MEDITATIE
Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob ; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De Heere, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem Numeri 23 vers 21.
Ja, ja. Satan had zijn plan goed in elkander gezet: Bileam zou het volk Gods vloeken. Listig zou hij ondergraven het heerlijke en rijke genade verbond, dat God met Zijn volk had gesloten. Geen zegen, maar vloek. Alles was klaar, de altaren gereed, de offeranden rookten. Bileams mond opende zich. Satan spitste, met een helschen grijnslach op zijn aangezicht, zijn ooren en hoor, een vloek, een vervloeking ? neen Satan, neen hel, een zegen, een heerlijke zegen, rijke zegen komt er van de lippen van Bileam.
En Satan hoorde van zijn eigen profeet zijn eigen oordeel. Dacht gij, dat God een man was, en liegen zou, een menschenkind, dat het Hem berouwen zou. Zoude Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken ?
Waarom toch zoo iets wonderbaarlijks ? Was dat Jacobsvolk, dat bedriegersvolk, was dat Israël dan zooveel beter dan andere volken, dat God de Heere daar zoo'n speciale bemoeienis mede had. Kon God de Heere er wellicht eer mede behalen hier beneden ? Dan waren er toch nog wel andere volkeren in dien tijd, machtige, groote volkeren, waar meer eer mede te behalen was. Was hun boosheid wellicht nog niet zoo hoog geklommen als die der andere volkeren rondomme ? Was er misschien nog iets in dat volk, waarom Gods oog juist op hen gevallen was ? Ja, zoo rekent en redeneert de mensch, de menschelijke wijsheid, de menschelijke vroomheid. Neen, de grond dat God dat volk verkoor, de grondslag niet in dat volk, maar 't was Zijn uitverkiezende en vrijmachtige genade ; niet om zijn veelheid, niet om zijn uitnemendheid, maar Hij deed het om Zich Zelfs wille alleen.
Vraagt ge naar de reden, er is maar één antwoord : Door Hem, door Hem alleen, om j het eeuwig welbehagen, dat Hij nog altijd heeft in een volk, dat niets Is, om dat heerlijk en gansch begeerlijk voor Zijn aangezicht te stellen ! !
Zie daarom ook dit rijke woord uit Numeri, dat zwaar is van zegen. Niet aanzien de ongerechtigheid in Jacob, niet aan-' zien de boosheid in Israël. God de Heere grijpt in dit woord naar het centrum van het leven, het hart, die vuile bron van wanbedrijven. Er staat niet van Jacob, van Israël, maar zoo goddelijk juist: in Jacob, in Israël. Het is geen zaak van uiteriijkheid, van den buitenkant, zoo in het oppervlak-' kige bezien, maar het is een doordringen tot in de verborgenste schuilhoeken van het leven, zooals ons Doopsformulier het zoo juist typeert, in zonden ontvangen en geboren. In Jacob, in Israël, o die zwarte lijst van Paulus, uit 't hart des menschen komen voort In dat woord stelt de Heere God den mensch voor Zijn aangezicht als melaatsch van den hoofdschedel tot de voetzool toe, als een dien Hij moet verwerpen, die niet kan bestaan voor Hem, een vrucht van de buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden. Ja, God de Heere moest hem aanzien in hemzelf, om zijn gerechtigheid wille, en zie hier nu eens welk een woord ! Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jacob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. O, diepte van genaderijkdom, o onnaspeurlijke genadeweg Gods met Zijn gekenden, met Zijn eigen volk, met Zijn Jacobsvolk, met Zijn Verbondsvolk. Dat is een woord om klein, o zoo klein te worden, om uit te roepen, uit te schreien : welk een God heeft toch Zijn volk. Want, wie door Gods genade en het ontdekkende licht des Heiligen Geestes zich zei ven heeft leeren kennen in al zijn nood en zonde, ongerechtigheid en verlorenheid, die moet het uitklagen : Heere, met mij kunt gij niet meer te doen hebben ! Heere, gij moet mij verwerpen, want ik kan niet bestaan voor Uw aangezicht.
En hoe dieper mag worden gedolven onder het licht des Geestes, hoe meer de onmogelijkheid groeit dat er nog iets hier binnen gevonden wordt, waaraan God een welgevallen zou hebben, hoe duidelijker het Zijn kind wordt, dat hij van nature van den hoofdschedel tot de voetzool toe gansch verwerpelijk voor God den Heere terneer ligt. En van zulk een Evangelie wil de mensch van nature niet weten. Dat gaat in tegen het natuurlijke vrome en hoogmoedige hart, dat altijd nog wat wil zijn voor God den Heere, dat altijd nog meent iets te hebben voor Hem, waarom God de Heere hem genadig zou kunnen zijn. Maar God neemt Zijn kinderen op school en leert het Zijn kinderen door Zijn genadeonderwijs. O, 't gaat soms moeilijk, want het zijn veelal zware lessen en Zijn kinderen zijn o zoo hardleersch, maar Hij laat Zijn kinderen niet gaan, Hij laat ze niet los ; zij zullen en moeten het leeren dat bij hen geen gerechtigheid is, maar wel ongerechtigheid, en dat zij mitsdien onder het oordeel liggen en God de Heere hen om hun zelfs wille moet verwerpen; dat er hij hen geen uitkomst, redding en heil te vinden is, maar wel een eeuwig omkomen.
