langs en door Hem naar huis en eens weer thuis!
„Eén Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus". 1 Timotheüs 2 vers 5b.
De Heere Jezus, die het af schijnsel is van 's Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, vergelijkt en openbaart zich voor de wereld zijner gunstgenooten als het licht der wereld en voegt er vertroostend aan toe : „Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen". De Kerk Gods in haren strijd gaat meestal door duisternis en dorst. Hierin wordt zij bij aanvang levend gemaakt en in die levendmaking doet zij zich reeds volvroolijk hooren : „Als ik in de duisternis" — let wel, niet wandel, maar erger — „zal gezeten zijn, zal de Heere mij tot een licht zijn!" Hier krijgt zij te zien, te tasten, te smaken en te proeven in het geloof den komenden Jezus, die op zijne bede met den Vader woning bij en in haar komt maken in den weg van verzoening en voldoening. Hier komt als bij het eerste scheppingswonder in de duisternis op den afgrond de stemme Gods gehoord werd in het „Daar zij licht en daar was Ucht!", machtiger wonder in het opgaan der Zonne der gerechtigheid in den afgrond, den benauwenden kerker der ziel. De Wet toch klaagde haar aan, verklaagde haar en vermeerderde hare duisternis en haren dorst naar den levenden God. En reeds in 't eerste straaltje, hoe ragfijn dikwijls dan ook, van genade, roemt zij als de lijster, in de natuur bij het naken van den morgenstond, zijn stem boven de duisternis zoekt uit te brengen : „In Uw licht zien wij het licht!" En in dit licht het leven, ja, de liefde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn immers alle dingen.
Langs dezen weg worden Gods kinderen bepaald bij het pad der verzoening. „Niemand komt tot den Vader dan door Mij. In deze woorden verklaart de komende Borg zich onomwonden als de eenige Middelaar Gods en der menschen. Wij kunnen dan ook nooit of nimmer tot God naderen dan alleen door Jezus' bemiddeling. Wie zonder Hem tracht — hoe dan ook — God te ontmoeten, ijdel is diens poging, onverbiddelijk wordt hij afgewezen !
Christus' persoon is dan ook het fondament van al den raad Gods, ten opzichte zijner eeuwige heerlijkheid in de roeping, heiligmaking en zaligmaking der Kerk. (Efeze 1 vers 9 en. 10). God bezat Hem in het beginsel van zijnen weg en zalfde Hem van eeuwigheid af. Hij was van eeuwigheid zijne wezenlijke wijsheid, gelijk Hij altoos was, en altijd is in den schoot des Vaders, in de onderlinge, onuitsprekelijke liefde tusschen den Vader en den Zoon door den eeuwigen band des Geestes. „Ik was" — zegt Hij — „een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, ten allen tijde voor zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld zijns aardrijks en mijne vermakingen zijn met de menschenkinderen". Dit alles wat zoo, „toen Hij nog niet gemaakt had de aarde, noch de velden, noch den aanvang van de stofkens der wereld", dat is, eer nog de mensch geschapen was. Niet alleen was des Vaders vermaak in Hem, maar ook zijn vermaak was in de wereld zijns aardrijks, en met de menschenkinderen vóór de schepping der wereld, zoodat hierin gezien wordt op zijn eeuwig gezicht op het werk, dat Hij voor de menschenkinderen te doen had. God legde in en met Hem het fondament van al zijnen raad, aangaande zijne liefde tot de kinderen der menschen.
Van den aanvang af is Hij, Jezus, dan ook voorgesteld — het kon niet anders ! — als de eenige troost of hoop des, zondaars in leven en sterven. Met Hem is ons stamen verbondshoofd Adam getroost, toen het gebod, dat ten leven was, oorzaak des doods was bevonden en hij, en wij in hem, gekomen waren onder den vloek. Op Hem zijn de patriarchen Abraham, Izak en Jacob gewezen. Op Hem hebben zij geloovig geleund en gesteund. Zy wisten wat het inhield, als in druk-of proefweg de Kerk Gods niettemin volvroolijk aanhief : „Uw stok en uw staf vertroosten mij !" Van Hem spraken als om strijd de profeten. Van Hem — nog eens — weerklonken de velden van Bethlehem-Efratha. In Hem schittert en vonkelt het oog van vreugde, als de herders door de lantaarn zijner menschheid zijne Godheid aanschouwen, buigt zich de van ouderdom stramme knie, het grijze hoofd der Simeon's en Anna's in aanbidding, verlangende te sterven en heen te gaan in vrede, nu hunne oogen Zijne zaligheid hadden gezien. Door genade waren hun alle eigen beginselen ontvallen en wisten zij — o, zoete wetenschap ! — „het heil is des Heeren".
En de apostelen ? Op 't bevel des Meesters gaan zij heen en verkondigen Hem als den Eenigen, die redding en leven geeft, tot de eere van zonen en dochteren des Allerhoogsten verheft en de geopende hemelpoort binnen brengt.
De zonde had een kloof gegraven tusschen God en ons : de Christus wierp zich in die klove. Hij dempt haar, volkomen en eeuwig ! De zonde had een muur opgetrokken tusschen God en ons : de Christus wierp zich op dien muur en brak hem weg tot den laatsten steen. Zijne voldoening aan Gods gerechtigheid bracht verzoening teweeg. Zijn bloed verzoende God met ons. Zijn Geest verzoent ons met God. Hij, het geslachte, maar ook het verheerlijkte Lam Gods, bekleedt zijn volk uitwendig met de witte wol zijner gerechtigheid van toerekening en inwendig versiert Hij zijne kinderen met de brandende lampen van geloof, hoop en liefde door zijne gerechtigheid van inplanting. Zóó staat dan ook bij tijden en oogenblikken de bruidskerk aan 's Konings rechterhand, nu reeds hier bij aanvang, straks, hierboven, gansch en al verheerlijkt !
Eén Middelaar, de Middelaar Jezus ! Hij, die van eeuwigheid uitriep : „Zie, Ik kom !" Hoe ? Als Middelaar, of eigenlijk als Middelaar, die in het midden staat. Tusschen zijn Vader en den mensch. Een Middelaar van scheiding door de Wet, die Hij den sterveling zet en zelf draagt, maar ook zelf vervult als het gouden verzoendeksel onder het begeerig-spiedend oog der engelen. Oók een Middelaar van vereeniging door het Evangelie, de blijde boodschap, waarmee Hij zijne kinderen als met een zoet engelenbrood voedt, verkwikt en laaft ten eeuwigen leven.
Middelaar ! Maar voor wie ? Voor hen, die de Vader Hem gaf. Voor wie Hij zijn gansche leven op aarde opofferde in gebeden en tranen. Van en voor wie Hij zelf getuigde : „Vader, Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt". Deze is hun aardsche, hun hemelsche Advocaat. Gelukkig, ja, driewerf gelukkig de ziel, die dan ook — en niet het minst in onze donkere tijden en dagen ! — hare 'zaken in zijne hand leggen mag. Gewis, zij zal niet beschaamd uitkomen, niet schaamrood wederkeeren en zich den ketting ten hemel geschonken zien !
Nieuwe-Tonge.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's