KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE JEZUS-MYTHE.
Wij lazen dezer dagaen nog eens weer het boekje van dr. H. W. Ph. E. van den Bergh van Eysinga, destijds predikant te Zutphen, over : „de zin van het christelijk leerstuk in verband met den oorsprong van het Christendom" (Hollandia-drukkerij, Baarn) en werden weer getroffen door het radicale standpunt dat de schrijver inneemt. Hij begint al dadelijk over „de mythe van de menschwording Gods in Christus". Van heel dat verhaal is historisch geen letter waar. 't Is alles zinnebeeldige inkleeding en niets anders dan een zonne-mythe.
Radicaal spreekt hij over de theologen, zoowel de orthodoxen als de modernen, die eigenlijk — zegt hij — niets van de dogma's of kerkelijke leerstukken weten. Ze maken er maar wat van, de een net zoo goed als de ander, waarbij eigenlijk de moderne dominees nog 't meest er van langs krijgen. Want ach, die rechtzinnige predikanten komen gewoonlijk uit den kleinen burgerstand of nog lagere klassen van de maatschappij, hooren wat aan de Academie en gaan de pastorie in — en 't is klaar. Ze begrijpen van de dingen, die er te koop zijn, totaal niets.
't Gevolg is, dat ze niets van de „Openbaring" begrijpen, noch van de cultuur. En „als er zijn zoekers, tobbers, twijfelaars, als er zijn ongeloovigen, dan kunnen ztj voor hen niets zijn. En het zijn de schrandersten en ook de eerlijksten, die zich afwenden van hun orthodoxen leeraar, omdat hij ze niet vermocht te leeren. Men heeft genoeg van de phrase, en wat is het anders dan phrase, wat er in de taal der dogmatiek verkondigd wordt ? "
„Doch wat nu de meer verlichte leek ontbeerde bij den orthodoxen predikant, zal hij 't vinden bij diens modernen ambtgenoot ? Geeft deze hem de exegese van het zoo zonderlinge leerstuk ? Wij weten wel beter !"
Eduard von Hartmann heeft aangetoond, hoe voor de modernen niets overbleef van het specifiek christelijke in de christelijke gemeente („Selbstzersetzung des Christentums in der modernen Theologie") Dogmata als die van de menschwording, de genade, de uitverkiezing, de verlossing, de verzoening, de Drieëenheid verstaat de moderne theoloog niet — en hij houdt voor z'n prediking over: den liefderijken God, onzen Vader — én onzen Voorganger, den mensch Jezus, van wien men veel wonderlijks heeft verteld, maar die in werkelijkheid een rabbi was uit het Galilea der eerste eeuw, en wiens woord en leven neerkwam op vrije vroomheid en op groote liefde.
Nu vraagt men zich af — zegt dr. Van den Bergh van Eysinga — „of men met zulk een zienswijze nog wel thuishoort in de Christelijke Kerk, die immers sinds eeuwen een bepaalde belijdenis heeft gehad, zooals zij b.v. in het apostolisch symbool, de twaalf artikelen, zijn geformuleerd. Als ik een streep haal door wat geloofd is door een gemeenschap, heb ik dan nog wel het recht mij in die gemeenschap te schikken ? " (bladz. 5).
„Dit voelen de orthodoxen heel sterk, en zij, vooral de Confessioneelen, kanten zich hevig tegen een leervrijheid, die, zoo meenen zij, het Christendom ontbindt. En zij hebben volkomen gelijk daarmee".
Maar — dan krijgen de orthodoxen óók weer uit de pan, omdat ze hebben „een slaafsche onderworpenheid aan een onbegrepen dogma".
Doch — en nu zijn de modernen weer aan de beurt — „de moderne theologie, die als rationalisme ontkent en nog eens ontkent en bitter weinig overhoudt, moet verder gaan, want zijn Godsbegrip is evenzeer verouderd als de theologie der rechtzinnigen, en zijn leer der onsterfelijkheid is onderhevig aan ernstige bedenkingen en zijn Jezusbeeld is ontzaglijk onhistorisch, willekeurig en verward. Bij slot van rekening houdt hij niets over dan wat gevoelswiegeling en een zich neigen naar het mysticisme". De moderne theoloog moet nog radicaler leeren optreden en nog tot grooter afbraak van het oude en verouderde systeem komen. Maar — „ook hij ontkomt niet aan het fatale van het godgeleerd academisch onderwijs : hem ontbreekt de philosophische zoo goed als de aesthetische opvoeding".
