De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

DE ZENDING EERTIJDS EN NU (2)
Na 't werk van de Oost-Indische Compagnie stond het zendingswerk een tijd stil. Maar aan 't eind van de 18de en in 't begin van de 19de eeuw kwam er verandering en ontstond er een nieuwe zendingsbeweging.
Met name moet hier genoemd worden de Broedergemeente (Herrnhutters). Gesticht werd in 1793 de „Broedersocieteit tot uitbreiding van het Evangelie onder de heldenen", later genoemd het „Zendingsgenootschap der Evangelische Broedergemeente". Bekend is het werk in West-Indië (Suriname).
Bewonderenswaardig is de zendingsliefde en de zendingsijver, die bij deze kleine groep openbaar wordt en beschamend is het, dat de Zending in West-Indië door anderen is nagelaten.
Verschillende genootschappen of vereenigingen zijn vervolgens opgericht, om den arbeid der Zending te organiseeren, aan te vangen en uit te breiden.
In 1797 werd het „Nederlandsche Zendelingen Genootschap" opgericht door een groep predikanten, kooplieden enz. Al meenen wij, dat de Zending van de Kerk moet uitgaan en niet van een vereeniglng, toch moeten we eerbied hebben voor de christen-mannen en - vrouwen, die in zulke moeilijke tijden van oorlog en revolutie zóó iets aandurfden, staande in het geloof !
Het Nederl. Zendelingen Genootschap wilde op een algemeen christelijk standpunt (geen wel-omschreven belijdenis en geen kerkelijk standpunt) staan — en dat was natuurlijk oorzaak, dat velen niet wilden meedoen. Als eenig doel werd genoemd: „Christus brengen tot de heidenen".
Het zendingsterrein van het Zendelingen Genootschap is thans Oost-Java, de Minahassa, Midden-Celebes en Deli. Het kan niet worden ontkend, dat er heel veel goed werk is verricht.
In 1821 werd te Barmen (Duitschland) het Rijnsche Zendingsgenootschap opgericht, dat ook door vele rechtzinnige christenen in Nederland werd gesteund.
Sinds 1836 werkt dit Zendingsgenootschap, dat in onzen Indischen Archipel en dus in de Nederlandsche koloniën zeer veel heerlijk werk heeft verricht, op Borneo en na 1863 op Sumatra, Nias en de Mentaweieilanden.
De Zendingsbelangstelling werd gaandeweg grooter. Vooral door de opwekking ten gevolge van het Reveil. Ds. O. G. Heldring en dr. Nic. Beets waren echte zendingsmannen.
Achtereenvolgens kwamen er in ons land de „Doopsgezinde Zending", de Ermelo'sche Zendingsgemeente, het Java-Comité te Amsterdam, het Sangi-en Talaud Comité, de Luthersche Zending, de Salatiga-Zending.
Maar op den voorgrond traden na 1860 drie Zendingsvereenigingen — naast het „Groote Genootschap" van 1797 — en wel:1. de Nederlandsche Zendings-Vereeniging 1858 ;
2. de Utrechtsche Zendings-Vereeniging 1859;
3. de Gereformeerde Zendings-Vereeniging 1861.
De Nederlandsche Zendings-vereeniging (1858) wilde staan op den beslisten grondslag van het persoonlijk geloof in Jezus Christus als den volkomen Zaligmaker. Ze sloot alle samenwerking met „modernen" uit. Haar arbeidsveld werd West-Java en Z.O.-Celebes.
De Utrechtsche Zendings-vereeniging (1859) koos een meer algemeenen grondslag.
Haar arbeidsveld werd : Nieuw-Guinea, Halmaheira en Boeroe.
De Gereformeerde Zendingsvereeniging (1861) had de Gereformeerde belijdenisschriften als grondslag en is later overgegaan in de „Zending der Gereformeerde Kerken". Haar arbeidsveld was Midden-Java.
In 1872 werd door de toenmaals Chr. Gereformeerde Kerk de Zending geregeld. Het arbeidsveld werd Batavia, Soerabaja en Soemba.
In 1892 is het Zendingswerk van de vroegere Chr. Gereformeerde Kerk en van de Gereformeerde Zendingsvereeniging vereenigd tot den arbeid van de „Zending van de Gereformeerde Kerken". Op de Synode van 1896 kreeg de verdere organisatie daarvan haar beslag.
De Chr. Gereformeerde Kerk in tegenwoordige organisatie heeft thans twee zendelingen, die werkzaam zijn op Z.O.-Celebes, in de nabijheid van het werk van den Gereformeerden Zendingsbond (Ned. Hervormd) .
Deze laatste Bond, uitgaande van de Gereformeerden in de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk (tot voor kort voorzitter dr. J. D. de Lind van Wijngaarden) werd in 1901 opgericht. Het zendingsterrein is Midden-Celebes (eerste zendeling was A. A. van de Loosdrecht). Orgaan : Alle den Volcke. Zendingsdirector ds. W. Bieshaar te 's-Gravenhage.
De Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband hebben als zendeling benoemd ds. H. A. C. Hildering, die zich thans in China voorbereidt om later onder de Chineezen op Oost-Java te gaan arbeiden.
Van veel beteekenis voor het werk der zending is het Nederlandsch Bijbelgenootschap. En wel door drie belangrijke dingen in het bizonder :
1. de zeer vele Bij bel vertalingen ;
2. de uitzending van taalgeleerden (dr. H. Kremer op Java ; dr. L. Onvlee Jr. op Soemba en dr. H. van der Veen op Celebes) ;
3. de uitzending van Zendingsconsuls, die contact brengen tusschen de verschillende Zendingscorporaties, zorgen voor een goede vertegenwoordiging bij de regeering en de raadgevers zijn van de zendelingen. Er zijn er thans twee : dr. N. A. C. Slotemaker de Bruine en mr. S. C. Graaf van Randwyck. (De eerste Zendingsconsul was het tegenwoordig Kamerlid Baron van Böetselser van Dubbeldam).

DE BERGREDE.
Waarschijnlijk heeft 3e openbare werkzaamheid van den Heiland drie jaren geduurd en is Hij driemaal met het Paasch feest in Jeruzalem geweest. „En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem", lezen we Joh. 2 vers 13.
Bij gelegenheid van het eerste Paaschfeest heeft Jezus met heiligen ijver de kooplieden en de wisselaars, die van het huis des gebeds een „moordenaarskuil" maakten, uit den voorhof der heidenen verdreven. Bij die gelegenheid sprak Jezus van Zijn dood (Joh. 2 vers 19—22), waaraan de discipelen later indachtig werden.
Zoo zette Zijn openbaar optreden leven onder het volk in.
„En als Hij te Jeruzalem was op het Pascha, in het feest, geloofden velen in Zijnen Naam, ziende Zijne teekenen die Hij deed" (2 vers 23).
We lezen dan verder dat de Heiland in den nacht een gesprek had met Nicodemus over de wedergeboorte. „Jezus antwoordde en zeide tot hem : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien" (3 vers 3).
Maar dan staat er ook, dat Jezus de Joden in Jeruzalem niet vertrouwde ; Hij wist veel te goed wie ze waren (2 vers 24). Rustig gaat Hij met Zijn getuigenis voort (2 vers 25), maar keert, na het Paaschfeest, weer naar Galilea terug, gaande door Samaria en houdt te Sichem, bij den Jacobsput het gesprek met de Samaritaansche vrouw over het levend water en de ware aanbidding van God, in geest en waarheid.
Te Kana in Galilea teruggekeerd, kwam tot Hem een koninklijke hoveling uit Kapernaüm, wiens zoon Hij genas...(4 vers 46 enz.).
Niet lang daarna  werd Johannes de Dooper door Herodes Antipas (die over Galilea en Perea viervorst was, terwijl Pilatus stadhouder was over Judea en Samaria), dien hij bestrafte omdat deze Herodias, zijns broeders vrouw, genomen had, te Machaerus in den kerker gezet. Nu nam Jezus het werk van Johannes over en liet in Galila de boodschap van hét Koninkrijk Gods weerklinken. In de synagoge te Nazareth paste Hij de profetie van Jesaja 61 op Zichzelf toe. „De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft Hij mij gezalfd ; Hij heeft mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart, " enz. (Lukas 4 vers 15 enz.). In den hoogsten zin was nu het Jubeljaar aangebroken. Maar de Heiland laat door voorbeelden uit de geschiedenis voelen, dat ook buiten het Joodsche volk Gods genade zal openbaar worden en dat van het Joodsche volk er zullen worden uitgeworpen. „En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld als zij dit hoorden, en opstaande wierpen zij Hem uit buiten de stad en leidden Hem op den top des bergs, op denwelken hunne stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen. Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg". (Lukas 4 ; Matth. 13 ; Markus 6).
„En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan vanwege hun ongeloof" (Matth. 13 vers 58).
Jezus vestigde Zelf toen te Kapernaüm, „Zijn stad geheeten.Matth. 9 vers 1 „en Hij kwam in Zijne stad" ; hier woonden Petrus en Andreas (Markus 1 vs. 29), misschien ook Johannes en Jacobus. Dichtbij lag Bethsaïda, de plaats van waar Mattheüs en Pilippus afkomstig waren.
Kapernaüm lag aan den N.W. oever van het meer Gennésareth; er was een tolhuis (Markus 2 vers 14) dat als grenskantoor diende; een garnizoen (Lukas 7 vers 8) en eene synagoge (Lukas 7 vers 5). De groote handelsweg van Damascus naar Jeruzalem en Egypte liep er langs.
