UIT DE PERS
„Alcohol en de verwaarloosde en misdadige Jeugd".
De heer Noordam, de wakkere directeur van „Valkenheide", die zoo uitnemend voor z'n taak berekend is, heeft onlangs in Rotterdam een lezing gehouden over bovengenoemd onderwerp. Waar hij zelf werkt onder de verwaarloosde jeugd aan de inrichting en stichting, die van onze Hervormde Kerk uitgaat, is hij in staat om over deze dingen een oordeel te hebben en het is goed, wanneer we op de woorden van zoo iemand acht geven. Laat het verwaarloosde, het misdadige kind toch niet aan onze aandacht voorbijgaan. Ook de Kerk heeft hier een, zij 't moeilijke, taak. Een verslag van de lezing van den heer Noordam luidt aldus :
„Wij hebben ons allen wel gehoed voor de dwaling, dat „jeugdig kind" synoniem zou zijn aan .smetteloos wezen" ; maar dat er zooveel en zóó diep verderf onder de jeugd van ons volk zou heerschen, is ons toch misschien onbekend.
In Amsterdam werden in 1922 niet minder dan 371 processenverbaal opgemaakt tegen beneden-18-jarigen, wegens misdrijf; en 40 daarvan betroffen kinderen beneden 10 jaar. Vooral dit laatste is zéér ernstig. En de tijden zijn in dit opzicht zéér ongunstig, hetgeen blijkt, wanneer men vergelijkt met b.v. 1923, toen in Amsterdam 240 processenverbaal werden opgemaakt tegen beneden-18-jarigen, waarvan 16 tegen kinderen beneden 10 jaar.
Wat dat laatste betreft — misdrijven van zéér, zéér jonge kinderen, is de stijging met 150% ! Verschrikkelijk ! Zulke cijfers spreken. Maar men trachte nu toch vooral met het hart te verstaan de schrikkelijke ellende, welke door de verwaarloosde en misdadige jeugd wordt doorleefd ; want in onzen socialen strijd is allereerst sociale ontroering noodig.
Daartoe leere men de geschiedenis der kinderen kennen ! En dan verbaast men zich niet, dat een 12-jarige jongen wegens ontuchtige handelingen met een 7-jarig zusje naar 't gesticht wordt verwezen, want dan weet men dat zulk een kind door moeder is ingeleid in sexueele verwording.
En als een jongen brood steelt, omdat hij door de vrouw, met wie zijn vader samenleeft, des morgens zonder eten de deur wordt uitgezonden, dan gevoelt men wat een kind missen moet, dat zijn moeder mist.
Daar groeit een jeugd op, waarin geen zonnestraal van liefde valt en wier verkommering naar lichaam en geest men leest in heel hun armelijke verschijning. Bijna nooit komt een kind uit een normaal gezin in de gestichten. En bijna altijd blijkt de oorzaak van de ontwrichting van het gezin te zijn : drankmisbruik.
Verschillende steekproeven toonden aan dat van elke vijf jongens, welke het gesticht „Valkenheide" bevolken, er vier door drankmisbruik kwamen in 't gesticht. Vier-vijfde dus van de jongens bij ons door den drank ongelukkig. Dit moet echter niet zóó worden verstaan, dat die jongens zelve zich reeds aan drankmisbruik schuldig maakten, 't Aantal derzulken is klein. Zoo werden in 1928 Wegens dronkenschap veroordeeld 1 jongen van 13 jaar; 2 jongens en 1 meisje van 15 jaar; 16 jongens en 2 meisjes van 16 jaar; 29 jongens en 1 meisje van 17 jaar.
Het drankmisbruik in de gezinnen is de grondoorzaak.
Opmerkelijk is 't daarbij, dat het maximum der misdadigheid bij de jeugd ligt op 16-, 17-jarigen leeftijd, doch dat het drankmisbruik nog jaren lang hand over hand toeneemt. Van alle zonden, waarin de mensch valt, is blijkbaar die van drankmisbruik wel de sterkst bindende.
Daarom verwondere ook niemand zich dat de gevolgen van drankmisbruik zich zoo schrikkelijk openbaren in de nakomelingen van den dronkaard, wiens kinderen al den ernst moeten ervaren van het vreeselijk heliige, dat de Heere de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, tot in het derde en vierde lid.
De vreeselijke gevolgen van 't drankmisbruik mogen ons toch niet weerhouden rechtvaardig te blijven tegen den dronkaard en niet doen vergeten, dat hij ook onder zijn zonden gebukt gaat en meestal ook wel héél gaarne van de plaag zou worden verlost, doch dat hij is een gebondene, een slaaf van den drank.
Wij moeten trachten zoo'n zwakkeling te helpen. Daartoe kunnen twee middelen dienen. Allereerst — en hier ligt vooral een taak voor de vrouw — moet uit ons volksdenken gebannen worden de gedachte, dat "een borrel drinken" den man adelt. Wanneer die waan geweken is, is veel gewonnen.
Doch die weg, om den drankslaaf vrij te maken is : absolute onmogelijkheid om drank te verkrijgen.
