VRAGENBUS
Vraag: Is de slavernij en de oorlog als twee gelijkwaardige dingen te noemen, zoodat men kan zeggen, dat het Christendom de slavernij verbiedt en dus ook den oorlog moet verbieden ?
Antwoord. Neen. De slavernij is een sociale misstand, hetwelk het Christendom eertijds niet genoeg doorzien heeft. Tenslotte heeft het Christelijk beginsel als consequentie gevoeld : slavernij — slavendienst — slavenhandel enz., is verboden; Is on-Christelijk en moet door de Kerk van Christus worden veroordeeld en bestreden en uitgebannen.
Maar met den oorlog staat het anders. De oorlog is een vrucht der zonde en is het gevolg van botsing tusschen verschillende nationale belangen en eischen. En zoolang als deze wereld in het booze ligt en er afzonderlijke natiën zullen wezen, zullen deze botsingen nimmer geheel voorkomen kunnen worden. De Overheid moet dan ook zooveel mogelijk doen om den oorlog te voorkomen. De Christen zal den oorlog als een der grootste oordeelen Gods aanzien en alles doen wat mogelijk is, dat een volk voor den oorlog bewaard worde. Waarom 't streven naar vreedzame beslechting van geschillen tusschen de mogendheden door internationale arbitrage ook door den Christen zal worden gesteund, omdat het evenzeer met de eischen der humaniteit als met de eischen der Christelijke moraal in overeenstemming is. Maar in der daad moet men er rekening mee houden, dat, om der zonde wil, de botsing tusschen de verschillende nationale belangen en eischen elk oogenblik kan komen, waarom de Schrift ook zegt, dat de geruchten van oorlogen zullen aanhouden tot het einde toe.
De tijd van den wereldvrede ligt in de toekomst, als het Koninkrijk Gods zal geopenbaard zijn in heerlijkheid en de zonde zal zijn uitgebannen. Het vrederijk zal de oplossing van het oorlogsvraagstuk geven.
Intusschen is het plicht voor alle Christenen om zooveel in hun vermogen is, te bevorderen dat oorlogen worden voorkomen. Waarbij een van de beste middelen is dat het leven der volkeren worde doortrokken met den Geest des Evangelies, met den Geest van Christus.
De erkenning van Jezus Christus als Zoon van God, als Zaligmaker en Koning, benadert den wereldvrede.
Vraag : Wat beteekent 2 Thess. 2 vers 7, waar staat: „die hem nu wederhoudt" ? Wie wederhoudt „den mensch der zonde" (vers 3) ?
Antwoord. Tal van antwoorden zijn hier in den loop der tijden gegeven. De mensch der zonde, de Anti-Christ, kan nog niet komen. Er is iemand of iets die hem wederhoudt; als dat weggevallen is, dan zal hij zich in schrikkelijkheid openbaren, 't Komt ons voor, dat het Gods gemeene gratie, Gods algemeene goedheid is, w.elke zich nu in het midden van het wereldleven openbaart, waardoor de doorwerking van de zonde en ook de komst van den mensch der zonde, de Anti-Christ, belemmerd en weerhouden wordt. Als straks God Zijn hand terugtrekt, zal de incarnatie van den Satan, den grooten tegenstander van Christus, openbaar worden, opkomend uit het midden der volkeren. En dan zal het einde zijn.
Wij denken dus aan de werkingvan Gods gemeene gratie in het midden van het wereldleven — daartegen aan botst en stoot de werking van den mensch der zonde. Straks zal die belemmering weggenomen worden en de doorwerking van de satanische, helsche macht worden aanschouwd in vreeselijkheid in 't midden der volkeren.
Waarmee gepaard gaat de loochening van den Christus Gods en de loochening van den Vader en den Zoon. (1 Joh. 3 en 4),
Vraag: Wat beteekent: Maranatha ?
Antwoord : De Arameesch sprekende oergemeente sprak van den Heere Jezus niet van Kurios, zooals de Grieksch sprekende Christenen, maar van Maren bedoelde daarmee de opgestane, de levende Heiland, onzen Heere. Maranatha beteekent dan ook, zooals Openb. 22 vers 20 ons zegt : Kom, Heere Jezus ! (Mar=Kurios=Heere Jezus).