Jezus is dus na Zijn verzoeking in de woestijn naar Galilea gegaan (bruiloft te Kana), is tegen Paaschfeest naar Jeruzalem opgetrokken (Joh. 2 vers 13) ; is ongeveer 9 maanden in Judea gebleven (van Paschen tot vier maanden vóór den oogst, dus van Maart tot December, Joh. 2 vers 13 ; Joh. 4 vers 35) en is toen naar Galilea teruggekeerd. Joh. 4; vers 1—4 (reis door Samaria) en heeft toen in Galilea gepredikt en gearbeid (Joh. 7 vers 1), - voornamelijk in Kapernaüm en Bethsaïda .
Hoe het daar gesteld was, lezen we o.a. Matth. 11 vers 21—24, waar staat: „Wee u, Chorazin ! wee u, Bethsaïda ! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en asch 'bekeerd hebben En gij, Kapernaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestooten wordert"-enz.
Wellicht hield Jezus in Galilea die reeks van gesprekken en toespraken, die wij samenvatten onder den naam Bergrede, die door Mattheüs in hoofdstuk 5, 6 en 7 is opgeteekend. Het is niet noodig, dat deze gesprekken alle op één dag zijn gehouden, maar de Apostel vertelt het ons als één stuk, dat bij elkaar hoort naar vorm en inhoud.
Onder welke omstandigheden is nu de Bergrede gehouden ?
In Jeruzalem was de Heiland eigenlijk al door de Joden verworpen, tegelijk als Hij Zich aandient als den Zoon des Vaders, den Koning van Sion, die komt in 's Heeren Naam. Na de tempelreiniging haten zij Hem en Jezus is Zich daarvan bewust. Velen geloofden in Hem, vooral van degenen die uit Galilea waren (Joh. 2 vers 23 ; 4 vers 45 enz.), maar.die van Judea waren verwierpen Hem en Hij spreekt aanstonds van Zijn lijden en sterven (Joh. 2 vers 21) enz.). Alles wijst er op, dat zij Hem niet zullen aannemen.
In Galilea teruggekeerd, wordt Hij te Nazareth uit de synagoge geworpen en vervolgd en bedreigd met den dood, enz.
Velen verwerpen Hem hier en elders en overal.
Er zijn er ook, die in Hem gelooven.
En dan zit de Heiland daar op den berg in den kring van Zijn discipelen en vrienden (Lukas 6 vers 20), terwijl de vijanden en tegenstanders ook niet ontbreken. En dan. spreekt Hij Zijn bekende rede, die wij kennen als de Bergrede.
Natuurlijk komt Jezus hier niet, om de Wet af te schaffen of opzij te stellen en nieuwe wetten te geven. Want Hij heeft altijd gezegd, dat Hij niet is gekomen om iets nieuws te leeren. Hij komt niet om het oude te ontbinden en te veranderen. Op geen enkel terrein komt de Heiland nieuwe denkbeelden verkondigen. Hij leeft bij de Schriften en bij hetgeen aan de Vaderen is geopenbaard, en Hij komt om de Wet vol te maken en te vervullen ; Hij komt ona den kinderen Abrahams de geopenbaarde waarheid Gods geestelijk bij te brengen tot zaligheid, voor een iegelijk die in Hem gelooft en voor Hem leeft.
Daarom reeds is het verkeerd in Jezus den prediker van een nieuwen godsdienst te zien en Hem te huldigen als een godsdienstig genie. Hij kwam om aan Zijn volk te leeren wat zij van God ontvangen hadden, maar dan moesten ze het echt, geestelijk leeren kennen en niet vleeschelijk en uitwendig. Nieuwe en oude dingen bracht Hij voort uit de schatkamer, die Jehova in Israël had gevuld, voortzettende het werk der profeten, die Hem
waren voorgegaan.
Wanneer Jezus b.v. leert, dat de hoofdinhoud van de Wet is : „heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf" — dan is dat precies hetzelfde wat Mozes
aan Israël geleerd heeft. (Deut. 6 vs. 5, 13 enz.).
Er zijn er wel, die zeggen, dat het Oude Testament met uitwendige dingen komt, wetten en geboden die opgelegd zijn tot een slaafschen dienst en dat Jezus iets anders en iets hoogers geleerd heeft: geest en leven. Het Oude Testament zou dan de letter zijn, het Nieuwe Testament het leven. Maar leg nu eens naast hetgeen de Heiland tot den rijken jongeling zegt (Matth. 22 vers 37) over het liefhebben van God boven alles — 't geen Mozes zegt (Deut. 6 vers 5) : „Zoo zult gij den Heere uwen God liefhebben met uw gansche hart en met uw gansche ziel en met al uw vermogen". En Deut. 6 vers 13 : „Gij zult den Heere uwen God vreezen en Hem dienen".
