De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever
J. H. Kok te Kampen
Ten slotte had hij zich zelf gezien op den hoogen bok van een keurig rijtuig, dat van binnen geheel met rood bekleed was, uitgedost in een groenlakensche jas met lange panden en gouden knoopen, een witte rijbroek en hooge laarzen, terwijl zijn hoofd gedekt werd door een hoogen hoed met gekleurden band en zijn handen in een paar witte handschoenen gestoken waren ; in de eene hand hield hij de fraaie leidsels, in de andere de lange rijzweep. Zoo stond hij te wachten voor de groote Slotpoort, met moeite de trappelende paarden bedwingend tot eindelijk de deur open ging en de Jonker naar buiten kwam en in het rijtuig steeg. Toen had hij de teugels gevierd, en vóórt ging het, in gestrekten draf, onder 't gerinkel der zilveren bellen vóór aan het gareel. Eerst de laan uit, toen Kleiterp door, waar alle menschen den Jonker beleefd groetten en hèm niet minder toeknikten, omdat hij koetsier was. Daarna ging het verder langs den grindweg, in al sneller draf, tot hij kwam in geheel onbekende streken, met hoog geboomte langs den weg en prachtige buitens, en breede lanen, waar in tal van deftige menschen zich lieten rijden in allerlei soort wagens, maar waarvan de zijne toch de mooiste was. De voorbijgangers bleven stilstaan, om hem met zijn prachtig tweespan, dat onvermoeid scheen en den lichten last in altijd grootere snelheid voorttrok, na te zien.
Toen was plotseling een ander tafereel gekomen ; opeens werd de weg woest en verlaten ; hier en daar stond nog een armoedig huisje, precies gelijk aan dat zijner ouders, waar vuile kinderen speelden en stoeiden. Eensklaps hoorde hij een vreeselijk geraas, gevolgd door een langen, luiden gil, en daar kwam het aan, 't stoomros, de nieuwe spoortrein van Kleiterp, sissend en stampend, om met donderend geweld en de snelheid van den wind voort te vliegen over de ijzeren baan, zoodat het stof hoog opdwarrelde en de dunne, slanke korenaren langs de lijn bogen alsof ze gebroken werden. De paarden begonnen te steigeren, schoten vervolgens met een wanhopige krachtsinspanning vooruit en renden toen in ongekende vaart over hoogten en laagten voort, brieschend van angst zonder ook maar een oogenblik meer naar den teugel te luisteren, en hij vruchteloos poogde de woeste beesten tot kalmte te brengen. Tevergeefs trachtte hij om hulp te roepen, 't was alsof er geen geluid uit zijn keel wou komen. En de wagen hotste en bonsde en stiet en kraakte, tot eindelijk, met een geweldigen ruk hij plotseling uit zijn angstigen droom werd wakker gemaakt door Jan, die hem onzacht bij den arm greep met de woorden : „Wat scheelt je toch, malle jongen, je slaat me vlak in 't gezicht", en Sjoerd tot zijn groote blijdschap merkte dat hij nog veilig en wel op het zolderbed lag, onder het dak zijner ouders.
„Hè", had hij gezegd, terwijl hij het angstzweet van zijn gelaat veegde, „wat een nare droom". — „Wat dan ? " vroeg Jan met slaperige stem. — „'k Was met de paarden van den Jonker op den loop. Ze schrokken van den trein en daar ging de heele zaak aan den haal. 'kHeb het toch zóó klaar gezien, dat ik me niet kan voorstellen dat het niet zoo geweest is". — „Hou je mond nu ; 'k wil slapen", had Jan geantwoord, en toen is het boven weer stil geworden.
Maar bij het opstaan heeft Sjoerd zich alles nog herinnerd alsof het werkelijk voor gevallen is, en vandaar zijn eerste vraag na het „goeden morgen", wat toch die boodschap van „Grovestins" mag hebben ingehouden. Daarop heeft moeder hem in weinig woorden verteld, dat vader vanavond bij den Jonker moet komen, zonder evenwel mede te deelen wat vermoedelijk de oorzaak is. Op de volgende vraag, wat dat beteekenen moest, heeft zij dan ook gezegd dit niet te weten. Daarop is stilzwijgend de morgenboterham genuttigd — een paar flinke stukken roggebrood met geraspte kaas — waarna ook de jongens hun werk hebben opgezocht om eenige stuivers mee te verdienen.
Ook de gedachten van vrouw Mollema zijn telkens bezig met de vraag, wat er toch zal voortvloeien uit het bezoek van haar man hedenavond op het Slot. Zij heeft van morgen wel gemerkt, dat hij niet veel trek heeft in dit bezoek. Zij kent hem wel. Hij was zoo stil. Soms kan hij wel eens een groot woord hebben, maar als het er op aankomt, moet zij gewoonlijk het spits er afbijten. Zoo zijn die mannen nu eenmaal, zegt zij dan plagend, heele helden in den mond, maar als het er op aankomt gaan zij op den loop. Neen, dan is zij beslister in haar optreden, een eigenschap, die haar oudste dochter van haar moeder heeft over geërfd. Zeker, zij zou er ook wel tegen opzien naar den Jonker te gaan, wanneer hij haar eens ontboden had, maar toch niet in die mate, als haar man, wien het brood dezen morgen al niet zoo goed scheen te smaken als anders.
Zij zal tegen den avond zijn Zondagsche kleeren klaar leggen en zijn schoenen een extra beurt geven, 't Gaat toch niet aan om zich op klompen bij dien voornamen heer aan te dienen. De buren zuilen ook wel nieuwsgierig wezen wat dat alles beteekent. Het verwondert haar, dat buurvrouw Aaltje nog niets gezegd heeft over het bezoek van dien huisknecht, maar het zal straks wel 't eerste onderwerp van gesprek worden en vanavond zijn er natuurlijk overal spiedende oogen. Dat is het lastigste hier. Aaltje is een goede buurvrouw, die in nood en dood altijd bijgestaan heeft, al was het ook in den nacht, maar zij durft alles vragen. Zoo gaat het op die buurtjes. De een weet alles van den ander, zelfs tot wat er 's middags op tafel komt, ja, op zijn ergst, wat er in de kast is.
Vrouw Mollema is geen praatster ; vooreerst heeft zij het daarvoor te druk en dan weet zij maar al te goed dat uit die buurpraatjes vaak allerlei ellende voorkomt. Wie veel vertelt, moet ook veel waar maken, zegt zij. Toch neemt dit niet weg, dat men heel gauw met elkanders doen en laten op de hoogte is en vooral wanneer er iets bijzonders plaats heeft, blijft dit gewoonlijk niet lang verborgen.
Ditmaal echter wordt buurvrouw niet meer gewaar dan vrouw Mollema kwijt wil wezen ! Als zij even later naar buiten gaat, om het linnen op de bleek te leggen, verschijnt Aaltje ook.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's