Vraag: Wat is de zin van Filipp. 1 vs. 18 „Wat dan ? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden" ?
Antwoord : 't Kan natuurlijk niet beteekenen, dat Paulus er over verblijd is en zich zal verblijden in de toekomst, dat Jezus onzuiver gepredikt wordt. Een onzuivere prediking kan nooit tot blijdschap zijn. Maar Paulus weet, dat er predikers zijn die hem haten en tegenstaan en nu met de verkeerde bedoeling, om het apostelschap van Paulus afbreuk te doen, den Christus verkondigen. Zij prediken dus den Christus, maar werden bedektelijk gedreven door de bedoeling, om Paulus verdriet aan te doen. Dat deksel lag op hun handeling ; ze zeiden het niet, maar Paulus begreep het wel. Er lag een bepaalde bedoeling op al hun doen — en dat was om Paulus te krenken — maar dat intusschen Christus verkondigd werd, verheugde Paulus. Laat ze maar prediken ! dacht Paulus, de bedoeling komt voor hun rekening, maar het evangelie wordt op die manier aan de menschen voorgelegd ; en dat verheugde hem. Als Christus maar gepredikt wordt, kan hij persoonlijk veel over 't hoofd zien !
Vraag: Staat de belijdenis der Kerk de vrije ontwikkeling der waarheid en de vrijheid der wetenschap niet in den weg ? En zijn er dus geen overwegende bezwaren tegen het bindend verklaren van een kerkelijke belijdenis ?
Antwoord : Het bindend verklaren van een kerkelijke belijdenis bedoelt nooit een menschelijk geschrift boven Gods Woord stellen en een menschelijk geschrift voor eeuwig vast te stellen. De Kerk bedoelt met haar belijdenis den inhoud van Gods Woord ordelijk voor oogen te stellen, zoodat de inhoud van de belijdenis de geopenbaarde waarheid Gods is. Anders deugt de belijdenis niet. En nu moet de wetenschap — die dan zoo graag „vrij" wil zijn en zoo graag „hoog vliegt" — zich óók ontwikkelen naar den regel der Schrift. Vrij zijnde, is zij zoo gebonden, zooals de vogel vrij is en aan de lucht gebonden is ; zooals de haas vrij is, en aan het land gebonden is ; zooals de visch vrij is, en aan het water gebonden is. Een Veluwsche haas in de Zuiderzee is heelemaal niet te benijden, een haring op de Veluwe gaat dood, zooals de vogel die in het water geworpen wordt. Vrij is tegelijk gebonden naar z'n aard en wezen. Anders wordt vrijheid bandeloosheid en dat werkt den ondergang altijd en overal, omdat men dan komt op een terrein, waar men niet hoort. Als een redelijk, zedelijk mensch „vrijheid" belieft te noemen als een redeloos beest te gaan leven, dan gaat die „vrije" mensch door z'n bandeloos leven ten onder ! Zoo nu, gaat de waarheid en de wetenschap ook glad verkeerd, als zij zich roekeloos los maakt van de bron van Gods openbaring en niet wil handelen naar den regel der Schrift. In verwaande opgeblazenheid neemt dan de rede, het menschelijk verstand, de teugels in handen en gaat dan z.g.n. „vrij" haar weg, maar 't i.s als de tram die uit de rails zich wringt; 't is als de dolle koetsier, die om de regelen van het verkeer niet geeft. Misschien dat een dwaas zulke dingen mooi vindt en een bolsjewist deze dingen aanmoedigt, om toch vooral „vrij" maar te maken tot bandeloos en roekeloos, — maar een gewoon mensch voelt, dat alles aan regelen gebonden is, elk ding naar z'n aard.
Zoo is „de waarheid" en „de wetenschap" ook gebonden.
Als er nu bij voortgaande „ontwikkeling" der waarheid en bij voortschrijden van „ds wetenschap" conflict zou komen tusschen „'t resultaat der wetenschap" en de „nieuwe ontwikkeling der waarheid" en hetgeen de Kerk in haar belijdenis heeft neergelegd, vastgesteld en aangenomen ? Wat dan ? Dan moet die „waarheid" en die „wetenschap" eerst nog eens de Schriften onderzoeken. En dan nóg maar eens de Schriften onderzoeken. Dat herhaald onderzoeken van de Schriften kan geen kwaad !
