KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE ETHISCHEN.
In de Vragenbus van de „Gereformeerde Kerk" (Confessioneel orgaan) lazen, we een antwoord van ds. Lingbeek, van Urk, op een vraag die betrekking had op de Ethischen, voornamelijk wat hun verhouding tot het Woord, tot den Bijbel betreft. De vrager meende, dat de Ethischen den Bijbel namen als een boek, geschreven door vrome menschen, zooals er wel meer boeken, van vrome menschen zijn (van Da Costa enz. Ds. Lingbeek antwoordt dan dat dit niet bij alle Ethischen zoo staat wat hun Bijbelbeschouwing betreft. Hij zegt:
Daarom kunnen wij niet instemmen mee hen, die b.v. de gedichten van Da Costa evenzoo goed beschouwen als geïnspireerd als Gods eigen Woord.
Toch durven wij dat laatstgenoemde gevoelen nog niet Ethisch te noemen. Allen, die voor Ethisch doorgaan, of daarvoor willen doorgaan, denken over deze dingen lang niet gelijk.
Wijlen professor Gunning, één der vaderen van de Ethische richting, placht den Bijbel kort en goed te noemen : het Woord van God.
En wijlen de Ethische professor P. J. Muller, indertijd als hoogleeraar de leermeester van den Vragenbusschrijver, placht op het college te zeggen : de Bijbel, zooals die reilt en zeilt, is Gods Woord.
De naam „Ethisch" duidt niet aan een zekere leer of geloofsvoorstelling. Veeleer wordt daardoor aangeduid een zekere verhouding tegenover God en hetgeen Hij heeft geopenbaard.
Als wij met een voor eenvoudigen verstaanbaar woord moesten weergeven wat de Ethischen zelf verstaan onder Ethisch of daarmee bedoelen, dan weten wij daarvoor geen ander woord dan het woord „bevindelijk".
De Ethischen bedoelen : wat God in Christus heeft geopenbaard is geen zaak, die gij kent als gij er van verstandelijk op de hoogte zijt; het wordt bevindelijk gekend ; het betuigt zich aan hart en geweten.
Daar ligt een waarheid in, maar ook een gevaar.
Het gevaar, dat men zijn eigen ervaring maakt tot regel of tot maatstaf der waarheid. En dan kan men komen tot een z.g. Ethische leer, die eigenlijk Remonstrantsch is of op andere punten afwijkende van Schrift en belijdenis".
Dat antwoord van ds. Lingbeek deed ons denken aan hetgeen indertijd — 't was 21 October 1920, op een vergadering van de Vereeniging tot versterking van het* ethisch beginsel, in Utrecht gehouden — dr. J. F. Beerens, Herv. pred. te Utrecht, over dat .Ethisch" zei. Hij zei : „'t Zijn niet de menschen, die het niet zoo nauw nemen met de waarheid ; 't zijn niet de menschen, die zich tevreê stellen met een „afgezakte theologie" ; die in de algemeene verzoening gelooven ; die de heiligmaking op den voorgrond plaatsen; die „Heer" zeggen, die nieuwe gezangen zingen, die vrij met de kerkelijke liturgie omspringen, die aan „critiek" doen".
„Er zijn predikanten en gemeenteleden, die al deze kenteekenen vertoonen en niet ethisch zijn. Zooals er omgekeerd menschen zijn, die geregeld de wet laten voorlezen, enkel Psalmen zingen, „Heere" zeggen ; beweren, dat zij niet aan „critiek" doen en toch ethisch zijn".
„Ethisch is men, wanneer men den godsdienst beschouwt als iets dat de geheele persoonlijkheid raakt, niet in de eerste plaats het verstand, maar het hart, het centrum der persoonlijkheid".
„De Ethischen leggen den nadruk op het zedelijk karakter der waarheid in tegenstelling met Confessioneelen en Gereformeerden, die het intellectueele karakter op den voorgrond brengen, al ontkennen zij natuurlijk dat zedelijk karakter niet".
Als we dit antwoord en deze omschrijving en uitlegging van dr Beerens nu goed begrijpen, dan zegt hij : de Ethischen zijn niet te herkennen aan Heer of Heere, aan algemeene verzoening of particuliere genade, aan Bijbelcritiek of geen critiek — dat zijn de kenmerken niet van de Ethischen.
Ethisch is men als men den godsdienst beschouwt als iets dat den geheelen mensch raakt — en als men op het zedelijk karakter der waarheid den nadruk legt.