Hier ligt taak en roeping voor iedereen. Niemand neme alcoholische dranken ; niemand geve ze.
Dat vraagt te leven in den geest van onzen Heiland, Die alles heeft gegeven om gebondenen los te maken en zondaren te zaligen".
Wij bevelen gaarne onze Hervormde Stichting „Valkenheide" bij deze nog eens hartelijk aan. Daar wordt zulk moeilijk en zulk mooi werk verricht. Niemand — noch uit de stad, noch van het platteland — zegge : "Dat gaat mij niet aan".
Gelukkig, dat het de Heiland Zelf is. Die het verlorene zoeken wil.
En om dan ook in deze Zijn discipel te mogen zijn is heerlijk.
JEUGDDIENSTEN IN ONZE NED. HERVORMDE KERK.
De Jeugddiensten hebben binnen de grenzen van onze Hervormde Kerk zich een plaats veroverd; allereerst in de groote steden, langzamerhand ook in de kleinere steden. Het oordeel over deze veelal sterk liturgisch ingestelde diensten voor de jongeren, is zeer verschillend. Ook over de resultaten wordt door den een anders gesproken dan door den ander. De belangstelling is over 't algemeen onder de jongeren groot en het verwondert ons niet, dat men zich omtrent deze diensten een nader oordeel wil vormen, om ook allerlei, bij deze bijzondere diensten betrokken, onder de oogén te zien.
Door de Synode is een paar jaar geleden een Commissie benoemd, met opdracht de Jeugddiensten-kwestie in studie te nemen. Met vragenlijsten is gewerkt. Overzichten zijn gemaakt. Rapporten zijn opgesteld. En het resultaat van het werk dezer Commissie is nu op de Synodale tafel neergelegd, waar algemeen groote aandacht aan dit rapport geschonken is en woorden van lof niet achter zijn gehouden.
We nemen uit „De Standaard" onderstaand stuk over. Daarin vindt men allerlei bizonderheden bij elkaar.
Het rapport inzake de Jeugddiensten.
De zitting van Donderdag was geheel gewijd aan de bespreking van de jeugddiensten.
Enkele jaren geleden is een commissie benoemd voor een onderzoek naar de bestaande jeugddiensten, speciaal in haar verhouding tot de kerkeraden en met betrekking tot de vraag, op welke wijze in den arbeid dier jeugddiensten meer eenheid en doel kan worden gebracht.
De Commissie bestond uit: G. A. Barger te Hees, dr. Berkelbach van der Sprenkel te Rotterdam, ds. J. P. van Bruggen te Amsterdam, prof. dr. M. van Rhijn te Utrecht, ds. E. D. Spelberg te Nijmegen, ds. P. Veen te Utrecht, ds. A. B. te Winkel te 's-Gravenhage.
Ds. M. Jongebreur, van Veenendaal, die ook in deze commissie zitting had, werd na zijn overlijden vervangen door ds. W. J. Lokhorst te Hilversum.
De Commissie besloot allereerst een drietal enquêtes in te stellen, die zouden worden rondgezonden aan de .Kerkeraden, aan Jeugddiensten, die niet in direct verband staan tot de Ned. Hervormde Kerk en in het algemeen aan sprekers in allerlei jeugddiensten.
Thans is het rapport van deze Commissie binnengekomen, waarin het resultaat dier enquêtes uitvoerig en in bijzonderheden is medegedeeld. Door 333 kerkeraden werd geantwoord, dat er in de betreffende plaats geen jeugddiensten werden gehouden, en 75 zonden volledig ingevulde vragenlijsten terug. Er kwamen 22 volledige antwoorden in van jeugddiensten die niet in direct verband staan tot de Ned. Hervormde Kerk en 103 sprekers in de jeugddiensten gaven eveneens een volledig antwoord.
In het rapport zijn al deze gegevens verwerkt en wordt uitvoerig gehandeld over de motieven, de taak, de inrichting, de practijk en de vruchten van dé jeugddiensten.
Er wordt op gewezen, dat in de jeugd van alle tijden, maar in het bijzonder in die van onzen tijd, drie elementen op den voorgrond treden t.w. het element der kritiek, de begeerte naar behoud en het verlangen naar levensopbouw. Het gaat om het behoud van de Kerk voor de jeugd, en van de jeugd voor de Kerk.
In ongeveer 100 gemeenten worden jeugddiensten gehouden. Berekend is dat gemiddeld 25.000 jongeren de jeugddiensten bezoeken. Er is nog geen reden, om met eenige zekerheid te kunnen constateeren, dat de Jeugddiensten het catechisatiebezoek en de begeerte om belijdenis des geloofs af te leggen, in belangrijke mate hebben doen toenemen. Maar wel vraagt de Commissie zich af hoeveele jonge menschen vooral in onze groote steden ter catechisatie zouden komen, wanneer er eens in het geheel geen jeugddiensten werden gehouden.
Er zijn bij de Commissie ook bezwaren ingekomen tegen de jeugddiensten. Sommigen achten, dat de eenheid er door in gevaar komt. Er wordt met de jeugd eigenlijk gesold. Men gaat haar als „iets bijzonders" beschouwen en dat is voor de jeugd zelf verkeerd.