En als dan „de waarheid" en „de wetenschap" tot andere resultaten komt dan de belijdenis der Kerk heeft; wat dan ?
Dan moet men in den ordelijken weg komen met „gravamina" of „bezwaren". Dat wilden b.v. de Remonstranten niet doen. Die wilden behandeld worden als menschen die recht hadden iets anders te leeren dan de Gereformeerden. De Synode der Gereformeerde Kerken had niet het recht van hen verantwoording te vragen. Zij wilden niet als gedaagden geciteerd worden, wat de Synode tenslotte gedaan heeft. En toen bleek het, dat in alle vijf de verschilpunten de Remonstrantsche waarheid en wetenschap ïn strijd was met Gods Woord en dus niet waarheid, noch wetenschap was.
Mocht het blijken, dat de belijdenis, die altijd revisibel en appellabel aan Gods Woord gehouden moet worden — herzienbaar en met hooger beroep op Gods Woord — naar het oordeel der Kerken in een of ander punt met Gods Woord in strijd is, dan moet door de Kerken die belijdenis worden herzien, veranderd, aangevuld.
Want de belijdenis der Kerk moet tot inhoud hebben wat Gods ons geopenbaard heeft in Zijn Woord.
Vraag: Wat beteekent de Roomsche spreekwijze ten opzichte van de Sacramenten „ex opere operate" ?
Antwoord : De Roomsche Kerk leert, dat de genade in het Sacrament zit. Als het Sacrament dus tot iemand komt, komt in en door die handeling van den priester de genade tot en in den mensch. Om nu uit te drukken, dat gedurende de verrichting van het werk des priesters de genade wordt uitgestort, gebruikt de Roomsche die bekende uitdrukking; het Sacrament werkt „ex opere operato" = door het werk (van den priester) komt het (n.l. de bedeeling der genade). Onder het werk van den priester (de Kerk) wordt het gewerkt, n.l. de genadebedeeling. Wie dan ook dat werk van den priester mist, mist de genade (ongedoopte kinderen b.v.). Want met de uitgevoerde handeling is de genadewerking verbonden.
Vraag: Hoe zijn de twee steenen tafelen vervaardigd, wie had ze beschreven, en waar zijn ze gebleven ?
Antwoord : Wat wij hiervan weten, weten we uit Gods Woord. En dan lezen we Ex. 31 vers 18 : „En Hij gaf aan Mozes, als Hij (de HEERE) geëindigd had met hem op den berg Sinaï te spreken, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods". Verder lezen we Ex. 32 vers 15, 16 : „En Mozes wendde zich om en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijne hand ; deze tafelen waren op hare beide zijden beschreven, zij waren op de ééne en op de andere zijde beschreven ; en die tafelen waren Gods werk, het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd" Deut. 9 vers 10, 11 zegt dan verder : „en de HEERE gaf mij de twee steenen tafelen, met Gods vinger beschreven, en op dezelve naar alle de woorden, die de HEERE op den berg uit het midden des vuurs ten dage der verzameling met ulieden gesproken had. Zoo geschiedde het, ten einde van veertig dagen en veertig nachten, als mij de HEERE de twee steenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf".
In Ex. 34 lezen we, dat de tafelen der wet door God weer opnieuw aan Mozes zijn gegeven, nadat deze ze stuk geslagen had. Ex. 34 vers 1 : „Toen zeide de HEERE tot Mozes : Houw u twee steenen tafelen gelijk de eerste waren, zoo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt". Ex. 34 vers 29 : „En het geschiedde toen Mozes van den berg Sinaï afging (die twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes als hij van den berg afging"). (Deut. 10 vers 1—4, zie ook Ex. 24 vers 12).
Waar de twee steenen tafelen der wet zijn neergelegd lezen we Ex. 40 vers 20 : „Voorts nam hij en legde de getuigenis in de Ark". 1 Kon. 8 vers 9 : „Daar was niets in de Ark dan alleen de twee steenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's