O, voordat Zijn kind wijs wordt ten eeuwigen leven, daarvoor moet het tot aan zijn dood toe op de „Bijzondere School", waar de Heilige Geest de groote Leermeester is. Dat is geen volksschool, maar de school voor Gods volk. En zie, tot dat volk, dat dagelijks weer mag leeren een volk in de diepte te zijn, dat zich eiken dag meer en meer leert kennen door Gods genade in al zijn ellende en nood, dood en verlorenheid, tot dat volk, dat gedurig heeft leeren klagen : O, Heere God, als Gij mij aanziet in mijne ongerechtigheid en boosheid, dan moet ge mij verv/erpen voor eeuwig, tot dat volk, dat heeft leeren roepen : Uit diepten van ellende, roep ik tot God omhoog ; tot zulk een volk, dat mag uitroepen: mijn God, vaar is mijn moed, mijn hoop gebleven ; ik ben vergaan in al mijn angst en rouw — tot zulken komt Hij met de blij mare van het Kerstfeest: u is heden geboren de Zaligmaker, om wiens wille Hij niet aanziet de boosheid en ongerechtigheid van Zijn volk, en door donkere wolken breekt door de genadetijding : wat onmogelijk is bij menschen, is mogelijk bij God.
Hij neemt de ongerechtigheid in Jacob . en de boosheid in Israël en Hij legt ze neer op Zijn Zoon der liefde, Jezus Christus, want dien, die geen zonde heeft gekend, heeft God tot zonde gemaakt voor Zijn volk. O, onbegrijpelijk en nooit te doorgronden verlossingsgeheim ! Wat Zijn volk verdiend heeft, dat krijgt het niet; wat 't niet verdiend heeft, ja, nooit kon verdienen, dat krijgt het. Verwerpen, ja, dat moest God Zijn volk, nochtans is Hij 't genadig. Verstooten, ja, dat moest God, nochtans breidt Hij Zijn genadige handen ter bescherming er over uit. Ga weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid ; nochtans: Keert weder, keert weder, gij afkeerige menschenkinderen. Neen, dat is geen tijding voor het natuurlijk verstand, voor 't onwedergeboren harte, maar dat is een tijding voor het verbroken harte en voor den verslagene van geest. Onverstaanbaar voor een mensch, die geen zonde kent en geen ongerechtigheid heeft. Onbegrijpelijk voor een mensch, die het nog van zijn vroomheid en eigengerechtigheid verwacht. En de wereld, de wereld, och, die gaat dat woord schouderophalend voorbij, dwaasheid, of met een schamperen lach op het gezicht, ergernis !
Maar voor een verloren en schuldig volk, waarin geen goed woont, voor dezulken Is dat woord als water op een dorstige ziele. Ja, voor dezulken, die achter die pilaar van hun schaamte voor God de handen hebben leeren uitstrekken naar Uw altaren, Heere der Heirscharen, en smeeken : O God, wees mij zondaar genadig — voor dezulken is dat een woord van wondere zaligheid. Ja, dezulken grijpen dat woord der genade aan, als de drenkeling de reddingsboei, want in dat woord ligt hun redding, hun heil, hun zaligheid.
Welgelukzalig het volk, dat het geklank van dat woord kent: God ziet mij niet aan in mijn ongerechtigheid en boosheid. Want elke dag getuigt weder tegen ons. Wat een genade, als Zijn kinderen 's avonds de knieën mogen buigen en in den geloove hebben leeren smeeken : Heere, zie ook dezen dag mij niet aan in mij zelven, maar zie mij aan in Christus Jezus, mijn Borg en Middelaar. En al zal wereld en Satan en eigen vleesch en bloed er vaak tegen in gaan en die vijand uwer ziele u aan 't twijfelen willen brengen, u dat kostbare pand willen ontrukken, houdt dat woord vast als een schild tegen alle vurige pijlen van Satan. Houdt dat woord vast, al gaat alles er ook tegen in, al zal alles u veroordeelen, houdt het vast! Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jacob, noch de boosheid in Israël. Blijft geduriglijk putten uit die bron, die in Christus Jezus zoo rijkelijk vloeit voor allen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die alleen voor God den Heere kan bestaan.