Als we zoo iets lezen, dan worden we altijd een beetje kriebelig, en dan komt het bij ons altijd tot aan de lippen : de Ethischen moesten nu eens ophouden om zich dien naam op dien grond toe te eigenen en op die gronden een Vereeniging van Ethischen op te richten, waarmee dan onomwonden uitgesproken wordt dat bij de Confessioneelen en de Gereformeerden de godsdienst b.v. alleen maar zetelt in het hoofd en dat bij die lieden het zedelijke karakter der waarheid er minder op aan komt, daar zij zich tevreden stellen met het verstandelijk belijden, enz.
Maar bij de Confessioneelen en de Gereformeerden wordt geleerd, dat de godsdienst zetelt in den geheelen mensch en beslag legt op hoofd, hart en hand, op alle zielefuncties en alle levenshoudingen en elke levensactie, op alle levensgedragingen op alle levensterreinen. „Wij gelooven met het hart en belijden met den mond" enz. V/at men in elke Gereformeerde Dogmatiek kan lezen, in elke Gereformeerde .preek kan hooren, uit elke Gereformeerde verhandeling kan vernemen nu sinds meer dan 300 jaar.
De Ethischen moesten dan ook eens ophouden om zich dat woord ethisch speciaal toe te eigenen, met de pretentie dat zij de menschen zijn van de zedelijke waarde der religie en van het centrale karakter der religie, enz.
Maar 't gaat tusschen Ethischen en Gereformeerden over den objectieven, Schriftuurlijken inhoud Van ons gelooven met 't hart en ons belijden met den mond, van onze leer en van ons leven.
Het gaat om de belijdenis, als wederwoord der Kerk en van den geloovige op 't geen God ons in de Heilige Schrift heeft geopenbaard — of onze belijdenis als religieuse ervaring "en als geloofsbezit van de gemeente als subject in religieuse vrijheid gedresseerd.
Wil men niet te veel den kant van den vromen mensch uit, waarbij het subjectieve element zooveel vrijheid zich voorbehouden wil, dat zij, die niet bij eigen gedachten leven, maar bij de gedachten Gods, in Zijn Woord ons ordelijk geopenbaard en voor alle eeuwen vastgelegd, dikwijls het gevoel krijgen, dat wij ten opzichte van den objectieven inhoud van het waar zaligmakend geloof (Zondag 7 Heidelb. Catech.) het niet met elkaar eens zijn. En waarbij de naam „Christus-belijder" ook dikwijls helaas ! niet zonder meer de brug kan zijn tot vereeniging bij éénerlei actie. Want dat „Christus-belijder" heeft toch ook weer z'n sfeer, z'n grond, z'n inhoud — waarover dan juist niet zelden geen eenstemmigheid bestaat. Het subjectieve element bij de Ethischen is zóó sterk, dat het de Godsgedachten, in de Schrift ons geopenbaard, niet zelden in tal van opzichten verwaarloost, waarbij over de heilsfeiten gesproken wordt in een zin, dat het volstrekte er van eigenlijk verloren gaat en de autoriteit van Gods Woord eigenlijk op losse schroeven komt te staan. Waarmee men het zelf eens is, wil men aanvaarden maar wat buiten eigen „sfeer" staat legt men naast zich neer.
Hoe het zij : wij kunnen en willen niet aanvaarden, dat de Gereformeerden den godsdienst stellen in het verstand en de zedelijke waarde van de religie verwaarloozen.
In dit opzicht zijn de Gereformeerden zoo ethisch als de Ethischen maar denken. Wij weigeren te aanvaarden, dat het Gereformeerd Protestantisme en de Gereformeerde theologie dor intellectualisme is, enz.
Die dingen moesten nu eindelijk eens niet meer gezegd worden. En we moesten eens ernstig gaan praten over de dingen, waarin wel wezenlijk 't verschil gelegen is.
Maar dan moet die naam Ethisch door de Ethische Vereeniging enz. niet worden misbruikt, misschien ook wel om andere dingen min of meer te bemantelen. Want we kunnen ons wel als de Ethischen voordoen, als de levend-geloovigen; en onze theologie presenteeren als de zedelijk hoogstaande godgeleerdheid — maar hebben we daartoe dan wel het recht ?
Of moeten we de kwestie eigenlijk niet héél anders gaan stellen ?
DE WAARHEID VAN DE BIJBELSCHE VERHALEN. (1)
De wereld lijkt niet zelden schier krankzinnig. Waarvoor is de belangstelling van duizenden bü duizenden ? Men moet maar eens acht geven op de intense belangstelling die er is voor den uitslag van een voetbalwedstrijd ; op hét druk bezoek, waarin de bioscopen zich mogen verheugen ; op de aandacht, die er . geschonken wordt aan danszaal, dansmuziek, enz.