Waartoe men zal moeten komen wat de Schriftbeschouwing betreft en bizonder wat het Jezus-beeld in den Bijbel aangaat ? Wel — als men het beroemde werk van den Italiaanschen dichter Dante leest over de Hel en de Onderwereld, over den Louteringsberg en het Paradijs, dan is dat een ingekleed verhaal, waarvan historisch niets werkelijk gebeurd is. Als men de reizen van Gulliver naar het land van de Lilliputters leest, dan is er historisch niets van gebeurd. Men behoeft op de kaart niet te zoeken, want men vindt niets.
Maar als men nu komt tot de lezing en bestudeering van het Nieuwe Testament, de Evangeliën, dan — zoo zegt dr. Van Eysinga — moest men óók bedenken, dat het alles inkleeding is, dat het alles als een verhaal verteld wordt, maar dat er niets werkelijk van gebeurd is. We hebben hier poëzie van het hoogste soort — zegt hij. In de Evangeliën zijn dichters aan het woord en deze dichters vertolken hun gevoelens van de Eeuwigheid. Dichters en philosophen kunnen dat alleen begrijpen. „En het is het tekort der theologen, dat zij geen dichters zijn en geen dichters kennen, en dat zij ook niet zijn philosophen". (bladz. 8).
De Christelijke gemeente is voortgekomen uit het gnosticisme, uit een samenvatting van oude godsdiensten en nieuwere wijsbegeerte. Men heeft oude verhalen genomen en ze nieuw aangekleed. En zoo zijn de Evangeliën ontstaan en het Jezus-beeld ontworpen.
Alles komt voort uit de heidensche mysteriën en uit de Grieksche philosophie ; uit heidensche kringen van religieus voelenden, met verwerking van de nieuwere wijsbegeerte in de eerste eeuw.
En dan wordt de grondslag der oude mysteriënleer genoemd : de zonnemythe ; het Mithra verhaal.
De zon wordt een held in de heidensche voorstelling ; en de zon wordt geboren in de donkerte van den winter, neemt toe in kracht, bereikt z'n hoogtepunt en wordt dan overweldigd en verwond door de machten van de najaarsduisternis, verdwijnt in het doodenrijk of de hel. Maar — hij komt weerom, hij staat weer op, hij wordt verjongd en verheerlijkt aan den hemel.
Men heeft daar een spel van gemaakt en de aardbewoners hebben met graagte gezien naar het tooneel, waar de zonneheld geboren wordt, groot wordt, sterft en ondergaat, maar ook opstaat en verheerlijkt wordt aan den hemel. En wat méér is : de zon is 't die de aarde redt en de kracht van onze kracht wordt.
Men vereerde de zon. Er kwamen wasschingen als reinigingen voor de vereerders van de zon, die vol licht is. Er kwamen maaltijden, waar men graan of brood at en wijn dronk. Graan valt in de aarde en sterft en geeft juist dan leven. Wijn is druivensap en de druif wordt geplet, schijnbaar vernietigd, maar het vocht bezielde tot vroolijke feesten, door het uiterlijk van den wijn herinnerend aan bloed.
„Nu is" — zoo zegt dr. Van Eysinga — „de wassching en het gewijde maal terug te vinden in den doop en het avondmaal der christelijke gemeente".
„En dat de held van de Evangeliën de zonnegod is, is heel duidelijk, als we letten op de volgende trekken. In een (wolken) grot of in een kribbe wordt het kind geboren en wel in December, als de zon aan krachten winnen gaat. Zijn moeder is maagd en dat zijn de Grieksche natuurgodinnen ook (Athene, Isis, Hera enz.). Dat hij Jezus heet, herinnert aan het Grieksche werkwoord laoo, dat genezen beteekent (de genezende god). Hij is het licht der wereld, al wordt hij dan ook eerst door de booze machten van den hemel (in het Evangelieverhaal tot menschen gemaakt, als b.v. Herodes enz.) vervolgd. Hij is sterker dan zij, hij is de wijsheid (de twaalfjarige in den tempel), hij is de Nazareër (wat beteekent „de wachter van de lucht") ; hij is gevoerd door de hemelrivier (de doop in den Jordaan). Het sterrenbeeld de Ram of het Lam is in hem verwerkt en hij wordt zelf het Lam genoemd en geslacht. De hoogste zonnestijging is zijn „verheerlijking op den berg". Als hij aan den Melkweg komt is z'n einde nabij en gaat hij ten doode (het kruis). De rok zonder naad is het ongebroken lichtkleed van de hemelgoden ; zuiver licht uit één stuk. Dat de gekruisigde opstaat en wordt verheerlijkt na zijn tocht in het doodenrijk, verbeeldt de opgang van de zon, die haar reis weer begint na de donkere tijdperiode.
