De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

GEEN GEWONE GOLVING.
In het economisch leven van een volk, doen zich voor tijden van voorspoed en tijden van gedruktheid.
Het zijn de tijdperken, zooals men die noemt, van hoog conjunctuur, als alles voor den wind gaat en van laag conjunctuur, als de tijldsomstandigheden ongunstig zijn. Die golvingen in het economisch leven zijn de up's en down's, die elkander regelmatig afwisselen.
Ook ons volk kent de tijden van opleving en opbloei van handel en nijverheid, van landbouw en veehouderij, maar eveneens weet het mee te praten van tijdperken van depressie (inzinking) en achteruitgang van zaken, waarin het als 't ware alles tegenIoopt en armoede en werkloosheid voor de deur staan.
Die tijdperken, van depressie — zoo leert de geschiedenis  — zijn verschillend van duur. Om niet verder terug te gaan dan de vijftiger jaren van de vorige eeuw, duurde de in 1857 optredende verstoring van het bedrijfsleven ongeveer 12 maanden, die van 1873 daarentegen 30 maanden. De depressie, die in 1884 een aanvang nam, duurde 22 maanden, die van 1887 10 maanden. De malaisetijd van 1893 en 1903 nam 25 maanden in beslag. Wat de crisisjaren 1907, 1914 en 1921 betreft, kwamen de volken en ook ons volk er gunstig af, omdat toen de grootste ellende, respectievelijk na 12, 8 en 14 maanden geleden was.
De wereldcrisis die wij thans beleven, begon met de krach (hevige schok in zaken) van 19 November 1929 op de New-Yorksche Effectenbeurs, toen een groot aantal fondsen plotseling in sterke mate daalden; zij duurt dus reeds 26 maanden en evenaart de crisis van 't jaar 1873, die — zooals wij hierboven schreven — 30 maanden duurde.
Echter heeft men bij de huidige verstoring van het bedrijfsleven, die in hevigheid elke vorige crisis te boven gaat, niet uit 't. oog te verliezen dat de wereldcrisis van dit oogenblik geen gewone conjunctuurgolving is, doch in aard en karakter van al haar voorgangsters verschilt.
Het wordt toch meer en meer openbaar, dat hoewel de economische inzinking, die thans de volken teistert, zich eerst in November 1929 deed gevoelen, haar oorzaak toch veel verder in het verleden ligt.
Daarvoor móeten wij terug naar den we­reldoorlog van 1914. Van dien wereldoorlog is de wereldcrisis het gevolg.
En juist dit feit maakt de oplossing van het probleem zoo moeilijk.

DE VERDWAASDE MENSCH.
Het is ontstellend, hoe groote groepen van ons volk voortleven, alsof er niets om hen heen gebeurt.
De wereldcrisis gaat dezen menschen voorbij.
Het is met hen gesteld als met degenen, van wie in de Schrift wordt gesproken : „Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk".
Deze lieden vragen niets anders dan brood en spelen.
In de groote steden van ons land verdringen zij elkander aan de loketten, om een plaats te bemachtigen voor de een of andere publieke vermakelijkheid.
Schouwburgen, bioscopen en dansgelegenheden zijn avond aan avond tjokvol.
Uit de hoogere opbrengst van de belasting op de openbare vermakelijkheden in 's-Gravenhage kan worden vastgesteld, dat b.v. de bioscopen in de Residentie in 1930 aan entreegelden ƒ275.000.— meer ontvingen dan in het jaar te voren.
En zooals liet in 1930 ging, is het ook in 1931 gegaan.
Een voorbeeld daarvan geeft de Haagsche Post. Dat blad deelt mede, dat het circus Sarrassani tijdens zijn verblijf te Amsterdam in drie weken tijds ƒ500.000 had ontvangen en dat in dit zelfde tijdverloop de bioscooptheaters geen nadeelige gevolgen door het optreden van het paardenspel hadden ondervonden.
Zoo wordt de pret en, het vermaak voortgezet, alsof de mensch in de meest normale tijden leeft.
De burgemeester van 's-Gravenhage, die voornemens was om de voorjaarskermis in den Dierentuin aan eenige beperking te onderwerpen, moest over dit voornemen in den Haagschen Raad heel wat hooren. Zelfs oefenden de Vrijheidsbondsche raadsleden, die anders den mond vol hebben over versobering van het leven, scherpe critiek op 's burgemeesters beleid.
De mensch is in onzen tijd meer dan verdwaasd.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's