De wereld is verdwaasd.
De wereld is verdwaasd. En de werkloosheid werkt dat in de hand. Honderden en duizenden loopen rond, terwijl ze niets te doen hebben. Hun aandacht wordt niet bezig gehouden door hun werk. Ze hebben niets om zich aan te geven — en de wereld, met de wereldsche vermakelijkheden, de straal met de dagelijksche gebeurlijkheden trekt.de massa van jongeren en ouderen.
Toch — toch.... zit, diep bij den mensch z'n relatie met God. Hij is van Gods geslacht. En het zaad van den godsdienst wordt, dikwijls heel diep verscholen wel, bij ieder mensch gevonden. En zoo komt het, dat in laatste instantie en in den diepsten grond ook vragen rakende den godsdienst de belangstelling trekken van velen, van honderden, van duizenden. Als de mensch weer eens in beweging komt, dan komt het weer naar boven en naar buiten dat hij van Gods geslacht is.
Ook vragen rakende den Bijbel trekken veelal belangstelling! En dan vooral de kwestie : is de Bijbel Gods Woord ? Ook de vraag : is alles wat in den Bijbel staat waar ? Kunnen we op de waarheid van den Bijbel staat maken en er van uitgaan bij alles ?
Hierbij doen zich dan allerlei samengestelde omstandigheden voor. Want er zijn velen, die met ernst en warmte voor de waarheid van den Bijbel opkomen, - doch willen dan niet voor alles, wat in dat Boek gevonden wordt, instaan. Men wil de godsdienstige en zedelijke waarheid van den Bijbel wel verdedigen, maar tegelijk de geschiedkundige waarheid in meerdere of mindere mate weerspreken. Men wil, bij 't aanvaarden van de godsdienstige en zedelijke waarheid van den Bijbel, vrijheid van critiek op de geschiedkundige waarheid van dit Boek hebben en houden, en dan dikwijls zóó, dat er van de historische betrouwbaarheid van de Heilige Schriften niet veel overblijft.
Nu kunnen we dadelijk wel verklaren, dat de vrijheid van critiek op de geschiedkundige waarheid van de Heilige Schrift, over 't algemeen niet bevorderd heeft, dat men meer en meer de godsdienstige en zedelijke waarheid van den Bijbel het aanvaard, in dat opzicht staat het treurig. Hoevelen, die de geschiedkundige waarheid betwisten, hebben ook inzake de godsdienstige en zedelijke waarheden van Gods woord hun critiek losgelaten tot vernietiging van wat in de geslachten heilig werd geacht en hoog is gehouden. Inzake het ethisch, zedelijk leven zijn we, wat de vaste en algemeen geldende bijbelsche waarheden aangaat, waarlijk er niet op vooruitgegaan. Het lijkt niet zelden, alsof deugd en ondeugd ook onder .„Christenen" stuivertje verwisseld hebben.
De geschiedkundige waarheid van den Bijbel wordt door velen in twijfel getrokken, waarbij het opvalt, dat men dikwijls dan zoo negatief redeneert, niet omdat men zoo bijster goed t.o.v. met de geschiedenis van den tijd der Aartsvaders op de hoogte is (daar ontbreekt dan nog wel eens wat aan), maar omdat het zoo'n soort modeartikel is geworden om toch vooral de geschiedenis-voorstellingen van den Bijbel te betwijfelen en te zeggen dat het „natuurlijk" zoo en zoo niet gebeurd is, enz
Gerust kunnen we zeggen, dat het met de geschiedkundige waarheid van den Bijbel — en met name van het Oude Testament — waarlijk niet zoo bedenkelijk staat als vele „deskundige" bedillaars het vaak willen voorstellen. Om één voorbeeld te noemen. Arthur Ungnad zegt in zijn boek „Die altesten Völkerwanderungen enz." (1923) : „Zoo blijkt dan, dat de Oud-Testamentische overlevering toch heel veel beter omtrent het oude Oosten ingelicht is, dan menigeen zich heeft voorgesteld". En deze schrijver legt er nadruk op, dat hij niet wenscht op te treden als verdediger maar alleen wil spreken als historicus. Er is een tijd geweest, dat men het liefst Israels geschiedenis in sagen en sprookjes liet opgaan, 't Was alles fantasie van het latere Jodendom.