Het gewaad van de zonnemythe is nu het kleed dat dichters en philosophen — de schrijvers van de Evangeliën — gebruikt hebben om diepzinnige waarheden te verkondigen. En de Christusfiguur wordt ten tooneele gevoerd om de diepste levenswaarheid te vertolken.
En die waarheid is de waarheid van de oude Grieksche wijsbegeerte, (bladz. 12).
Dan wordt de Logos-idee verwerkt en over de leer der Drieëenheid gesproken, [Vader, Zoon en Geest zijn de drie verschijningen (want persoon bedoelt een rol, waarin een acteur optreedt, een masker dat een tooneelspeler voordoet, enz.) van het Absolute], waarbij de oude wijsbegeerte van de Chineeezen enz. opgehaald wordt (bladz. 15).
Alles bewijst dus het onhistorische van den persoon van Jezus en van de verhalen der Evangelisten, die „dichters en philosophen" zijn geweest.
Alles onhistorisch. Niets is er van gebeurd.
En dr. Van Eysinga zegt dan ook : „Dat over den vermeenden stichter van het Christendom buiten de kerkelijke literatuur geen sprake is — spreekt boekdeelen" (bladz. 17—18). „We hebben in de Evangeliën te doen met een oorspronkelijke Godsconceptie, niet met een mensch".
Heel de procedure van Pilatus b.v. is geen historie, maar stamt weer af uit de zonnemythe. Pilatus is een sterrebeeld, waarbij de Zon gekruisigd wordt.
De mythe gaat zich dan vervormen tot een vermeende historische gebeurtenis, dan kon het méér invloed uitoefenen onder de menschen, dan wanneer het bleef een louter wijsgeerig-dichterlijk stelsel (bladz. 19).
„Aan onzen kritischen tijd is het voorbehouden het oorspronkelijke te herstellen in zijn beteekenis". De vermeende feitelijkheid — moet ons het Ware en de Waarheid leeren verstaan! (bladz. 19).
„Het Evangelie brengt in allegorie ons voor den geest hoe de Wereldrede alles voortbracht, in alles leeft en lijdt, om in den geest zich weer te vinden".
„Zietdaar dan den zin van het leerstuk van de vleeschwording Gods in Christus aan belangstellenden openbaar gemaakt" — zegt dr. Van Eysinga aan het slot van zijn brochure (bladz. 40).
Van de hand van prof. dr. C. van Gelderen, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, verschenen in 1903 een paar artikelen in het Gereform. Theol. Tijdschrift: „De hoofdpunten der zielsgeschiedenis van Job". Wij hebben toen die studie gelezen en er ook wel gebruik van gemaakt voor een paar preeken. Later zijn die artikelen afzonderlijk in een boekje uitgegeven (1905) en nu (1931) is een derde druk verschenen bij Kok te Kampen, in 't bekende zwarte bandje, waarin de deeltjes van de Korte Verklaring der Heilige Schrift gestoken zijn.
Wie den draad der zielsgeschiedenis van Job grijpen wil, moet beginnen bij het begin van het boek. Die moet naar Uz, een stad, waarschijnlijk in Aram gelegen — waarschijnlijk niet op het schiereiland Sinaï — omdat de „stadsche" beschaving, die Job en zijn huis omringt, daarop wel wijst. We moeten na de dagen van Abraham zijn, want Bildad de Subiet, zal wel een nakomeling zijn van Suah, een der zonen van Abraham en Ketura (Genesis 25 vers 2) en Elifaz is waarschijnlijk gesproten uit Ezau (Genesis 36 vers 11). Maar de geschiedenis zal wel niet later vallen dan de intocht der Israëlieten in Kanaan onder Jozua'i want in het gansche boek wijst niets op Mozaïsche instellingen, 't Meest' waarschijnlijk is, dat Job leefde tijdens Israels verblijf in Egypte en in de woestijn.