Wat voor verschil is er dan ?
Het Oude Testament leert, dat het met uitwendige dingen niet gaat en het Nieuwe Testament zegt bij monde van den Heiland : „Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere, Heere ! zal ingaan in het Koninkrijk Gods" enz. (Matth. 7 vers 21).
Men mag wel „Heere" zeggen, ook wel met diepen eerbied „Heere, Heere" — dat zal ons niet buiten 'het Koninkrijk Gods houden — maar als het alleen uitwendig is en het is geen binnenwerk, ja; dan zal het dood zijn. En wat dood is zal uitgeworpen worden — leert de Heiland, in aansluiting aan de Schriften.
Oud-en Nieuw Testament zeggen hier precies het zelfde. Trouwens de Heiland komt nooit om iets nieuws en iets anders te leeren, dan de Heere aan Zijn oude volk Israël heeft bekend gemaakt, tot eere Zijns Naams en tot zaligheid van zondaren.
Zoo zien we ook in de Bergrede niet iets nieuws van een nieuwen wereldleeraar of wereld-Messias. Het Is het oude Evangelie, door Jezus op bizondere wijze gesproken nu, geheel overeenkomstig de Schriften.
Wie Jezus' uitspraken hier tot iets héél aparts gaat maken, gaat fout. We moeten den Heiland hebben, zooals Hij is in heel het Evangelie, waarbij dan de Bergrede een onderdeel van 't geheel is. Lukas geeft deze z.g.n. Bergrede in verkorten vorm weer. Mattheüs beschrijft haar breedvoerig, als één geheel haar nemend. En dan voelen we, dat de Heiland voor vriend en vijand wil verkondigen dat het Koninkrijk Gods komt niet met uitwendig gelaat, ook niet bestaande in allerlei uitwendige dingen, maar dat het gaat om geest en leven.
Zij was allereerst gericht tot den kring van Zijn leerlingen, om hen nader in te lichten en te troosten (Lukas 6 vers 20 : „En Hij zijne oogen opslaande over Zijne discipelen, zeide" enz.).
Zalig zijn de armen van geest — Zalig zijn die treuren — Zalig zijn de zachtmoedigen — Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid — Zalig zijn de barmhartigen — Zalig zijn de reinen van hart — Zalig zijn de vreedzamen — Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil — Zalig zijt gij, als u de menschen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil — Verblijdt en verheugt u ; want uw loon is groot in de hemelen ; want alzoo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn. (Matth. 5 vers 3—15).
Aan het oog van den Heiland, die nu reeds zooveel heeft ervaren in Judea en Jeruzalem, evengoed als in Galilea, gaan voorbij de profeten Gods — en Hij ziet nu Zijn discipelen en allen die Hem wenschen te volgen, niet om den broode, niet om aardsche goederen, niet orh eer van menschen, maar om Gods wil, met een oprecht hart.
Hij ziet ze en Hij weet hun lot en weg voor deze aardsche bedeeling.
En dan komen die Zaligsprekingen in de Bergrede.
Wat leert de Heiland hier dus ?
Allen in wie iets van het leven Gods te bespeuren is, worden zalig geprezen; 'ook zij, die om Zijnentwil vervolgd worden.
Hij noemt Zijn discipelen het zout der aarde en het licht der wereld.
Hij is niet gekomen om de Wet en de Profeten te ontbinden, maar om die te vervullen ; en Hij plaatst vijf maal Zijne hoogere en diepere opvatting van de Wet tegenover hetgeen door de ouden gezegd is.
Daarbij treedt Hij niet op om nieuwe wetten te geven, maar om het echte en rechte beginsel van de Wet uit te dragen en den waren geestelijken zin aan te geven — in aansluiting aan de Schriften — tegenover de leeringen van hen, die alles veruitwendigen en vermoorden door eigen zinnige regels van „raakt niet en smaakt niet en roert niet aan".
Scherp waarschuwt de Heiland tegen alle vertoon en eerzucht bij het geven van aalmoezen, bidden en vasten, en geeft als voorbeeld van een gebed zonder ijdel verhaal van woorden het Onze Vader.
Tegen 't vergaderen van aardsche schatten, tegen het willen dienen van twee heeren (God en den Mammon) waarschuwt Hij, evenals tegen alle bezorgdheid.
Ten slotte waarschuwt Hij ernstig tegen de valsche profeten en laat in de gelijkenis van de twee huizenbouwers zien, hoe het niet moet en hoe het wél moet.
Het fundament is van beslissende beteekenis. En het moeten niet alleen woorden zijn in het Koninkrijk Gods, maar het geloof in liefde werkende ; het geloof omgezet in daden.
„En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over zijne leer, want Hij leerde hen als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden" (Matth. 7 vers 28, 29).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's