Maar we kunnen veilig aannemen, dat de stoutheid van vele krasse beweringen in de laatste tijden is aangevoeld als onrechtvaardig en onhistorisch. We krijgen sterk den indruk, dat we in den Bijbel — met name nu in het Oude Testament — schriftelijke mededeeling hebben van gebeurtenissen, die alzoo zijn geschied. Waarbij het op schrift stellen van de feiten en gebeurtenissen de kennelijke bedoeling heeft, deze historie voor alle verdere geslachten grondleggend te bewaren en daarin den levensgang te teekenen van Israël, zijnde Gods uitverkoren volk, dat een gansoh bizondere plaats inneemt tusschen de andere volken, om zoo te komen tot de volheid des tijds, dat uit Israël de Christus, de Zaligmaker der wereld, zou geboren worden.
We hebben in het Oude Testament geen verzameling van legenden, fantasieën, verzonnen en opgesmukte verhalen, waarvan de historische grond en de historische betrouwbaarheid ontbreekt. Maar zonder twijfel is ons daar gegeven een verhaal van 't geen wezenlijk geschied is, met de bedoeling het voor de toekomst te bewaren, in onlosmakelijk verband met den gang van Gods Koninkrijk.
Wie van fabel, sprookje, gelijkenis, mythe enz. gebruik maakt, is zich daarvan bewust en weet dus dat hij geen reëele feiten beschrijft! Hy weet, dat wat hij beschrijft niet alzoo is geschied; dat het verhaal, als verhaal, gefantaseerd is en slechts inkleeding.
En natuurlijk is het zeer goed mogelijk om in den vorm van een fabel of legende allerlei waarheden voor te leggen. Maar daar gaat het hier, niet om. Het gaat jn betrekking tot de geschiedschrijving van de Heilige Schrift om het feit, of de bijbelschrijvers bedoeld hebben geschiedenis, mededeeling en verhaal van gebeurde dingen, mee te deelen of niet. En dan staat het voor ons vast, dat als zij de geschiedenis van Jozef beschrijven — om dit voorbeeld eens te nemen — zij niet bedoelen In den vorm van een fantasie of fabel of legende of mythe te spreken, maar dat zij er zich van bewust zijn, dat zij verhalen wat werkelijk gebeurd is, wetende dat die geschiedenis een beteekenisvolle bedoeling heeft, ingeweven in de heilsgeschiedenis. De vorm van de geschiedschrijving in het Oude Testament is geen legende, mythe of sage. Het is weergave van wat werkelijk geschied is. De schrijver wil de omstandigheden en de gebeurtenissen geven, zooals het werkelijk is toegegaan en werkelijk geweest is. Adam, Kaïn, Abel, Henoch, Noach zijn historische personen en wat verteld wordt van Sodom en Gomorra, van Egypte en Babel is geen legende, geen fantasie, maar werkelijkheid, historie.
Dat heel het Oud-Testamentisch verhaal dan doorweven is met het verhaal van wonderen, getuigt niet tegen het „werkelijk gebeurd zijn" van hetgeen wordt meegedeeld. Want het wonder hoort by die geschiedenis. En het meededen van wonderen getuigt niet tegen de nuchterheid en de betrouwbaarheid van de bijbelschrijvers. Het zijn geloovige mannen, die de werkelijkheid en de waarheid ons meedeelen, waarbij het wonder als wonder vermeld wordt en ook wonder Gods gelaten wordt.
Het wordt niet tot een wonderlijk menschenwerk — vol handigheid en listigheid — gemaakt, maar het is en het blijft wonder Gods. Achter alles staat de God van hemel en aarde. Die met Mozes en Israël Zijne wondere wegen houdt en Zijne groote daden verricht.
En als de „wetenschap" dan tegen die wonderen bezwaar maakt en daardoor gaat spreken van mythe, sage, fabel of legende, dan betwisten we het recht van de „wetenschap" om alzóó over de wonderen Gods te willen heerschen, dat zij deze wonderen Gods zou mogen negeeren en voor leugen, voor fantasie zou mogen verklaren.
Wie hier het gewone en het menschelijke als maatstaf voor de werkelijkheid wil houden, gaat verkeerd. Want de geschiedenis van Israël is vol van de gangen en de daden Gods.
Dat leert het Oude Testament zelf ons, en dan niet om van het wonderlijke op te klimmen tot sage of mythe, maar om op te klimmen tot Hem, Die wonderen werkt en alles stuurt naar Zijn raad en welbehagen.
Dat maken de bijbelschrijvers niet alles klaar door hun fantasie, om het dan, met een soort vroom bedrog, voor te stellen alsof God het gedaan heeft — terwijl het in werkelijkheid fantasie van den mensch is — maar de vrome geschiedschrijver vond het zoo, als Gods werk en verhaalt het zoo, als werkelijk zóó geschied en niet anders gebeurd zijnde, waarbij Gods Geest de mannen Gods heeft geleerd en geleid. (2 Petrus 1 vers 19—21).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's