Job stond in de goede rechtsverhouding tot God (een „oprecht" man), en leefde ook zoo („vroom"). Er was geloofsbetrekking op God („oprecht") en een zichtbare geloofswandel („vroom"). Hij bewoog zich „in de goede lijn" („vroom"), 't Was bij Job zooals er staat in Spreuken 11 vers 3 : „De oprechtheid der vromen leidt hen", Hun Gods-verhouding beheerscht hun levenswandel. Rechtvaardig was Job („oprecht") en heilig in zijn wandel („vroom"). Ook bij Job vinden we geen heiligmaking zonder voorafgaande rechtvaardigmaking. Maar ook geen rechtvaardigmaking zonder heiligmaking. Dat komt naar twee zijden uit, dat Job oprecht en vroom is. Want hij is „Godvreezende" eenerzijds ; en „wijkende van het kwaad" anderzijds. Zijn verhouding tot God en zijn verhouding tot den naaste en tot heel het leven werd door z'n oprechtheid en vroomheid beheerscht. Zijn vroomheid omvatte beide, de godsvrucht en de zedelijkheid. Gelijk de rechtvaardigmaking het beginsel is van de heiligmaking, zoo ook de vreeze Gods 't beginsel van alle maatschappelijke deugd. Job was het tegendeel van den onrechtvaardigen rechter in de gelijkenis „die God niet vreesde en geen mensch ontzag". Bij dezen laatste was de Godsvrucht weg en dan vallen ook alle andere deugden weg. Die God niet vreest ontziet ook den mensch niet!
Nu vinden we in Psalm 37 vers 37 die zelfde deugden van Job terug. Daar staat: „Let op den oprechte en den vrome, want het einde van dien man zal vrede zijn".
Daar hebben we dus : 1. rechtvaardigmaking : 2. heiligmaking, en 3. heerlijkmaking. „Let op den oprechte en zie naar den vrome" (Psalm 25 vers 21, 22). Maar de heerlijkmaking blijft bij Job lang uit !
De heerlijkmaking blijft voor Gods kinderen ook 't verst verwijderd van de volmaking aan deze zijde van het graf.
Dat geldt ook voor Job. Het is een lange en een zeer moeilijke weg ! Maar de wandel moet ook gaan door het geloof, niet door het aanschouwen.
Job had vrede (1 vers 2—5). Maar dit beginsel der heerlijkmaking wordt hem tijdelijk ontnomen; o.a. opdat hij zal leeren verstaan, dat de ware heerlijkmaking aan gene zijde des grafs ligt. 't Moet daarom bij Job van het aanschouwen wég — om het meer te maken tot gelooven (Job 19) ; tot gelooven zonder aanschouwen ; tot gelooven bij gemis van al 't geen tegenwoordig is in dit leven. Terwijl het dan in het laatste gedeelte weer van geloof tot aanschouwen gaat, in de rijke zegeningen des Heeren, in dubbele mate verkregen door den man, die God vreest.
Van gelooven met aanschouwen gaat het tot gelooven zonder aanschouwen — in het eerste deel.
Van gelooven zonder aanschouwen tot gelooven met aanschouwen — in het tweede deel.
DE BLIK IN DE EEUWIGHEID.
Het Oude Testament spreekt niet zoo helder en klaar over de dingen aan de overzijde van het graf, dan het Nieuwe Testament. En voor de geloovigen der Oude Bedeeling valt het moeilijker een blik te slaan in de eeuwige heerlijkheid hiernamaals, dan 't voor de kinderen Gods onder de Nieuwe Bedeeling, door genade, het geval mag zijn. Daarom is de godsvrucht onder het Oude Testament ook meer verbonden aan zegening en heerlijkheid aan deze zijde van het graf. Daarin ligt het bewijs van Gods gunst en de verzekering des geloofs voor de harten der vromen. Wat nederbuigende goedheid God is, omdat het opklimmen in de eeuwige heerlijkheid aan gene zijde van het graf zoo moeilijk valt. Daarom vindt men bij de geloovigen van de Oude Bedeeling ook telkens dat terugbeven voor de duisternis van den sjeool, van de doodenwereld. En de stilte van het graf benauwt. Wat er verder en na deze precies zal gebeuren, weet men niet zoo helder en klaar.
Dat mag ons geen oogenblik verwonderen. Want de Heere leidt Zijn volk van stap tot stap op den weg des heils door Zijn voortgaande en opklimmende Godsopenbaring. Abraham wist niet wat Mozes wist; en Mozes wist niet wat David wist; en David wist niet wat Jesaja wist; en Jesaja wist niet wat Johannes de Dooper wist,En toch kreeg ieder z'n genoegzaam deel. In trappen zou het heil toenemen, maar in wezen was het ook voor de vromen der Oude Bedeeling volkomen. Ook de eersten hadden genoeg en de laatsten hebben niet te veel. Zoo gaat God als de groote Paedagoog met Zijn kinderen te werk. De schrijver van den Hebreënbrief (1 vers 1) zegt het zoo mooi: God heeft op velerlei wijzen en vele malen tot de Vaderen gesproken, maar is ten laatste gekomen tot ons met Zijn openbaring in den Zoon !
