De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

Het spiritisme

6 minuten leestijd

HET SPIRITISME (12)
Geenszins zwijgt de Heilige Schrift, het van God ons geopenbaarde Woord der Waarheid, over de wereld aan de Overzijde. Van God, van Engelen en duivelen spreekt onze Bijbel, en ook van de menschen die gestorven zijn. Zeker geldt hier, dat we bescheiden en voorzichtig moeten zijn. De verborgene dingen zijn voor den Heere, onzen God ; en ze zijn vele. Waar de Schrift geen mond heeft om te spreken, moeten wij geen ooren hebben om te luisteren ; anders vallen we in de fout, dat wij over dingen gaan spreken, waarvan wij niets weten en waarover het ons niet betaamt tekst en uitleg te geven. Die in God gelooft, gelooft ook, dat Hij Zijne ordeningen met wijsheid gesteld heeft en dat Hij wel zorgen zal, dat we de dingen op tijd - -niet vóór den tijd — te weten komen.
Wat de Heere ons in deze geopenbaard heeft — en het is niet weinig — behooren wij te weten. „Onderzoekt de Schriften" geldt ook hier, want „de geopenbaarde dingen zijn voor ons èn voor onze kinderen" (Deut. 29 vers 29). Opdat wij met ons kroost in 'sHeeren wegen zullen wandelen en in Hem gelooven.
We weten, dat in de stervensure de scheiding tusschen ziel en lichaam plaats grijpt.
Wonder geheimnis, met vele verborgenheden, maar zóó is het ons toch geopenbaard en de christen van alle tijden gelooft en belijdt het. Dat is de dood, zooals die in de stervensure zich voltrekt over den mensch, die naar Gods beeld geschapen, voor een eeuwigheid bestemd is en ook het besef van eeuwigheids wezen te zijn in zich omdraagt.
Terwijl het lichaam dan in het graf wordt bijgezet, om daar bewaard te worden tot den dag van de groote opstanding, in den jongsten of laatsten dag, wanneer Christus zal wederkomen op de wolken — waarom de crematie, de verassching of verbranding van het lijk naar onze overtuiging voor een geloovig Christen onaannemelijk is — lezen we in onzen Bijbel (Schrift met Schrift vergelijkend) dat de ziel des menschen aanstonds na de stervensure gaat naar de plaats van haar eeuwige bestemming, 't zij naar den hemel, of naar de hel, al naar dat de ziel met Christus verbonden is, ja of neen.
Onder Oud-en Nieuw Testament (Schrift met Schrift vergelijkend) was het „blij vooruitzicht" van de vromen om, ontwaakt, den Heere in gerechtigheid te aanschouwen en Zijn lof te ontvouwen (Psalm 17) en met „de lieflijkheden van 't zalig hemelleven" eeuwiglijk uit Gods hand verzadigd te worden (Ps. 16). Op die zaligheid wachtten de vromen (zooals Vader Jacob) en in dat mijn broeder zal opstaan in de opstanding ten laatsten dage", zei Martha bij Lazarus' graf. En Paulus zingt in 1 Cor. 15 't lied der opstanding, kennende de kracht van de opstanding van Jezus Christus.
God is geen God van dooden. En in de gelijkenis laat de Heiland ons zien dat èn Lazarus, die door de Engelen in den hemel is gedragen, leeft, èn de rijke man, die z'n oogen opsloeg in de hel. Met bewustheid leven de menschen, die gestorven zijn, voort. En als wij over het kerkhof — dat intusschen geen hof rondom de kerk meer is, maar een doodenakker — wandelen, dan leven die dooden allen, zonder onderscheid van staat of leeftijd. Hun lichaam — hun stof — rust in het graf, maar hun ziel — hun geest — leeft, 't zij met de rechtvaardigen bij Christus, 't zij met de onrechtvaardigen in de plaatse der buitenste duisternis.