Zoo wordt het houden van jeugddiensten „een degeneratie verschijnsel, een fata morgana in de woestijn der kerkontaarding". Voorts werd het bezwaar naar voren gebracht, dat door de jeugddiensten een bedenkelijke differentiatie in de gezinnen ontstaat. Ouders en kinderen gaan ieder hun eigen weg.
Verder is men van meening in sommige plaatsen, dat de jeugd ook bevrediging kan vinden in de Zondagsche godsdienstoefeningen van de geheele gemeente. Enkele Amsterdamsche predikanten spreken op dezen grond de meening uit, dat het recht der jeugddiensten daardoor aanvechtbaar is. „Een samenkomst, waartoe uitsluitend een deel der gemeente geroepen wordt, kan moeilijk een samenkomst van de gemeente Gods genaamd worden, zelfs al is zij ook belegd door den kerkeraad."
Ook wijst men er op, dat toegeven aan de z.g. behoeften van de jeugd „leidt tot verarmde prediking, terwijl het rijke Woord des Verbonds allen alles geeft."
De Commissie, die deze bezwaren niet deelt, komt in het rapport ten slotte tot de volgende conclusies.
De conclusies.
1. Gezien den korten ontwikkelingstijd en het uitéenloopend karakter der jeugddiensten, meent de Commissie, dat nog geenszins met eenige duidelijkheid is aan te geven, welke plaats de jeugddiensten zelfs in de naaste toekomst zullen innemen. Indien men echter de huidige verhoudingen in het oog vat, wil het de Commissie voorkomen, dat haar tweede conclusie onvermijdelijk moet zijn :
2. Onze kerk houde. rekening met de eigenaardige eischen, die de positie der jeugd in het moderne leven stelt. Zij schenke aan de jeugd van heden datgene wat haar toekomt, en trachte het Evangelie zooveel mogelijk te brengen in zulke vormen als door jonge menschen van dezen tijd kunnen worden gewaardeerd én begrepen. Tegenover de reeds genoemde bezwaren, die zich richten tegen splitsing van gezin en gemeente, kan de Commissie opmerken, dat differentiatie ook van christelijk standpunt gezien een noodzakelijkheid moet zijn, waar het immers gaat om de vraag, hoe men de jonge menschen van onzen tijd het beste met den eisch en de belofte van Christus kan bereiken.
3. De Commissie is van oordeel, dat ten spoedigste door de Synode reglementaire aansluiting voor de jeugddiensten dient geschapen te worden. Zij wijst op de mogelijkheid, die o.a. art.. 14 van het reglement op de kerkeraden en het reglement op de kerkvisitatie daartoe openlaat.
4. Wat het liturgisch gedeelte der jeugddiensten betreft, acht de Commissie een zuiver afwegen van de liturgische elementen zeer noodzakelijk, alsmede zoo mogelijk het scheppen van enige eenheid in de liturgie in het algemeen. Zij wenscht nadrukkelijk een waarschuwend woord te laten hooren tegen de noodlottige willekeur, dié er soms in jeugddiensten heerscht.
5. Men fixeere als grensleeftijden de jaren 14 en 20 en houde in normale gevallen eenmaal per maand jeugddienst op een gewonen kerktijd, zoo mogelijk in een gewoon kerkgebouw. Men wake er voor, dat de jeugddiensten niet worden verzamelplaatsen dergenen, die zich in de gewone godsdienstoefeningen moeilijk meer kunnen vinden.
6. De Commissie spreekt haar ernstigen wensch uit, dat de kerk als geheel en de gemeenten in het bijzonder zich haar taak tegenover de jeugd van dezen tijd steeds sterker bewust mogen worden. Geschiedt dit, dan zal ook terstond blijken dat de bemoeiing van de kerk met de jeugd enkel in den vorm der jeugddiensten niet meer voldoende is. De plaatselijke kerken moeten wegen trachten te vinden waarlangs er meer relaties tusschen de bezoekers der jeugddiensten en de kerkelijke gemeente worden verkregen. Een van de eerste eischen is déze, dat zooveel mogelijk aan jonge lidmaten een taak in het kerkelijke leven worde aangewezen.
7. Men late in de jeugddiensten zooveel mogelijk de plaatselijke predikanten optreden. De kerkeraden móeten er voor zorgen dat er in ieder geval sprekers moeten worden gezocht, die voor hun taak berekend zijn. Het komt de Commissie voor, dat de kerkeraden de leiding der jeugddiensten zooveel mogelijk op eenigen moeten concentreeren.
Bij de besprekingen van dit rapport waren alle leden der Synode vol lof over den arbeid der Commissie.
De President stelde voor aan de Algemeene Synodale Commissie op te dragen bepalingen inzake de jeugddiensten in de reglementen te ontwerpen, en het rapport aan de kerkeraden toe te zenden.
Aldus werd besloten.
Het rapport zal met de bijlagen, o.a. bijdragen van alle leden der Commissie, in druk worden uitgegeven en in den handel verkrijgbaar gesteld worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's