De eeuwigheid, het eeuwige leven, stond open en wachtte.
Overal weten de vromen dat. Maar ja — dat hun het licht nog niet was opgegaan wat óns geschonken is, dat staat vast.
„Voor ons" — zoo zegt prof. Van Gelderen in zijn boekje over „De hoofdpunten van de zielsgeschiedenis van Job", (bladz. 15) — „voor ons is het betrekkelijk licht om jenseitig te zijn (bij de dingen van de overzijde te leven), wijl we ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij als het Hoofd ook ons Zijne lidmaten tot zich zal nemen. (Held. Catech. Antw. 49). Maar onder den ouden dag had de overwinning des doods door Jezus Christus nog niet plaats gehad, al lag die ook vast in Gods besluit. Daarom vindt men bij de geloovigen van toen telkens dat terugbeven voor de duisternis van den sjeool (de doodenwereld), waar de Voorlooper nog niet ingegaan was. Maar daarom ook juist was het vóór de vromen van ouds zoo gewichtig, dat ze in hét zichtbare reeds op voorafschaduwing bezaten van de toekomstige heerlijkmaking"*
DE ZENDING EERTIJDS EN NU. (1)
Onder het Oude Testament was er geen Zending. De Gemeente des Heeren was besloten binnen de grenzen van één land en bevond zich onder één volk. Kanaan was het heilige land, door God afgezonderd, en Israël was het volk des Heeren, Hem tot een eigendom. Dat zou zoo blijven totdat de tijd des Heeren, te voren gesteld, vol zou zijn en Christus uit Israël zou voortkomen om te zijn een Zaligmaker der wereld.
Zendingsbeloften vinden we wel in het Oude Testament. In Genesis 22 vers 18 wijst de HEERE er reeds op, dat in het zaad van Abraham — aan welk volk Hij Zich als Bonds-God verbindt — alle volkeren der aarde zullen gezegend worden. Telkens lezen we dan ook, dat alle volkeren, dat heel de aarde opgeroepen wordt om den Heere te aanbidden en te dienen, omdat Hij het zoo waardig is. „Looft den HEERE alle heidenen, prijst Hem alle natiën, want Zijne goedertierenheid is geweldig over ons en de waarheid des HEEREN is in eeuwigheid. Halleluja". (Psalm 117).
Maar een Zendings bevel vinden we niet onder het Oude Testament. Men moet wachten tot de volheid des tijds daar is.
Heel de wereld, alle volkeren moeten opgeroepen worden. En de Heiland heeft daar toe aan Zijn Kerk bevel gegeven : „predikt het Evangelie aan alle creaturen!" Nu moet onder alle niet-christelijke volkeren. Joden, Heidenen, Mohammedanen, de Kerk van Christus worden uitgeplant.
Na de uitstorting van den Heiligen Geest en de formatie der eerste christengemeenten, lezen we al spoedig dat de Heilige Geest Zelf tusschen beide komt, door middel van de gemeente van Antiochië, om Barnabas en Saulus (Paulus) af te zonderen en te bestemmen tot de heidenzending (Hand. 13). Ze worden uitgezonden „van den Heiligen Geest" staat er (Hand. 13 : 4). God Zelf heeft Paulus geroepen tot „apostel der Heidenen" (Hand. 9). En in het boek de Handelingen lezen we hoe rijk en heerlijk God het werk der Zending gezegend heeft! Niet minder in de Brieven van Paulus.
Driemaal gaat Paulus een Zendingsreis ondernemen. Tijdens de tweede wordt op wondere wijze Europa als Zendingsterrein aangewezen. (Hand. 16).
De gemeenten zelf werden weer verkondigers van de blijde boodschap. Zoo lezen we, dat van de Gemeente te Rome in „de geheele wereld" gesproken werd. (Rom. 1 vers 8).
Wanneer we acht geven op ons eigen land, dan zien we dat hier, vooral vanuit Engeland, het Evangelie gebracht wordt. De eerste kerk in de Nederlanden werd in Utrecht gebouwd, de St. Thomaskapel (638) maar de kerstening van Nederland duurt een paar honderd jaar. Onder de Saksers doet het zwaard van Karel den Groote velen besluiten zich te laten doopen, wat nu niet precies het middel bij het werk der Zending is ! Bekend is de geschiedenis van Wittekind, den koning der Saksers (785).