En gij, die wel uw zonden en boosheid kent, maar nog niet uw Zondevernieler, Jezus Christus, moge God de Heere het ook u eenmaal licht maken om bij eigen verlorenheid en schuld Hem te aanschouwen, die niet alleen voor overtreders heeft gebeden, maar ook heeft geleden den bitteren en smadelijken dood des kruises. En die het nog meent in zich zelven te vinden, bouwend op eigen vroomheid of gerechtigheid, weet 't, gij zijt op een doodelijken weg ; daar is maar één Evangelie en daar blijft maar één Evangelie waardoor een schuldig en verloren volk wordt behouden, en dat is : niet uit mij, neen, niets uit mij, maar 't al uit Hem, zoo, maar ook op geen andere, zoo komt Zijn volk. Zijn eigen gekocht volk in Jeruzalem.
Dat is het volk, dat mag roemen : de Keere onze God is met ons : des daags gaat Hij voor in een wolkkolom, des nachts in een vuurkolom, ja, het gaat wel door de woestijn, en die woestijn kan heel wat opleveren, kinderen Gods ! denkt aan oud-Israël, veel doornen en distels, de reismantel gescheurd, de voeten gewond, maar het Kanaan der ruste wenkt, en zij trekken. Zijn gekenden, zij trekken voort onder het geklank van den Koning en moedigen elkander aan : daar, daar ligt Jeruzalem Ja, onder dat koninklijk geklank trekt Zijn volk voort.
Het geklank van den Koning is bij hen. O, zij kennen het geklank van hun Koning zoo goed. Zij weten het wel te onderschelden. Want ook daar is zooveel geklank, niet alleen in de wereld, maar ook in de Kerk, maar daar is maar één geklank van den Koning. Zoo als oud-Israël optrok onder het geklank van den Koning, zoo trekt ook het Israël des N. Verbonds op onder het geklank van den Koning der Eeuwen, Jezus Christus.
En ook zij wenschen de bazuinen zuiver te houden. Welgelukzalig dat volk, dat naar Uw klanken hoort, dat gedurig mag optrekken onder dat zuivere geklank van dien Koning. In vreugde en smart, in moeite en nood, in zonde en schuld, in verderf en dood. Woorden, heerlijk, om Zijn volk daarvan te hooren zingen in Uwe voorhoven, o Heere der Heirscharen !
Maar nog heerlijker om zelve met hart en mond in de tente des Heeren te kunnen meezingen. Vooral in dezen tegenwoordigen tijd, in dezen wanhopigen tijd, waar het ongeloof en de revolutie zijn vanen ontrolt, cm te kunnen juichen : de Heere is aan de spits getreden ; de Heere is mij tol hulp en sterkte, Hij is mijn lied, mijn psalm gezang ; Hij is het die mijn heil bewerkte, dies loof ik Hem mijn leven lang. Zie, dan krijgt Zijn volk weer moed, sterkte, hoop, verwachting, dan worden de gewaden der treurnis door Zijne hand afgenomen en Hij maakt Zijn treurend volk weer tot een juichend volk. Want ach, daar is zoo veel vaak wat Gods kinderen de hoop en den moed ontneemt, het geloof is vaak zoo klein en zwak en Satan is zoo sterk en het ongeloof, ook in eigen hart, vaak zoo groot; maar als Zijn volk dan maar weer het geklank van zijn Koning hoort, dan scheuren de wolken, dan breekt weer door de moed, het geloof, de hoop, de verwachting, want Zijn volk weet ihet wel, het is Israels God die krachten geeft, van Wien Zijn volk de sterkte heeft, looft God, elk moet Hem eeren.
O, mocht maar meer en meer dat geklank van den Koning weerklank vinden in de harten. Mocht maar meer en meer die Koninklijke genadeklank ook het harte van Zijn volk vervullen. O, volk des Heeren, wiens lust het is op Zijn wenk te staren, worde ook uw harte meer en meer vervuld van dat geklank ; strijdt voor, lijdt voor dat geklank, bidt om dat geklank van dien Koning. Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jacob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël, 't Is een troostwoord, het is een machtwoord, ja, tenslotte het is een overwinningswoord ! Want als straks de voetstappen van den Koning der Verschrikking worden gehoord, ja, dan valt Satan nog voor hét laatst aan met opgeheven vaan, ja, juist bij die des Heeren zijn. Dan blaast Satan op zijn bazuin : verloren, oordeelend, verdoemend. God lof, het geklank van den Koning is bij Zijn volk. Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Zijn volk. Hij ziet Zijn volk aan in Zijn Gezalfde, Jezus Christus, en het geklank van den Koning roept uit: behouden — behouden.
Rampzalig, die niet wil optrekken onder het geklank van dien Koning. Het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen zien. Maar ook Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort.
Zij wand'len. Heer, in 't licht van 't godd'lijk aanschijn voort;
Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden.
Uw goedheid straalt hen toe. Uw macht schraagt hen in 't lijden,
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen.
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhoogen.
N.-Beijerland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's