Zoo zien we den moordenaar naar het Paradijs gaan ; Stefanus wordt opgenomen in heerlijkheid, en van Judas weten we dat hij ter helle voer, gelijk Saul in den afgrijselijken dood voor eeuwig wegzinkt.
Het leven is voor de menschen met den dood niet gedaan. En Jezus Christus zegt: „Ik ben het eeuwige leven, die in Mij gelooft zal niet sterven". Terwijl er ook geschreven staat: ., Die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods".
Er is een voortzetting van het menschenleven in de eeuwigheid. Het is hier de zaaitijd, straks komt de vrucht. Hier is 't maar het beginleven, straks is 't het eeuwig leven. En de Heilige Schrift leert ons dat de ziel des menschen het voornaamste is, welke ziel, in de stervensure, naar haar eeuwige bestemming gaat, 't zij tot een eeuwig wèl, 't zij tot een eeuwig wee. Heel de prediking van Jezus doelt daarop. Hij spreekt altijd van dat eeuwige leven na den dood, dat door het geloof in Hem en de verzoening der zonden door Zijn bloed, een eeuwig zalig leven zal zijn, of door het ongeloof en door de onverzoende zondeschuld een leven onder den eeuwigen toorn Gods.
De modern-cultureel zoo ontwikkelde Sadduceën hebben in Jezus' dagen daarmee gespot. Die geloofden niet in geesten, noch engelen, noch duivelen ; zij geloofden niet in de opstanding der dooden. „Dood is dood", leerden zij. En spottend willen zij den Heiland met Zijn opstandings-en eeuwigheidsprediking in moeilijkheden brengen, door een verhaal op te disschen van een vrouw, die achtereenvolgens met onderscheidene mannen getrouwd was geweest. Maar de Heiland maakt ze ten aanschouwe van allen te schande, door eenvoudig te zeggen dat ze blijkbaar de Schriften niet kennen; en, zoo zegt Hij : die „de Schriften" niet kent en onderzoekt, die komt van de eene dwaling tot de andere en verkoopt tenslotte de grootste dwaasheden. Ook onze moderne, zeer verlichte tijd mag dit wel ter harte nemen. „Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet en de kracht Gods ? " (Mark. 12 : 24).
Naar uitwijzen van de Schrift, Gods Woord, zullen de rechtvaardigen, die het beeld des aardschèn gedragen hebben, dan het beeld des hemelschen aandoen ; het vernederd lichaam zal dan veranderen en zal gelijkvormig gemaakt worden aan het heerlijk lichaam van Christus door den Geest (Fil. 3 vers 20, 21). Het verderfelijke zal dan on verderfelijkheid aandoen en het zal zijn : God alles in allen. (1 Joh. 3 vers 2 enz.).
Zal het aanvankelijk alles voorloopig zijn, zoo zal het toch in wezen onveranderlijk zijn (de moordenaar aan het kruis mocht er van genieten !). En in den grooten dag der dagen, bij de tweede, groote opstanding, in het tweede of eindoordeel, zal dan alles voor eeuwig worden bevestigd en het zal dan voor lichaam en ziel den volstrekten eeuwigheidstoestand ingaan.
„De zielen onder het altaar" zuchten voor de eere Gods, met het aangezicht gekeerd naar God, uitziende naar de eeuwige victorie van 's Heeren Koninkrijk en de volle openbaring van Zijn heerlijkheid, waar de tijden nu nog boos zijn. En de duivelen vonnis voor eeuwig zal worden bevestigd met volheid van rampzaligheid.
Als wij dan ook in Bijbelschen zin spreken van het rijk der dooden, dan bedoelen wij het rijk, de levenssfeer van degenen, die ontslapen zijn, zoowel geloovigen als ongeloovigen ; daar zijn de heiligen gelukkig en de goddeloozen bevinden zich in de pijn. De Engelen staan voor Gods aangezicht en de duivelen zijn in de hel.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's