Als Amerika — „de Nieuwe Wereld" — ontdekt is, gaat de Roomsche Kerk — die zich de Katholieke of Algemeene Kerk noemt — overal heen, om kerken te stichten. Wel ging deze kerstening zéér oppervlakkig, maar toch is deze arbeid van beteekenis als voorbereiding voor het latere Zendingswerk, door de Kerken der Reformatie gedreven.
Na de Reformatie ontbrak eerst vrijwel alle Zendingsactie. De Kerken hadden alle krachten noodig in den strijd om eigen bestaan en voor de uitbreiding in eigen omgeving. De vervolgingen door Rome en de Godsdienstoorlogen, telkens gevoerd, verhinderden bovendien om aan arbeid onder de heidenen en Mohammedanen (Mooren) te denken.
Een groot deel van Europa werd voor de Reformatie gewonnen. Maar van eigenlijke „Zending" was nog geen sprake.
Bovendien waren alle nieuw ontdekte landen in het bezit van de Roomsch Katholieke landen : Spanje en Portugal.
Toen echter in het begin van de 17de eeuw ook Nederland en Engeland in aanraking kwamen met de wereld van heidenen en Mohammedanen, werd het onmiddellijk anders. Nederland heeft hier de eere, het werk der Zending het eerst ter hand te hebben genomen. Andere landen dachten er toen nog niet aan.
Toen de eerste reis naar de Oost in 1596 plaats vond, werd er „iemand gecommitteerd om de gebeden te spreken of Gods Woord te lezen". Er werd dus gedacht aan de geestelijke verzorging onder de zeevarenden en aan den geestelijken arbeid in den vreemde.
Op de tweede reis werden er een tweetal ziekentroosters meegezonden, zoowel voor het scheepsvolk alsook om onder de Mooren (Mohammedanen) en heidenen te prediken. Kort daarna machtigde de Kerk van Amsterdam eenigen om te „vermanen" en te doopen.
Op de Dordtsche Synode van 1618—'19 werd besloten een verzoek te richten aan de Staten-Generaal, om de zaak van de Zending en de uitplanting van Christus' Kerk ter harte te nemen. De Kerk wilde het dus in handen van den Staat geven. Het eigenlijke Zendingswerk ging dan ook in die dagen niet uit van de Kerk, maar van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.).
De V.O.C, was zeer machtig, had volledige Staatsbevoegdheden, en moest alle belangen van den Indischen Archipel, ook de godsdienstige, behartigen.
Er is wel eens gezegd, dat de V.O.C, alleen met de Zending begon uit koopmansoverwegingen, om n.l. meer invloed te krijgen en haar gezag te handhaven. En zeker is het waar, dat de handelsbelangen een voorname rol speelden, maar ze waren toch niet de eenige drijfveer; althans bij velen. Sommige jaren heeft de V.O.C. niet minder dan ƒ 150.000.— uitgegeven voor de predikantstractement en de Bijbelverspreiding ; en dat in een tijd, toen de Kerk nog niets deed. Al is het dus af te keuren dat de Zending in handen was van een handelslichaam, toch moeten we waardeeren alles wat de V.O.C, gedaan heeft tot uitbreiding van het Christendom in Oost-Indië.
Predikanten, krankenbezoekers en school meesters werden door de Oost-Indische Compagnie uitgezonden en bezoldigd, al waren er ook wel Kerken, die bij dat werk van de V.O.C, nauw betrokken waren.
't Was zeer moeilijk geschikte personen te vinden. De meesten bleven ook slechts kort in Indië. Ook waren er telkens „tegenvallers".
In de 17de en 18de eeuw zijn er op deze wijze 254 predikanten uitgezonden naar Indië, Ceylon en Formosa. Het doel was : „het Evangelie van Jezus Christus te prediken tot zaligheid van alle volkeren".
Er heeft aan het werk van de V.O.C, veel ontbroken. Er was veel te weinig vastheid in den arbeid. Maar we mogen niet uit de hoogte op dit werk neerzien en enkel veroordeeling hebben. Met heiligen ijver en hartelijke toewijding is door velen gearbeid, dikwijls onder zéér moeilijke omstandigheden.
Toen de V.O.C, haar werk eindigde, waren er in Indië minstens 70.000 Inlandsche Christenen. Nog in onzen tijd behooren de gemeenten, toen gesticht, tot de beste van de inlandsche gemeenten in Indië.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's